Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BH3528

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-12-2008
Datum publicatie
20-02-2009
Zaaknummer
AWB 08/42995
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 8 EVRM / schending privacy

Uit het M119-formulier blijkt dat verweerder heeft gebeld met een zekere Alfredo, wiens nummer bij eiseres op een papiertje werd aangetroffen. Niet is gebleken dat aan eiseres toestemming is gevraagd om dit nummer te bellen. Vast staat voorts dat de vreemdelingenpolitie ten tijde van het bellen al beschikte over het originele paspoort van eiseres. Verweerder heeft desgevraagd ter zitting geen reden kunnen geven waarom deze Alfredo is gebeld, waaruit de rechtbank afleidt dat het in het kader van de uitzetting van eiseres niet noodzakelijk was om het nummer te bellen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder een niet gerechtvaardigde inbreuk heeft gemaakt op de privacy van eiseres.

Deze inbreuk acht de rechtbank evenwel niet van dien aard dat deze de bewaring onrechtmatig maakt. Uit het dossier volgt immers dat Alfredo heeft verteld dat hij eiseres slechts uit coffeeshop Kashmir kent. Verweerder heeft ter zitting verklaard niets met de voornoemde informatie te hebben gedaan. Voorts zoekt de rechtbank aansluiting bij door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) ontwikkelde jurisprudentie inzake het in strijd met artikel 8 van het EVRM uitlezen van een mobiele telefoon van een in bewaring gezette vreemdeling (o.m. 13 mei 2008, 200801535/1 en 21 juli 2008, 200803750/1). Uit het dossier en verhandelde ter zitting volgt dat het zicht op uitzetting niet is gebaseerd op dan wel afhankelijk is van de informatie verkregen door het bellen naar Alfredo.

Voortvarendheid

Eiseres is op 22 november 2008 in strafrechtelijke detentie geplaatst. Op 25 november 2008 is het originele paspoort van eiseres bij de vreemdelingenpolitie gebracht. Op 26 november 2008 is aan eiseres medegedeeld dat zij aansluitend aan de strafrechtelijke detentie in het kader van het vreemdelingenrecht zou worden opgehouden. Op 5 december 2008 heeft de Officier van Justitie de invrijheidstelling van eiseres met ingang van 6 december 2008 gelast. Eiseres is op 6 december in vreemdelingenbewaring gesteld. Op 10 december 2008 is eiseres overgeplaatst naar een uitzetcentrum. Op 15 december 2008 is het dossier van eiseres op het uitzetcentrum gearriveerd. Diezelfde dag is een vlucht aangevraagd.

Verweerder heeft ter onderbouwing van het standpunt dat voldoende voortvarend is gehandeld, verwezen naar een uitspraak van de AbRS van 31 januari 2008 (LJN: BC3854). In die zaak werd de vreemdeling op de vijfde dag na de inbewaringstelling overgeplaatst naar een uitzetcentrum, werd op de zesde dag een vlucht voor Londen aangevraagd en vond op de twaalfde dag de uitzetting plaats. De AbRS oordeelde hierover dat niet is gebleken dat verweerder op onderdelen van de uitzettingsprocedure niet sneller had kunnen handelen, maar dat de procedure als geheel niet getuigt van onvoldoende voortvarendheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

enkelvoudige kamer vreemdelingenzaken

Uitspraak

op grond van artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 94 en artikel 106 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg.-nr: AWB 08/42995

V-nr:

inzake: eiseres, geboren in 1979, van Marokkaanse nationaliteit, verblijvende in detentie, eiseres,

gemachtigde: mr. D.G. Metselaar, advocaat te Amsterdam,

tegen: de staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. J.P. Lamfers, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Op 6 december 2008 is eiseres op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in bewaring gesteld.

Bij beroepschrift van 8 december 2008 heeft eiseres beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel. Ingevolge artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 strekt het beroep tevens tot een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Het beroep is behandeld ter openbare zitting van 17 december 2008. Eiseres is daar verschenen, bijgestaan door mr. M.I. Vennik, kantoorgenoot van haar gemachtigde. Verweerder werd vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig E.H. Rauwerda, tolk in de Spaanse taal. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

II. OVERWEGINGEN

Eiser heeft het volgende – zakelijk weergegeven – aangevoerd. Artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is geschonden, nu verweerder heeft gebeld naar een telefoonnummer dat bij de fouillering van eiseres werd aangetroffen. Er bestond geen aanleiding om dit nummer te bellen omdat verweerder reeds de beschikking had over het originele paspoort van eiseres.

Voorts heeft verweerder onzorgvuldig gehandeld door geen nader onderzoek te doen naar de verblijfsstatus van eiseres in Spanje. Verweerder is hieraan voorbijgegaan door meteen een uitzettingstraject voor Marokko in gang te zetten.

