Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BH5031

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-12-2008
Datum publicatie
06-03-2009
Zaaknummer
280680 / HA ZA 07-0304
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Letselschade na arbeidsongeval aan boord van Nederlands zeeschip. Aansprakelijkheid en zorgplicht Nederlandse zeewerkgevers. Omvang letselschade buitenlandse zeewerknemer. Sectorcompetentie en verwijzing binnen de rechtbank.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 658
Wetboek van Koophandel
Wetboek van Koophandel 391
Wetboek van Koophandel 396
Wetboek van Koophandel 450b
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 93
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2009, 132
JA 2009/75
AR-Updates.nl 2009-0166
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

sector civiel recht - afdeling I

Vonnis van 10 december 2008

in de zaak met zaak- en rolnummer 280680 / HA ZA 07-0304 van:

de heer [X],

eiser wonende te [woonplaats], Litouwen,

voorwaardelijke toevoeging nr. 3DP3219 van 25 oktober 2004,

behandelend advocaat: mr. P.F.W.A. van Dam (Rotterdam),

procesadvocaat : mr. E. Grabandt,

tegen

1. de besloten vennootschap Rona BV,

2. de besloten vennootschap [gedaagde sub 2] Harderwijk BV,

3. de besloten vennootschap Kilda BV,

alle gedaagden gevestigd te Katwijk,

behandelend advocaat: mr. H.M. Kruitwagen (Arnhem),

procesadvocaat : mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt.

1. Het procesverloop

1.1 Het procesverloop in deze zaak over letselschade na een arbeidsongeval aan boord van een zeeschip blijkt uit de volgende gedingstukken in het griffiedossier:

- de twee dagvaardingen van 18 augustus 2006;

- de akte houdende overlegging producties van 20 september 2006, met producties nrs. 1 t/m 6 van eiser [X];

- de incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid van 18 oktober 2006, met 1 productie van gedaagden;

- de akte tot referte van 29 november 2006 van [X], met 1 productie (nr. 7a);

- het incidenteel tussenvonnis van de kantonrechter te Leiden van 13 december 2006, waarbij deze zich "onbevoegd" heeft verklaard en de zaak heeft verwezen naar de sector civiel van deze rechtbank, met kostenveroordeling van [X];

- de conclusie van antwoord van 30 mei 2007, met producties nrs. 1 t/m 8;

- de akte van 13 juni 2007 met productie nr. 9 van gedaagden;

- het tussenvonnis van 13 juni 2007 en de beschikking van 2 juli 2007 van de rechtbank, gevolgd door het instructieformulier van de comparitierechter van 17 september 2007;

- het proces-verbaal van de comparitie van partijen en tegelijkertijd het ambtshalve getuigenverhoor van eiser [X] van 7 november 2007, inclusief de extra akten met de extra producties van beide partijen zoals opgesomd in het proces-verbaal van de zitting van 7 november 2007;

- de beschikkingen van de rechtbank van 7 december 2007, van 15 februari 2008 en van 1 april 2008, nadat alsnog een minnelijke regeling tussen partijen was beproefd maar onmogelijk gebleken;

- de conclusie van repliek tevens incidentele conclusie tot inzage ex art. 843a Rv van 28 mei 2008, met producties nrs. 15 t/m 28 van [X];

- de incidentele conclusie van antwoord ex art. 843 a Rv tevens conclusie van dupliek van 3 september 2008, met producties 14 en 15 van gedaagden.

1.2 Ter rolzitting van 17 september 2008 is door beide partijen vonnis gevraagd.

2. De vaststaande feiten

2.1 [X] is geboren in mei 1969 in Litouwen. Zijn beroep is, althans was sinds 1994 werktuigkundige (engineer) aan boord van zeeschepen. Van zijn inkomen moeten ook leven zijn echtgenote en hun gehandicapte zoon in Litouwen.

2.2 De drie gedaagde Nederlandse vennootschappen zijn zuster-vennootschappen die deel uitmaken van de PP Groep Katwijk, welke onderneming zich richt op de zeevisserij.

2.3 In ieder geval vanaf november 1999 was [X] via de Litouwse agent UAB Geomoras in dienst van (kort gezegd) de PP Groep Katwijk als zeevarend 4th engineer op de vistrawler ANNELIES ILENA, zulks op basis van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd (de duur van een zeereis).

