Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BH3410

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
09-12-2008
Datum publicatie
20-02-2009
Zaaknummer
AWB 08/41829
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank volgt het standpunt van eiser dat uit de ‘mededeling toepassing artikel 50, derde lid Vreemdelingenwet’ van 12 augustus 2008 (stuk 2) niet blijkt dat deze aan eiser is uitgereikt. De hiervoor bestemde ruimte op het formulier is immers niet ingevuld en niet ondertekend door de vreemdeling. Het feit dat in het proces-verbaal van overbrenging en ophouding van 26 november 2008 vermeld staat dat aan eiser tijdens zijn strafrechtelijke detentie middels de ‘mededeling toepassing artikel 50, derde lid Vreemdelingenwet’ mededeling is gedaan van zijn overbrenging doet daar niet aan af, maar ondersteunt dit juist. Dit proces-verbaal verwijst immers naar hetzelfde stuk 2 waarin niets staat vermeld over uitreiking aan eiser. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat de ‘mededeling toepassing artikel 50, derde lid Vreemdelingenwet’ niet aan eiser is uitgereikt.

De vraag is vervolgens of deze onzorgvuldigheid zodanig van aard is dat de oplegging van de maatregel van bewaring daardoor onrechtmatig is. Van belang is daarbij of eiser in zijn belangen is geschaad. Eiser heeft aangevoerd dat als hem wel mededeling zou zijn gedaan, hij actie had kunnen ondernemen om een origineel paspoort te verkrijgen om zijn identiteit en – de rechtbank begrijpt: Litouwse - nationaliteit aan te tonen. De omstandigheid dat verweerder evenmin - voor eiser kenbare - uitzettingshandelingen tijdens zijn strafrechtelijke detentie heeft verricht vergroot en verergert tevens de mate van schending van eisers belangen in deze. Dat eiser is veroordeeld wegens een misdrijf en een procedure tot ongewenstverklaring gaande is weegt niet op tegen deze schending van eisers belangen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

enkelvoudige kamer vreemdelingenzaken

Uitspraak

op grond van artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 94 en artikel 106 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 08/41829

V-nr.: *

inzake : *, geboren in 1969, van (gestelde) Litouwse nationaliteit, verblijvende in detentie, eiser,

gemachtigde: mr. S. de Schutter, advocaat te Amsterdam,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. M.D. Gunster, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Op 26 november 2008 is eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in bewaring gesteld.

Bij beroepschrift van 26 november 2008 heeft eiser beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel.

Ingevolge artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 strekt het beroep tevens tot een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Het beroep is behandeld ter openbare zitting van 5 december 2008. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig A.N. Schellenbach als tolk in de Litouwse taal. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

II. OVERWEGINGEN

Eiser heeft het volgende - zakelijk weergegeven - aangevoerd. Dat er zich een ‘mededeling toepassing artikel 50, derde lid Vreemdelingenwet’ in het dossier bevindt, impliceert dat de nationaliteit van eiser kennelijk vaststond. In het proces-verbaal van overbrenging en ophouding van 26 november 2008 staat dat eiser tijdens zijn strafrechtelijke detentie van de overbrenging mededeling is gedaan. Uit de ‘mededeling toepassing artikel 50, derde lid Vreemdelingenwet’ van 12 augustus 2008 blijkt niet dat dit formulier aan eiser is uitgereikt. Eiser kan zich dit ook niet herinneren. Verweerder heeft onzorgvuldig gehandeld. Het is beleid van verweerder dat zoveel mogelijk voorkomen dient te worden dat vreemdelingen na hun strafrechtelijke detentie in bewaring gesteld moeten worden. Verweerder heeft deze inspanningsverplichting geschonden. Volgens de ‘mededeling toepassing artikel 50, derde lid Vreemdelingenwet’, ging verweerder op 12 augustus 2008 er al van uit dat eiser niet rechtmatig in Nederland verblijft. Toch zijn er door verweerder vanaf die datum geen uitzettingshandelingen verricht. Eiser is in zijn belangen geschaad. Eiser is een EU-onderdaan, heeft een Nederlandse vriendin waar hij kan verblijven en had na de mededeling actie kunnen ondernemen een origineel paspoort in zijn bezit te krijgen.

In de brief van verweerder omtrent de door hem verrichte uitzettingshandelingen staat dat de nationaliteit van eiser nimmer is vastgesteld terwijl verweerder op 26 november 2008 reeds het kopie paspoort van eiser heeft ontvangen en er zich een ‘mededeling toepassing artikel 50, derde lid Vreemdelingenwet’ in het dossier bevindt.