Ook handelt verweerder onvoldoende voortvarend door eerst op 15 december 2008 een vlucht voor eiseres aan te vragen. Eiseres zit al vanaf 6 december 2008 in vreemdelingenbewaring en daarvoor heeft zij in strafdetentie gezeten. Verweerder heeft in die tijd niets gedaan met de beschikbare gegevens van eiseres.

Ten slotte had verweerder kunnen volstaan met een meldplicht. Daartoe is van belang dat de kinderen van eiseres zijn ondergebracht bij Bureau Jeugdzorg in Haarlem. De vader van de kinderen is niet meer in beeld. Verweerder heeft nagelaten hierover een belangenafweging te maken bij het opleggen van de maatregel.

Verweerder heeft het volgende – zakelijk weergegeven – aangevoerd. Er is geen sprake geweest van schending van artikel 8 van het EVRM. Er is slechts met één persoon gebeld die eiseres niet bleek te kennen. Verder is niets met de gegevens gedaan. Dit maakt de oplegging van de maatregel dan ook niet onrechtmatig.

Voorts is het aan verweerder om te bepalen voor welk land een uitzettingstraject zal worden opgestart. De Spaanse verblijfsvergunning van eiseres was verlopen, daarentegen was er wel een geldig Marokkaans paspoort voorhanden. Een uitzettingstraject naar Marokko lag daarom het meest voor de hand.

Verweerder handelt voldoende voortvarend. Eiseres is op 10 december 2008 naar een uitzetcentrum overgeplaatst. Op 15 december 2008 is het dossier van eiseres daar binnengekomen. Toen is meteen op diezelfde dag een vlucht voor haar aangevraagd.

Voor verweerder was er geen aanleiding om te volstaan met een lichter middel, gelet op de gronden van de maatregel welke niet zijn betwist. Bovendien heeft eiseres eerder in bewaring gezeten en is ze destijds niet uit Nederland vertrokken. De omstandigheid dat de kinderen van eiseres in Nederland verblijven, geeft des te meer reden om het risico op onttrekking aan het toezicht aannemelijk te achten.

De rechtbank overweegt het volgende.

Uit het M119-formulier blijkt dat verweerder heeft gebeld met een man wiens nummer bij eiseres op een papiertje werd aangetroffen. Niet is gebleken dat aan eiseres toestemming is gevraagd om dit nummer te bellen. Vast staat voorts dat de vreemdelingenpolitie ten tijde van het bellen al beschikte over het originele paspoort van eiseres. Verweerder heeft desgevraagd ter zitting geen reden kunnen geven waarom deze Alfredo is gebeld, waaruit de rechtbank afleidt dat het in het kader van de uitzetting van eiseres niet noodzakelijk was om het nummer te bellen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder een niet gerechtvaardigde inbreuk heeft gemaakt op de privacy van eiseres.

Deze inbreuk acht de rechtbank evenwel niet van dien aard dat deze de bewaring onrechtmatig maakt. Uit het dossier volgt immers dat die man heeft verteld dat hij eiseres slechts uit coffeeshop Kashmir kent. Verweerder heeft ter zitting verklaard niets met de voornoemde informatie te hebben gedaan. Voorts zoekt de rechtbank aansluiting bij door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) ontwikkelde jurisprudentie inzake het in strijd met artikel 8 van het EVRM uitlezen van een mobiele telefoon van een in bewaring gezette vreemdeling (o.m. 13 mei 2008, 200801535/1 en 21 juli 2008, 200803750/1). Uit het dossier en verhandelde ter zitting volgt dat het zicht op uitzetting niet is gebaseerd op dan wel afhankelijk is van de informatie verkregen door het bellen naar Alfredo.

Ten aanzien van de door eiseres gestelde onzorgvuldigheid van verweerder, oordeelt de rechtbank als volgt. Volgens paragraaf A4/6.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000, voor zover thans van belang, is de Dienst Terugkeer en Vertrek, behoudens enkele uitzonderingen, verantwoordelijk voor het nemen van maatregelen voor de uitzetting. Tussen partijen is voorts niet in geding dat de Spaanse verblijfsvergunning van eiseres is verlopen en dat er een geldig Marokkaanse paspoort van eiseres voorhanden is. Gelet hierop heeft verweerder niet onzorgvuldig gehandeld door voor een uitzettingstraject naar Marokko te kiezen.

Verweerder heeft in geval van eiseres niet voor een lichter middel dan inbewaringstelling hoeven kiezen. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat de kans op onttrekking aan het toezicht van verweerder in het geval van eiseres aannemelijk kan worden geacht, gelet op de onbetwiste gronden van bewaring, de eerdere bewaring van eiseres als ook het nalaten om aan de vertrekplicht te voldoen.