2.4 Op 28 augustus 2000 is de Litouwer [X] aan boord van de ANNELIES ILENA op volle zee een arbeidsongeval overkomen. [X] was op dat moment via UAB Geomoras werkzaam als 4th engineer met een arbeidsovereenkomst voor vier maanden in dienst van gedaagde Rona BV. Gedaagde Kilda BV was op dat moment de eigenaresse van die Nederlandse vistrawler.

2.5 De toedracht van dat arbeidsongeval op zee was kort gezegd als volgt. [X] kreeg van de eerste machinist (hoofdwerktuigkundige) [A] de opdracht een vastgelopen lager van de sorteermachine in de zogenaamde visfabriek aan boord te vervangen. Bij die werkzaamheden heeft [X] een metaalsplinter in zijn rechteroog gekregen. Aan boord is daarna zijn oog gespoeld en heeft hij pijnstillers gekregen. In de eerstvolgende havenplaats in Marokko is [X] enige dagen daarna met de kapitein [B] naar een arts in een ziekenhuis geweest, die [X] heeft onderzocht en een oogzalf heeft meegegeven. Uiteindelijk is [X] wegens verergerende oogklachten op 9 september 2000 van boord gegaan en daarna naar Litouwen gerepatrieerd via Las Palmas en Amsterdam.

2.6 In Litouwen heeft [X] medische hulp gezocht voor zijn oogklachten. Uiteindelijk is daar op 20 september 2000 bij een oogoperatie de metaalsplinter uit zijn rechteroog verwijderd, en bleek de beschadiging van dat oog zo ernstig dat de natuurlijke lens van [X]s rechteroog moest worden vervangen door een kunstlens. Ook daarna is [X]s rechteroog onder medische behandeling en controle in Litouwen gebleven.

2.7 Wegens geldnood is [X] via UAB Geomoras met ingang van 23 februari 2001 weer een nieuwe arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd met Rona BV aangegaan als 4th engineer op de ANNELIES ILENA in dienst van Rona BV. Op 21 april 2001 is [X] vervolgens door kapitein [B] en eerste machinist [C] om in deze procedure onduidelijk gebleven redenen van boord gestuurd. [X] heeft in dat ontslag op staande voet berust.

2.8 [X] heeft sindsdien geen voor hem relatief goed betaald werk meer aan boord van zeeschepen zoals de ANNELIES ILENA kunnen vinden en/of kunnen verrichten. Hij is daardoor met zijn gezin in grote financiële moeilijkheden geraakt, en stelt ook anderszins veel klachten zoals hoofdpijnen te ondervinden van het letstel aan zijn rechteroog. In een rapport van drie forensic medicine specialists van 12 februari 2004 (productie 10 van [X]) is geconcludeerd dat het totale gezichtsverlies van [X] door zijn oogletsel als eindtoestand 35 % bedraagt en het percentage arbeidsongeschiktheid 45 %. Diezelfde drie specialisten hadden in een rapport van 27 november 2001 (productie 9 van [X]) al geconcludeerd dat het percentage arbeidsongeschiktheid door [X]s oogletsel toen 40% bedroeg.

2.9 Tussenkomst van een Litouwse juriste en daarna een Nederlandse advocaat aan de zijde van [X] en anderzijds van de assurantietussenpersoon [tussenpersoon] BV en de aansprakelijkheidsverzekeraar Allianz aan de zijde van de PP Groep Katwijk heeft in de jaren 2003 t/m 2006 niet tot een financiële oplossing geleid.

3. De geschillen

3.1 Met twee dagvaardingen van 18 augustus 2006 op de twee kantooradressen te Valkenburg (ZH) en Harderwijk van de drie in Katwijk gevestigde gedaagde vennootschappen heeft [X] de onderhavige procedure aanhangig gemaakt bij de sector kanton van deze rechtbank, locatie Leiden. Hij vordert verkort weergegeven een verklaring voor recht door de rechtbank dat gedaagden als zijn toenmalige zeewerkgevers hoofdelijk aansprakelijk zijn voor al zijn uit het arbeidsongeval van 28 augustus 2000 voortvloeiende schade en een veroordeling tot betaling door gedaagden van al zijn materiële en immateriële schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, met nevenvorderingen.

3.2 De kantonrechter te Leiden heeft de namens gedaagden op grond van art. 450b WvK opgeworpen "exceptie van onbevoegdheid" bij incidenteel vonnis van 13 december 2006 gehonoreerd en de zaak verwezen naar de sector civiel.

