Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BH3582

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-01-2008
Datum publicatie
20-02-2009
Zaaknummer
AWB 06/8583 WET
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bezwaren die tegen de subsidieverlening hadden kunnen worden ingebracht, kunnen niet meer tegen de subsidievaststelling worden ingebracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

derde afdeling, meervoudige kamer

Reg. nr. AWB 06/8583 WET

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak in het geding tussen

Stichting Mozaïek Wonen, gevestigd te Gouda, eiseres,

en

de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, thans de Minister voor Wonen, Wijken en Integratie, verweerder.

I Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 27 januari 2006 heeft verweerder de subsidie voor het project Verzorgingsplaatsen Rijngaarde vastgesteld op € 191.176,- en een bedrag aan teveel ontvangen subsidie van € 149.159,75 teruggevorderd.

Tegen dit besluit heeft eiseres een bezwaarschrift bij verweerder ingediend.

Bij besluit van 14 september 2006, heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiseres beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en tevens een verweerschrift ingediend.

De zaak is op 20 november 2007 ter zitting behandeld.

Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [A],

[B] en [C].

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [D].

II Motivering

Feiten

1.1. Verweerder heeft aan de rechtsvoorgangster van eiseres, Woningstichting Bodegraven, subsidie verleend ten bedrage van € 453.781,- voor het project Verzorgingsplaatsen Rijngaarde. Dit project hield een verbouwing in van het complex Rijngaarde om het complex aan te passen aan eisen voor efficiënte zorgverlening. In het besluit is bepaald dat geen subsidie wordt toegekend voor de multifunctionele ruimte omdat deze ruimte niet duidelijk is aangegeven op de tekeningen. Bij de subsidieverlening is vermeld dat de (definitieve) vaststelling van de subsidie zal geschieden onder de voorwaarde dat het project is voltooid, waarbij de in het aanvraagformulier vermelde doelstelling en de activiteiten van het project zijn gerealiseerd.

1.2. In de aanvraag voor definitieve vaststelling van de subsidie heeft eiseres meegedeeld dat het project anders is ingevuld dan voorheen gemeld, waardoor het aantal vierkante meters per voorziening afwijkt van de subsidieaanvraag en de beschikking tot subsidieverlening. Eiseres heeft voorts in afwijking van de subsidieaanvraag en de beschikking tot subsidieverlening, een aanvraag tot subsidievaststelling voor de gemeenschappelijke multifunctionele ruimte ingediend. Bij de vaststelling van de subsidie heeft verweerder de definitieve subsidie vastgesteld op

€ 191.176,- en een bedrag aan teveel ontvangen subsidie van € 149.159,75 teruggevorderd. Daarbij heeft verweerder overwogen dat de multifunctionele ruimte in de behandeling van de aanvraag tot subsidievaststelling niet is meegenomen, omdat op grond van de Awb de vaststelling conform de verlening dient plaats te vinden.

Standpunten van partijen

2.1 In beroep stelt eiseres dat verweerder in strijd met het vertrouwensbeginsel heeft gehandeld. Op 6 juni 2006 is eiseres telefonisch meegedeeld dat het bezwaar volledig gegrond was bevonden en dat als gevolg daarvan het volledige subsidiebedrag zou worden toegekend. Eiseres verwijst naar een e-mailbericht waaruit de toezegging zou blijken. Door bij het bestreden besluit terug te komen op de toezegging heeft verweerder volgens eiseres ook in strijd met het formele zorgvuldigheids- en het rechtszekerheidsbeginsel gehandeld. Tevens zou er sprake zijn van rechtsverwerking. Daarnaast stelt eiseres dat verweerder artikel 4:46, eerste lid, van de Awb onjuist heeft toegepast, althans geen belangenafweging heeft gemaakt.

2.2. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

Wettelijk kader

3.1. Ingevolge artikel 2 van de Tijdelijke woonzorgstimuleringsregeling kan de minister subsidie verlenen ten behoeve van projecten op het samenhangend terrein van wonen, zorg en dienstverlening voor:

a. noodzakelijke kosten van voorbereiding van een project;

b. noodzakelijke, rechtstreeks aan een project toe te rekenen kosten, voorzover die kosten hoger zijn dan normale kosten van investeringen in woningen of gebouwen en indien sprake is van investeringen in woningen of gebouwen;

c. noodzakelijke kosten van een project, dat geen investeringen in woningen of gebouwen betreft, met uitzondering van de kosten, bedoeld onder a, of

d. noodzakelijke kosten van kennisverzameling en kennisoverdracht inzake projecten.

3.2. Ingevolge artikel 4:44, eerste lid, van de Awb - voor zover hier van belang - dient, indien een beschikking tot subsidieverlening is gegeven, de subsidie-ontvanger na afloop van de activiteiten of het tijdvak waarvoor de subsidie is verleend een aanvraag tot vaststelling van de subsidie in.

3.3. Ingevolge artikel 4:46, eerste lid, van de Awb stelt het bestuursorgaan, indien een beschikking tot subsidieverlening is gegeven, de subsidie overeenkomstig de subsidieverlening vast. Ingevolge het tweede lid kan de subsidie lager worden vastgesteld indien:

a. de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet geheel hebben plaatsgevonden;

b. de subsidie-ontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen;

c. de subsidie-ontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beschikking op de aanvraag tot subsidieverlening zou hebben geleid, of

d. de subsidieverlening anderszins onjuist was en de subsidie-ontvanger dit wist of behoorde te weten.