Ligt voorts de vraag voor of verweerder voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiseres. Ingevolge vaste jurisprudentie van de AbRS dient de rechtbank bij deze beoordeling alle relevante feiten en omstandigheden te betrekken. In de onderhavige zaak zijn dit de volgende.

Eiseres is op 22 november 2008 in strafrechtelijke detentie geplaatst. Op 25 november 2008 is het originele paspoort van eiseres bij de vreemdelingenpolitie gebracht. Op 26 november 2008 is aan eiseres medegedeeld dat zij aansluitend aan de strafrechtelijke detentie in het kader van het vreemdelingenrecht zou worden opgehouden. Op 5 december 2008 heeft de Officier van Justitie de invrijheidstelling van eiseres met ingang van 6 december 2008 gelast. Eiseres is op 6 december in vreemdelingenbewaring gesteld. Op 10 december 2008 is eiseres overgeplaatst naar een uitzetcentrum. Op 15 december 2008 is het dossier van eiseres op het uitzetcentrum gearriveerd. Diezelfde dag is een vlucht aangevraagd.

Verweerder heeft ter onderbouwing van het standpunt dat voldoende voortvarend is gehandeld, verwezen naar een uitspraak van de AbRS van 31 januari 2008 (LJN: BC3854). In die zaak werd de vreemdeling op de vijfde dag na de inbewaringstelling overgeplaatst naar een uitzetcentrum, werd op de zesde dag een vlucht voor Londen aangevraagd en vond op de twaalfde dag de uitzetting plaats. De AbRS oordeelde hierover dat niet is gebleken dat verweerder op onderdelen van de uitzettingsprocedure niet sneller had kunnen handelen, maar dat de procedure als geheel niet getuigt van onvoldoende voortvarendheid.

De rechtbank is van oordeel dat de door verweerder aangehaalde zaak zich moeilijk laat vergelijken met de onderhavige zaak. Anders dan in de door verweerder aangehaalde zaak – waar de vreemdeling beschikte over een vluchtelingenpaspoort – is eiseres in het bezit van een geldig nationaal Marokkaans paspoort. Voorts is tevens van belang dat eiseres voorafgaand aan de vreemdelingenbewaring in strafdetentie heeft gezeten, verweerder voornemens was eiseres aansluitend in vreemdelingenbewaring te stellen en verweerder op dat moment ook al de beschikking had over het paspoort van eiseres.

Uit het dossier volgt dat eiseres slechts kort in strafrechtelijke detentie heeft gezeten en dat deze detentie is geëindigd als gevolg van het door de strafrechter opheffen van de voorlopige hechtenis. De rechtbank heeft er begrip voor dat verweerder in een dergelijke situatie administratieve en logistieke voorbereidingen moet treffen om eiseres uit te kunnen zetten en dat daarmee enige tijd gemoeid zal zijn. De rechtbank vermag evenwel niet inzien waarom pas op de negende dag na het opleggen van de vreemdelingenbewaring een vlucht is aangevraagd. Het paspoort van eiseres was immers al in het bezit van verweerder. Verweerder heeft ter zitting geen andere verklaring kunnen geven dan dat het dossier van eiseres eerst op de negende dag in het uitzetcentrum was gearriveerd. De rechtbank is evenwel van oordeel dat de door verweerder gemaakte keuze om eerst na de overdracht van het dossier een vlucht aan te vragen geen rechtvaardiging kan zijn voor het laten voortduren van de bewaring. Verweerder had al op een eerder tijdstip, in casu de overdracht van eiseres naar het uitzetcentrum, tot het aanvragen van een vlucht kunnen en dienen over te gaan.

Hieruit volgt dat de voortduring van de vrijheidsontnemende maatregel vanaf 11 december 2008 in strijd is met de wet. Derhalve wordt het beroep gegrond verklaard en wordt de opheffing van de bewaring bevolen, ingaande 19 december 2008.

De rechtbank ziet in het vorenstaande aanleiding eiser ten laste van de Staat der Nederlanden een vergoeding als bedoeld in artikel 106 van de Vw 2000 toe te kennen en wel tot een bedrag van € 80,-- per dag dat eiser in het Huis van Bewaring ten onrechte aan de vrijheidsontnemende maatregel onderworpen is geweest, derhalve in totaal € 640,-- (8 maal € 80,--).

Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,-- als kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 322,--, wegingsfactor 1).

III. BESLISSING

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- beveelt dat de bewaring ingaande 19 december 2008 wordt opgeheven;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot vergoeding van de schade, groot € 640,-- (zegge: zeshonderd en veertig euro), te betalen aan eiser;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag groot € 644,-- (zegge: zeshonderd en vierenveertig euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier van deze rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan op 19 december 2008 door mr. R.H.G. Odink, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. A.G. Sijbrands, griffier, en bekendgemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

Afschrift verzonden op:

Conc.: AS

Coll: MP

D: B

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt één week. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.