3.3 Bij conclusie van antwoord van 30 mei 2007 is namens gedaagden vervolgens bij de sector civiel gemotiveerd inhoudelijk verweer gevoerd tegen de vorderingen van [X]. Voor het verdere procesverloop en voor de wederzijdse argumenten verwijst de rechtbank nu kortheidshalve naar de data en inhoud van de in rov. 1 opgesomde gedingstukken.

4. De beoordeling

4.1 De sector civiel van de rechtbank zal de vele geschilpunten tussen partijen hierna met behulp van tussenkopjes stapsgewijs beoordelen, om daarna te kunnen komen tot een slotsom en beslissing over de ingestelde vorderingen.

Verwijzing sector kanton naar sector civiel

4.2 De kantonrechter te Leiden heeft in zijn incidenteel tussenvonnis beslist dat hij "onbevoegd" is om van de op art. 7:658 BW gebaseerde vorderingen van [X] kennis te nemen, omdat [X] tijdens het arbeidsongeval schepeling in de zin van art. 396 WvK was en art. 450b WvK art. 7:658 BW buiten toepassing verklaart op arbeidsovereenkomsten van schepelingen. De kantonrechter heeft [X] veroordeeld in de kosten van het incident, begroot op € 150,- salaris gemachtigde plus eventuele BTW, en de zaak verwezen naar de sector civiel.

4.3 Uit art. 71 Rv volgt dat deze verwijzing door de kantonrechter is gebaseerd op een voorlopig oordeel over het onderwerp van het geschil en dat de sector civiel - om begrijpelijke praktische redenen - aan deze verwijzing is gebonden. Dat betekent dat de sector civiel wel tot een eindoordeel in eerste aanleg over de juistheid van deze verwijzing moet komen, omdat de griffierechten van de sectoren kanton en civiel verschillend zijn en omdat de kantonrechter (anders dan bij de sector civiel gebruikelijk) in dit verwijzingsincident een kostenveroordeling heeft uitgesproken.

4.4 De sector civiel is van oordeel dat de beslissing van de sector kanton onjuist was om twee redenen. Ten eerste spreekt de kantonrechter in zijn incidenteel vonnis evenals de advocaat van gedaagden in zijn incidentele conclusie herhaaldelijk van "onbevoegdheid". Formeel en strikt genomen is die terminologie onjuist, omdat sinds de wetswijzigingen per 1 januari 2002 de sector civiel en de sector kanton deel uitmaken van één en dezelfde bevoegde Haagse rechtbank. De juiste terminologie is sinds 2002 "sectorcompetentie". Daaraan doet niet af dat de wetgever tot dusver blijkbaar over het hoofd heeft gezien dat art. 7:658 lid 4 BW sinds de invoering daarvan per 1 januari 1999 ook per 2002 strikt genomen ten onrechte nog spreekt van "bevoegdheid" van de kantonrechter.

4.5 Ten tweede - en inhoudelijk belangrijker - gaat de kantonrechter er met de advocaat van gedaagden kennelijk maar ten onrechte vanuit dat de bij dagvaarding gestelde grondslag van de vordering allesbeslissend is voor de vraag welk van beide sectoren van de rechtbank de zaak dient te beoordelen. Ook die opvatting is sinds de wetswijzigingen per 1 januari 2002 onjuist, zie kortheidshalve aantekeningen 1 t/m 3 op art. 71 Rv in de losbladige Groene Kluwer. Dat art. 450b WvK toepasselijkheid van onder meer art. 7:658 BW uitsluit voor de arbeidsovereenkomsten van schepelingen, betekent immers niet dat de zaak geen arbeidsovereenkomst meer betreft als bedoeld in art. 93 Rv. Omdat de sector kanton naar de wil van de wetgever sinds 2002 van een dergelijke aardvordering betreffende een arbeidsovereenkomst behoort kennis te nemen, was de beslissing van de Leidse kantonrechter ook inhoudelijk onjuist, nog daargelaten de zeer beperkte betekenis van art. 450b WvK volgens Hoge Raad NJ 2007 nr. 352.