Beoordeling

4.1. De in het tweede lid van artikel 4:46 van de Awb neergelegde bevoegdheid betreft een discretionaire bevoegdheid, waarbij alle in aanmerking komende belangen in de overweging betrokken kunnen worden.

4.2. De rechtbank stelt vast dat in de beschikking tot subsidieverlening is vermeld dat geen subsidie wordt verleend voor de multifunctionele ruimte omdat deze niet duidelijk is aangegeven op de tekeningen.

Uit het wettelijk stelsel volgt dat bezwaren die tegen de subsidieverlening hadden kunnen worden ingebracht, niet meer tegen de subsidievaststelling kunnen worden ingebracht. Eiseres had dan ook, voor zover zij bezwaren heeft tegen de weigering subsidie te verlenen voor de multifunctionele ruimte, die bezwaren in een bezwaarprocedure tegen de verlening van de subsidie naar voren moeten brengen. De brief van 7 april 2004, waarin door eiseres wordt verzocht om uitstel voor het indienen van het aanvraagformulier voor de definitieve vaststelling van de subsidie, kan niet worden aangemerkt als een voorstel van een projectwijziging, waarbij verzocht wordt de multifunctionele ruimte in de subsidieverlening te betrekken, aangezien in deze brief slechts in algemene termen gesproken wordt over een discussie over de te voeren zorgfilosofie en een daaruit voortvloeiende wijziging in het programma van eisen. Evenmin kan het antwoord van verweerder van 23 april 2004, waarin de realisatie van het project naar een latere datum verplaatst wordt, worden aangemerkt als het accepteren van een zodanige projectwijziging.

4.3. Eiseres heeft in de aanvraag tot definitieve vaststelling een totaalbedrag aan subsidiabele kosten van € 1.146.096,- opgevoerd. De kosten voor de multifunctionele ruimte, waarvoor verweerder uitdrukkelijk geen subsidie heeft verleend, bedragen volgens de opgave van eiseres € 954.920,-. Verweerder heeft de hoogte van het subsidiebedrag vastgesteld op

€ 191.176,-. Dit betekent dat verweerder, de kosten voor de multifunctionele ruimte niet in aanmerking nemende, de hoogte van de subsidie heeft vastgesteld op het volledig aangevraagde bedrag van alle overige kosten.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder, nu een geringer bedrag aan subsidie is vastgesteld dan is verleend, de subsidie op grond van het tweede lid van artikel 4:46 van de Awb lager heeft vastgesteld.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder in dit geval in redelijkheid heeft kunnen besluiten om vast te houden aan het beginsel dat voor activiteiten waarvoor geen subsidie is toegekend, ook geen subsidie wordt vastgesteld.

4.4. Ten aanzien van het beroep van eiseres op het vertrouwensbeginsel overweegt de rechtbank als volgt. Volgens vaste jurisprudentie kan een beroep op het vertrouwensbeginsel slechts slagen, indien door een tot beslissen bevoegd orgaan ten aanzien van een aanvrager uitdrukkelijk, ondubbelzinnig en ongeclausuleerd toezeggingen zijn gedaan die bij die aanvrager gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt.

4.5. Uit het e-mailbericht van 18 juli 2006 van mevrouw [E], juridisch medewerkster van verweerder, aan de heer [F] blijkt dat de beslissing wordt voorgelegd aan de senior-jurist van Juridische Zaken. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit dit e-mailbericht niet van een uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezegging van verweerder het bezwaar gegrond te verklaren.

Eiseres en verweerder verschillen van mening over het karakter en de inhoud van het telefoongesprek van 6 juni 2006. Eiseres heeft gesteld dat mevrouw [E] telefonisch heeft toegezegd dat het bezwaar van eiseres gegrond zou worden verklaard, dat het volledige subsidiebedrag van € 453.781,- zou worden vastgesteld en dat de multifunctionele ruimte in het subsidiebedrag zou worden meegenomen. Verweerder ontkent dat namens hem een toezegging is gedaan.

Al zou de gestelde toezegging door mevrouw [E] zijn gedaan, dan nog kan eiseres naar het oordeel van de rechtbank aan de toezegging geen gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen. De toezegging is immers niet gedaan door een tot beslissen bevoegd ambtenaar.

De rechtbank overweegt tevens dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij op grond van de gestelde gewekte verwachtingen handelingen heeft verricht die zij anders niet, of op een andere wijze zou hebben gedaan. Gelet op het voorgaande slaagt het beroep op het vertrouwensbeginsel niet. Op dezelfde gronden faalt ook het beroep op het rechtszekerheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het beroep op rechtsverwerking.

4.6. Eiseres heeft geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht die kunnen leiden tot een ander oordeel.

4.7. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III Beslissing

De Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

Verklaart het beroep ongegrond.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Aldus gegeven door mr. C.H.M. Royakkers, mr. C.C. de Rijke-Maas en mr. W.E. Doolaard en in het openbaar uitgesproken op 3 januari 2008, in tegenwoordigheid van de griffier K. de Haan.