Verweerder heeft het volgende - zakelijk weergegeven - aangevoerd. Nu eiser niet in het bezit is van zijn originele paspoort of andere originele documenten ter staving van zijn identiteit en nationaliteit, is niet aangetoond dat hij afkomstig is uit Litouwen. Dat aan eiser tijdens zijn strafrechtelijke detentie middels de ‘mededeling toepassing artikel 50, derde lid Vreemdelingenwet’ van zijn overbrenging mededeling is gedaan, wordt bevestigd in het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van overbrenging en ophouding van 26 november 2008. Dat verweerder tijdens het voortraject geen op de uitzetting voorbereidende handelingen heeft verricht, leidt niet tot onrechtmatigheid van de bewaring. De belangenafweging dient in het voordeel van verweerder uit te vallen, omdat eiser is veroordeeld wegens een misdrijf en er momenteel een procedure tot ongewenstverklaring ten aanzien van hem loopt. Verweerder handelt voldoende voortvarend, er heeft op 4 december 2008 een vertrekgesprek plaatsgevonden en diezelfde dag is er een laissez passer (lp)-aanvraag voor Litouwen naar de lp-kamer verzonden. Er is sprake van zicht op uitzetting.

De rechtbank overweegt het volgende.

De rechtbank volgt het standpunt van verweerder dat eiser heeft nagelaten middels een origineel document zijn nationaliteit en identiteit aan te tonen, zodat niet kan worden vastgesteld dat hij als EU-onderdaan rechtmatig verblijf heeft.

Eiser heeft aangevoerd dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld door hem geen ‘mededeling toepassing artikel 50, derde lid Vreemdelingenwet’ te doen.

In paragraaf A6/5.3.7.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 is - voor zover relevant - het volgende opgenomen. Aan de vreemdeling wordt tijdens de strafrechtelijke detentie mededeling gedaan van het feit dat hij bij beëindiging van zijn strafrechtelijke detentie op grond van artikel 50, derde lid, Vw 2000 naar een plaats bestemd voor verhoor wordt overgebracht. Deze mededeling wordt, met gebruikmaking van Model M122, op schrift gesteld en aan de vreemdeling uitgereikt.

De rechtbank volgt het standpunt van eiser dat uit de ‘mededeling toepassing artikel 50, derde lid Vreemdelingenwet’ van 12 augustus 2008 (stuk 2) niet blijkt dat deze aan eiser is uitgereikt. De hiervoor bestemde ruimte op het formulier is immers niet ingevuld en niet ondertekend door de vreemdeling. Het feit dat in het proces-verbaal van overbrenging en ophouding van 26 november 2008 vermeld staat dat aan eiser tijdens zijn strafrechtelijke detentie middels de ‘mededeling toepassing artikel 50, derde lid Vreemdelingenwet’ mededeling is gedaan van zijn overbrenging doet daar niet aan af, maar ondersteunt dit juist. Dit proces-verbaal verwijst immers naar hetzelfde stuk 2 waarin niets staat vermeld over uitreiking aan eiser. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat de ‘mededeling toepassing artikel 50, derde lid Vreemdelingenwet’ niet aan eiser is uitgereikt.

De vraag is vervolgens of deze onzorgvuldigheid zodanig van aard is dat de oplegging van de maatregel van bewaring daardoor onrechtmatig is. Van belang is daarbij of eiser in zijn belangen is geschaad. Eiser heeft aangevoerd dat als hem wel mededeling zou zijn gedaan, hij actie had kunnen ondernemen om een origineel paspoort te verkrijgen om zijn identiteit en – de rechtbank begrijpt: Litouwse - nationaliteit aan te tonen. De omstandigheid dat verweerder evenmin - voor eiser kenbare - uitzettingshandelingen tijdens zijn strafrechtelijke detentie heeft verricht vergroot en verergert tevens de mate van schending van eisers belangen in deze. Dat eiser is veroordeeld wegens een misdrijf en een procedure tot ongewenstverklaring gaande is, weegt niet op tegen deze schending van eisers belangen.

Hieruit volgt dat de toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is te achten vanaf de datum van inbewaringstelling. Derhalve wordt het beroep gegrond verklaard en wordt de opheffing van de bewaring bevolen, ingaande 9 december 2008.

De rechtbank ziet in het vorenstaande aanleiding eiser ten laste van de Staat der Nederlanden een vergoeding als bedoeld in artikel 106 van de Vw 2000 toe te kennen en wel tot een bedrag van € 105,-- per dag dat eiser op een politiebureau ten onrechte aan de vrijheidsontnemende maatregel onderworpen is geweest en € 80,-- per dag dat eiser in het Huis van Bewaring ten onrechte aan de vrijheidsontnemende maatregel onderworpen is geweest, derhalve in totaal € 1.180,-- (2 dagen à € 150,-- en 11 dagen à € 80,--).

Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,-- als kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 322,--, wegingsfactor 1).

III. BESLISSING

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- beveelt dat de bewaring ingaande 9 december 2008 wordt opgeheven;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot vergoeding van de schade, groot € 1.180,-- (zegge: elfhonderdtachtig euro), te betalen aan eiser;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag groot € 644,-- (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier van deze rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan op 9 december 2008 door mr. G.S. Crince le Roy, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M. Peperkamp, griffier, en bekendgemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

Afschrift verzonden op:

Conc.: MP

Coll:

D: B

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt één week. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.