4.6 Zoals gezegd is de sector civiel om begrijpelijke praktische redenen volgens art. 71 Rv - evenals partijen en hun advocaten - aan de verwijzing op basis van het voorlopig oordeel van de kantonrechter gebonden. Wel dient de sector civiel bij het eindoordeel de in dit geval onjuiste proceskostenveroordeling van de kantonrechter te corrigeren, ook omdat de advocaat van [X] zich in het door gedaagden opgeworpen verwijzingsincident weliswaar formeel refereerde om [X] moverende redenen waaronder de wens de procedure zo min mogelijk te vertragen, maar vervolgens in een betoog van een volle bladzijde terecht aanvoerde dat en waarom de kantonrechter de zaak wel degelijk aan zich diende te houden. In het dictum van dit vonnis zal de sector civiel derhalve de proceskostenveroordeling van de kantonrechter van € 150,- salaris gemachtigde corrigeren en dit bedrag alsnog hoofdelijk ten laste brengen van gedaagden (in plaats van ten laste van [X]) als de bij eindoordeel alsnog in het ongelijk te stellen partijen in dit verwijzingsincident.

Incident art. 843a Rv

4.7 Bij repliek heeft de advocaat van [X] een op art. 843a Rv gebaseerd exhibitie-incident opgeworpen en gevorderd gedaagden te veroordelen tot productie of inzage van "de volledige ongevallenverzekeringsdocumentatie welke ten tijde van het ongeval op (28) augustus 2000 gelding had", met nevenvorderingen.

4.8 Bij dupliek heeft de advocaat van gedaagden daarop gereageerd en daarbij ondermeer als productie 14 alsnog kopie van de gevorderde verzekeringsgegevens geproduceerd. Voor de wederzijdse standpunten in dit incident verwijst de rechtbank nu kortheidshalve naar de genoemde gedingstukken met producties.

4.9 Nu men aan de zijde van eiser [X] alsnog - zij het laat en wellicht ook zonder belang - beschikt over de gevorderde gegevens, moet de incidentele vordering bij gebrek aan belang worden afgewezen. Op de beslissing over de proceskosten in dit incident komt de rechtbank aan het slot van dit vonnis terug.

Art. 7:658 BW : schending zorgplicht zeewerkgevers bij arbeidsongeval [X] ?

4.10 [X] baseert zijn hoofdvorderingen tegen de drie gedaagden primair op schending van kort gezegd hun zorgplicht als werkgevers om te zorgen voor een veilige werkomgeving, door welke schending [X] stelt ernstig oogletsel en daaruit voortvloeiende schade te hebben opgelopen door zijn arbeidsongeval op 28 augustus 2000. De advocaat van [X] heeft Rona BV gedagvaard als formele werkgever krachtens schriftelijke arbeidsovereenkomst met [X]. De overige twee gedaagden zijn gedagvaard als mede-aansprakelijke, vermoedelijke materiële zeewerkgevers (scheepseigenaren) van schepeling [X] (art. 396 WvK).

4.11 Zoals beide zijden terecht tot uitgangspunt nemen, gelden ingevolge Hoge Raad NJ 1997 nr. 398, NJ 2003 nr. 138 en NJ 2007 nr. 352 voor de beoordeling van kort gezegd de aansprakelijkheid van zeewerkgevers na arbeidsongevallen van zeevarenden ondanks de verouderde wetsartikelen 391 en 450b WvK exact dezelfde normen als de normen die gelden ingevolge art. 7:658 BW voor de aansprakelijkheid van overige werkgevers na arbeidsongevallen van overige werknemers. Ook neemt de rechtbank evenals partijen tot uitgangspunt dat Nederlands recht van toepassing is, mede gelet op art. 14 van de schriftelijke arbeidsovereenkomst tussen [X] en Rona BV (productie 1 van [X]).

4.12 Na een andersluidend standpunt bij antwoord, heeft de advocaat van gedaagden bij dupliek met steun van productie 15 betoogd dat niet gedaagde 2 maar gedaagde 3 (Kilda BV) als eigenaresse van de vistrawler op 28 augustus 2000 de materiële zeewerkgever van [X] was, zodat [X] niet-ontvankelijk is in zijn overigens ook verjaarde vorderingen voorzover gericht tegen gedaagde 2 ([gedaagde sub 2] BV). Omdat de advocaat van [X] daarna geen antwoord-akte meer heeft gevraagd maar vonnis, én omdat dit betoog de rechtbank op grond van de gedingstukken met producties ook juist voorkomt, slaagt dit formele verweer van gedaagde 2. Deze niet-ontvankelijkheid moet tot afwijzing van de tegen gedaagde 2 ingestelde vorderingen van [X] leiden.

4.13 Als meest verstrekkend verweer tegen de vorderingen van [X] tegen de resterende gedaagden Rona BV en Kilda BV is herhaaldelijk betoogd dat [X] niet heeft voldaan aan zijn door art. 7:658 BW en de jurisprudentie vereiste primaire stelplicht dat [X] relevante schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden voor gedaagden als zijn werkgevers. Uit de in rovv. 2.5 t/m 2.8 vastgestelde feiten volgt echter dat [X] naar het oordeel van de rechtbank in deze procedure ruim voldoende heeft gesteld en aangetoond dat hij ernstig oogletsel heeft opgelopen met alle financiële gevolgen van dien als evident gevolg van het arbeidsongeval aan boord van de ANNELIES ILENA op 28 augustus 2000. Een andere oorzaak van dit ernstige oogletsel van [X] is ook 8 jaar na dato niet gesteld, niet aannemelijk en niet gebleken. In de gegeven omstandigheden van deze zaak lag het al jarenlang op de weg van gedaagden en kort gezegd hun verzekeraar om op eigen kosten een contra-expertise te doen verrichten om hun weinig voor de hand liggende betwisting van het oogletsel en het causaal verband te onderbouwen.

4.14 Dat betekent dat de rechtbank wel degelijk toekomt aan de beoordeling van de overige twee hoofdvereisten voor aansprakelijkheid van Rona BV en Kilda BV als toenmalige zeewerkgevers van [X], schending van hun zorgplicht voor kort gezegd een veilige werkomgeving én de afwezigheid van bewuste roekeloosheid aan de zijde van werknemer [X]. Ook over deze twee vereisten van art. 7:658 BW is volop literatuur en gepubliceerde jurisprudentie aanwezig en door partijen aangehaald, laatstelijk Hoge Raad NJ 2008 nr. 93 en NJ 2008 nrs. 460 t/m 465.

4.15 Partijen hebben uitgebreid gedebatteerd over de exacte toedracht van het arbeidsongeval. Vaststaat dat [X] bij het arbeidsongeval géén veiligheidsbril droeg, welke relatief eenvoudige en goedkope veiligheidsmaatregel achteraf bezien had kunnen voorkomen dat [X] bij de opgedragen vervanging van een lager van de sorteermachine in de visfabriek aan boord van het zeeschip een metaalsplinter in zijn rechteroog kreeg. Omstreden is met name of de relatief ervaren [X] bij deze vaker voorkomende werkzaamheden op dat moment zonder veiligheidsbril een hamer (aldus [X]) gebruikte of een elektrische slijptol (aldus gedaagden), in welk laatste geval sprake zou zijn van schending van veiligheidsinstructies van de werkgever en dus van bewuste roekeloosheid van de werknemer.

4.16 Op dit feitelijk geschilpunt beslist de rechtbank nu ruim 8 jaar na dato ten gunste van werknemer [X]. Zijn standpunt dat hij op dat moment een hamer gebruikte vindt niet alleen steun in zijn eigen getuigenverklaring en schriftelijke verklaringen met producties (waaronder situatieschetsen), maar vooral ook in de schriftelijke verklaring van kapitein [B] van 7 september 2000 (productie 2 van [X]), die kan worden aangemerkt als een scheepsverklaring in de zin van art. 353 WvK. Aan deze schriftelijke verklaring van de kapitein die destijds tussen de datum van het ongeval en de repatriëring in september 2000 onmiskenbaar schreef over een hamer kent de rechtbank veel meer waarde toe dan aan de latere schriftelijke verklaring van kapitein [B] uit mei 2007 waarin hij stelt achteraf te hebben gehoord dat [X] tegen de instructies in zonder veiligheidsbril met een slijptol aan het werk was. Deze tegenstrijdige en onwaarschijnlijke toedracht is slechts te herleiden tot de enkele schriftelijke verklaring van de eerste machinist [A] uit mei 2007, die echter geen enkele verifieerbare bijzonderheid vermeld over die elektrische slijptol, hoewel dat gezien de door een slijptol te veroorzaken beschadigingen aan de sorteermachine en ook gelet op de van de sorteermachine relatief ver verwijderde locatie van de afgesloten werkkast met elektrisch gereedschap zoals slijptollen en de daarbij voorgeschreven veiligheidsbrillen wel op de weg van gedaagden had gelegen. Ook moet op dit feitelijk geschilpunt in de gegeven omstandigheden voor risico en rekening van gedaagden blijven, dat zij als zeewerkgevers nu na al die jaren blijkbaar geen andersluidende aantekeningen over de exacte toedracht van het arbeidsongeval van [X] meer kunnen produceren uit het scheepsdagboek zoals bedoeld in de wetsartikelen 348 WvK en verder, die toenmalige aantekeningen zo nodig ondersteund met toenmalige foto's als bewijs voor de exacte toedracht van het door [X] gemelde arbeidsongeval. Tenslotte weegt de rechtbank mee dat ook de tussenpersoon [tussenpersoon] BV in de correspondentie buiten rechte namens gedaagden in november 2004 (productie 15 bij repliek) zonder meer nog schrijft over een hamer en volstrekt niets over een slijptol. Derhalve is in deze procedure niet komen vast te staan dat sprake was van door de werkgever specifiek te stellen en zo nodig te bewijzen bewuste roekeloosheid van werknemer [X].

4.17 Naar het oordeel van de rechtbank is in dit geval tenslotte wel degelijk sprake van schending van de juridische zorgplicht van kort gezegd de zeewerkgevers Rona BV en Kilda BV en dus aansprakelijkheid jegens [X] als bedoeld in of op de voet van art. 7:658 BW. Bij het zorgen voor een zo veilig mogelijke werkomgeving en zo veilig mogelijke werkomstandigheden kon van deze twee verzekerde zeewerkgevers immers ook in augustus 2000 redelijkerwijs gevergd worden dat zij aan niet of slecht verzekerde zeewerknemers zoals [X] standaard bij het verrichten van welke werkzaamheden dan ook aan boord het gebruik van een veiligheidsbril verplicht stelden en ook vooraf verschaften als persoonlijke werkuitrusting, en niet alleen - zoals in feite in augustus 2000 aan boord het geval was - bij het werken met specifiek elektrisch gereedschap als slijptollen en die twee specifieke veiligheidsbrillen daartoe opgeborgen met het elektrisch gereedschap in een afgesloten werkkast. Die relatief eenvoudige, goedkope en voor de hand liggende algemene veiligheidsmaatregel van een veiligheidsbril ter voorkoming van oogletsel bij het verrichten van al de dagelijks op te dragen werkzaamheden met of zonder welk gereedschap dan ook hebben Rona BV en Kilda BV echter niet getroffen. Daarbij speelt een rol dat men als werkgever rekening behoort te houden met de ervaringsfeiten dat een arbeidsongeval in een fabriek-achtige omgeving als dit zeeschip nu eenmaal "in een klein hoekje zit" en dat ook relatief ervaren werknemers als [X] bij het verrichten van vaker voorkomende of zelfs routine-werkzaamheden zoals de onderhavige bij gebrek aan voortdurend toezicht door collega's of superieuren in een dergelijke werkomgeving nu eenmaal niet voortdurend 100% geconcentreerd en risicoloos plegen te werken.

4.18 Op de voorgaande gronden is er in dit geval ingevolge de ook op arbeidsovereenkomsten met zeevarende werknemers materieel van toepassing zijnde normen van primair art. 7:658 BW sprake van hoofdelijke aansprakelijkheid van zeewerkgevers Rona BV en Kilda BV voor alle door het arbeidongeval veroorzaakte schade van werknemer [X]. De door de advocaat van [X] aangevoerde subsidiaire grondslagen (artt. 6:162 en 7:611 BW) behoeven na het voorgaande geen beoordeling meer.

Omvang toewijsbare schade van [X] door het arbeidsongeval ?

4.19 Bij dagvaarding(en) vorderde de advocaat van [X] nog een verklaring voor recht en schadevergoeding bij staat met een voorschot daarop. Op verzoek van gedaagden bij antwoord en op verzoek van de rechtbank is de schade vervolgens bij akte ter comparitie en bij repliek namens [X] alsnog zo concreet als mogelijk begroot met bewijsstukken. Bij repliek komt [X] daarbij uiteindelijk tot een totale schade- en kostenbegroting van USD 277.119,52 plus € 17.728,65 plus PM wegens kort gezegd immateriële schade, verlies arbeidsinkomsten, verlies arbeidsvermogen, vergoeding redelijke onkosten, kosten verzekeringspremie linkeroog en uitkering ongevallenverzekering, met nevenvorderingen. Bij dupliek heeft de advocaat van gedaagden daar gemotiveerd en gedetailleerd verweer tegen gevoerd. Voor de vele details verwijst de rechtbank ook op dit financiële geschilpunt nu kortheidshalve naar de inhoud van de wederzijdse gedingstukken met producties.

4.20 De rechtbank moet met gedaagden concluderen dat de aldus begrote vordering van [X] op vele deelposten niet of nauwelijks is voorzien van steekhoudende toelichtingen en/of verifieerbare bewijsstukken. Dat mag enerzijds niet in het voordeel van eiser [X] werken, al ziet de rechtbank met [X] anderzijds ook dat de houding van of namens gedaagden op de claims van hun ex-werknemer [X] de afgelopen 8 jaar na het arbeidsongeval zeer ontwijkend en weinig constructief is geweest. Mede daardoor is [X] in grote financiële moeilijkheden en in bewijsproblemen ten aanzien van de omvang van zijn schadeposten geraakt. In deze atypische zaak met als bijzonderheden ondermeer schade-aspecten te Litouwen en tijdelijke arbeidscontracten van een werknemer voor zeereizen in US Dollars, gevolgd door een ontslag op staande voet om onduidelijke redenen waarin [X] echter destijds blijkbaar wel heeft berust, is een begroting van de toewijsbare letselschade van de werknemer (vooral het aan de werkgever toe te rekenen verlies aan toekomstig verdienvermogen van de werknemer) een nog moeizamer hypothetische exercitie dan in andere letselschadezaken al het geval is. Wel staat als onvoldoende weersproken vast dat [X] door zijn ernstige oogletsel met een totaal blijvend gezichtsverlies van 35 % naar Litouwse maatstaven voor 40% tot 45% arbeidsongeschikt is, terwijl [X] voor zijn inkomsten afhankelijk is van de Litouwse arbeidsmarkt, ook voor in zijn geval relatief goedbetaalde werkzaamheden op zee via Litouwse agenten zoals UAB Geomoras voor soortgelijke buitenlandse zeewerkgevers zoals gedaagden.

4.21 Alles afwegende zal de rechtbank nu ruim 8 jaar na het arbeidsongeval in eerste aanleg de knoop doorhakken, en dus geen (ook gelet op het debat van partijen daarover) moeizame en kostbare deskundigenonderzoeken naar de schadebegroting opdragen. Indien partijen niet kunnen berusten in deze praktische beslissing van de rechtbank in eerste aanleg, staan voor hen daarna vanzelfsprekend de mogelijkheden van alsnog een minnelijke regeling en/of een hoger beroep open.

4.22 Gelet op alle relevante omstandigheden van dit bijzondere geval zoals die blijken uit de gedingstukken met producties tot dusver, zal de rechtbank alles afwegende de daarvoor verzekerde gedaagden Rona BV en Kilda BV hoofdelijk op de voet van de wetsartikelen 6:95, 6:96, 6:97, 6:98, 6:101 en 6:105 BW bij wijze van schatting veroordelen tot een totale schadevergoeding aan eiser [X] van USD 160.000,-. Deze geschatte hoofdsom zal door de rechtbank worden vermeerderd met de daarover gevorderde wettelijke rente, gezien het debat van partijen daarover en gezien de inhoud van productie 12 van [X] met ingang van 29 september 2005. Van dit bedrag zal [X] wel alle namens hem bij repliek genoemde onkosten moeten voldoen, waaronder de eventuele buitengerechtelijke kosten, reiskosten, vertalingkosten, tolkkosten en eventuele verzekeringspremies linkeroog. In dit bedrag van USD 160.000,- is ook begrepen de door [X] genoemde immateriële schade van € 15.000,-, die de rechtbank gelet op de gedingstukken in de omstandigheden van dit geval billijk voorkomt (art. 6:106 BW).

4.23 In dit toe te wijzen bedrag van in totaal USD 160.000,- plus wettelijke rente is bovendien begrepen de "uitkering ongevallenpolis pro memorie", waarop [X] doelde bij zijn exhibitie-incident en bij repliek, en die bij akte ter comparitie namens hem nog werd begroot op USD 50.000,-. Naar het oordeel van de rechtbank betreft het hier echter in de rechtsverhouding tussen eiser en gedaagden geen "ongevallenpolis", maar blijkens de tekst en strekking van artikel 10 met appendix van de onderhavige arbeidsovereenkomst onmiskenbaar een rechtstreekse aanspraak van employee [X] jegens zijn employer Rona BV op een beperkte pro rata sommenuitkering in geval van ondermeer invaliditeit na een arbeidsongeval, ongeacht de aansprakelijkheid van de zeewerkgever. Dat Rona BV en/of haar zustervennootschap Kilda BV blijkens de producties 15 van eiser én gedaagden op hun beurt terzake verzekerd waren, doet aan deze rechtstreekse aanspraak van [X] op Rona BV krachtens zijn arbeidsovereenkomst in beginsel niets af.

Deze aanspraak bedraagt in dit geval gezien het percentage totaal gezichtsverlies door het oogletsel en gezien de tekst en strekking van die contractsbepaling met appendix USD 35.000,-. De rechtbank acht dit bedrag echter op de voet van art. 6:100 BW begrepen in en verrekend met het voormelde bedrag van USD 160.000,-.

Slotsom en proceskosten

4.24 Al de voorgaande rechtsoverwegingen brengen de rechtbank hierna tot de navolgende beslissingen op de vorderingen van [X]. Anders dan namens gedaagden nog is betoogd, valt enig belang bij de gevorderde verklaring voor recht niet uit te sluiten, bijvoorbeeld indien het in hoger beroep alsnog zou moeten komen tot nadere deskundigenonderzoeken op kosten van de vooralsnog aansprakelijke partijen Rona BV en Kilda BV.

4.25 Rona BV en Kilda BV moeten als de in relevante mate in het ongelijk gestelde partijen worden veroordeeld in de hierna onder de beslissingen opgesomde relevante proceskosten van [X], die op basis van een voorwaardelijke civiele toevoeging procedeert. De extra kosten van dagvaarding van gedaagde sub 2 op diens kantooradres te Harderwijk en de kosten van het exhibitie-incident zal de rechtbank alles afwegende compenseren. Voor de specifieke kosten van het verwijzingsincident verwijst de rechtbank kortheidshalve naar rov. 4.6. Bij de begroting van het salaris advocaat volgens liquidatietarief gaat de rechtbank uit van de huidige USD-Euro koers van afgerond 1,29, dat betekent voor de toe te wijzen hoofdsom van USD 160.000,- een tegenwaarde van afgerond € 124.031,-.

5. De beslissingen

De rechtbank:

- verklaart voor recht dat Rona BV en Kilda BV als zeewerkgevers hoofdelijk aansprakelijk zijn voor alle schadeposten die ingevolge art. 6:98 BW redelijkerwijs kunnen worden toegerekend aan het aan hun zeewerknemer [X] overkomen arbeidsongeval op 28 augustus 2000;

- veroordeelt Rona BV en Kilda BV dientengevolge hoofdelijk om aan [X] te betalen een bedrag van in totaal USD 160.000,- zoals begroot in rovv. 4.21 t/m 4.23, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 29 september 2005;

- veroordeelt Rona BV en Kilda BV hoofdelijk tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [X], tot heden in totaal begroot op € 4.892,87, en veroordeelt Rona BV en Kilda BV derhalve in dit geval op de voet van art. 243 Rv te betalen als volgt:

a) aan de griffier van de sector civiel van deze rechtbank € 147,- voor door de sectoren kanton en civiel in debet gestelde griffierechten, plus € 84,87 voor kosten dagvaarding gedaagden nrs. 1 en 3, plus € 150,- voor salaris advocaat verwijzingsincident, plus € 4.263,- (3 x civiel liquidatietarief V) voor salaris advocaat hoofdzaak plus € 199,- voor nakosten advocaat inclusief betekening, dat is in totaal dus € 4.843,87 waarmee de griffier moet handelen overeenkomstig art. 243 Rv;

b) aan [X] zelf € 49,- voor door de sectoren kanton en civiel niet in debet gestelde griffierechten;

- verklaart dit vonnis tot zover zoveel als mogelijk uitvoerbaar bij voorraad;

- verklaart voor recht dat [X] door de kantonrechter te Leiden ten onrechte is veroordeeld tot het betalen van € 150,- gemachtigdensalaris plus eventuele BTW, en veroordeelt gedaagden hoofdelijk tot terugbetaling aan [X] van het dientengevolge eventueel door [X] aan hen ten onrechte betaalde bedrag;

- compenseert de proceskosten voor het overige aldus dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

- wijst het door [X] meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. Wien en uitgesproken ter openbare zitting in het bijzijn van de griffier op 10 december 2008.