Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BH1763

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
29-04-2008
Datum publicatie
03-02-2009
Zaaknummer
AWB 07/3808 BESLU en AWB 07/3874 BESLU
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Niet in geschil is het door verweerder ingenomen standpunt dat de Brasserskade en de Middelweg autoluw dienen te worden gemaakt ten behoeve van de veiligheid, het beschermen van weggebruikers en passagiers, het in stand houden van de weg, het voorkomen van schade aan het dijklichaam en het voorkomen van de aantasting van het karakter van de Middelweg. Wel verschillen partijen van mening over de vraag of er al dan niet een minder ingrijpende maatregel kon worden genomen om het gewenste effect te bereiken. De rechtbank verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit van 11 april 2007; bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. De rechtbank stelt de door verweerder aan iedere eiser te betalen schadevergoeding naar redelijkheid en billijkheid vast op € 1.000.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

derde afdeling, enkelvoudige kamer

Reg. nr. AWB 07/3808 BESLU en AWB 07/3874 BESLU

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak in het geding tussen

1. [eiser sub 1], wonende te [plaats], en

2. [eiser sub 2], wonende te [plaats],

eisers,

en

het college van burgemeester en wethouders van Delft, verweerder.

I. Ontstaan en loop van het geding

Bij (gewijzigd) besluit van 17 januari 2005 heeft verweerder het gedeelte van de Brasserskade (gelegen in de gemeente Delft) afgesloten voor al het verkeer in de richting Delft.

Bij besluit van 28 juni 2005 heeft verweerder het door eisers daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard voor zover het de motivering betreft en de bezwaren voor het overige ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van deze rechtbank van 21 juli 2006 (AWB 05/5652 en 05/5664 BESLU), verzonden op 31 juli 2006, zijn de door eisers ingestelde beroepen gegrond verklaard en is het besluit van 28 juni 2005 vernietigd met de opdracht aan verweerder om binnen zes weken na verzending van die uitspraak een nieuw besluit op de bezwaren te nemen.

Bij besluit van 11 april 2007 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eisers, met een gewijzigde motivering, opnieuw ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser onder 1 bij brief van 21 mei 2007, ingekomen bij de rechtbank op 22 mei 2007 (07/3808), en eiser onder 2 bij brief van 14 mei 2007, ingekomen bij de rechtbank op 21 mei 2007 (07/3874), beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en in iedere zaak een verweerschrift ingediend.

De beroepen zijn op 24 april 2008 gevoegd ter zitting behandeld. Eisers zijn in persoon verschenen. Eiser onder 1 werd bijgestaan door [A]. Eiser onder 2 heeft als deskundige meegebracht M. Walvius.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door ir. E.M. van der Horst, bijgestaan door mr. J.A.M.A. Sluysmans, advocaat te Den Haag.

II. Motivering

1. De Brasserskade is een oude dijkweg met bomen aan weerszijden. Van oudsher is de Brasserskade een verbindingsroute tussen Delft-Noord en Nootdorp. Sinds de ingebruikname van de nieuwbouwwijk Ypenburg vormt de Brasserskade voor de inwoners van de Ypenburgse wijk De Bras de kortste route van en naar de snelweg A13. In de visie van verweerder dient de nieuwe Rijswijkse Waterweg de functie van de Brasserskade als hoofdroute tussen Delft-Noord/de A13 en Nootdorp over te nemen. Tevens dient deze Rijswijkse Waterweg de functie van ontsluiting richting A13 van de Ypenburgse wijk De Bras op zich te nemen (via de Brasserhoutweg of via de route Middelweg/Brasserskade/Rijswijkse Waterweg). Eiser onder 1 heeft zowel een bedrijf als een woning aan de Middelweg en ondervindt overlast van de afsluiting doordat hijzelf en zijn leveranciers (komend vanuit Delft) een omweg van 1,2 kilometer moeten maken om bij de woning dan wel het bedrijf te komen. Eiser onder 2 heeft een vergader- en partycentrum aan de Middelweg dat om dezelfde reden moeilijker bereikbaar is geworden zowel voor hemzelf als voor klanten die vanuit Delft dan wel vanaf de A13 naar zijn bedrijf willen komen.

2. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW) kunnen de krachtens deze wet vastgestelde regels onder meer strekken tot

a) het verzekeren van de veiligheid op de weg; b) het beschermen van weggebruikers en passagiers; c) het in stand houden van de weg en het waarborgen van de bruikbaarheid daarvan; d) het zoveel mogelijk waarborgen van de vrijheid van verkeer.

Ingevolge artikel 2, tweede lid, van de WVW kunnen de krachtens deze wet vastgestelde regels voorts strekken tot a) het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte overlast, hinder of schade alsmede de gevolgen voor het milieu, bedoeld in de Wet milieubeheer en b) het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte aantasting van het karakter of van de functie van objecten of gebieden.

2.1 Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de WVW geschiedt plaatsing of verwijdering van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen verkeerstekens en onderborden, voor zover daardoor een gebod of verbod ontstaat of wordt gewijzigd, krachtens een verkeersbesluit. Ingevolge het tweede lid van dit artikel geschieden maatregelen op of aan de weg tot wijziging van de inrichting van de weg of tot het aanbrengen of verwijderen van voorzieningen ter regeling van het verkeer krachtens een verkeersbesluit, indien de maatregelen leiden tot een beperking of uitbreiding van het aantal categorieën weggebruikers dat van een weg of weggedeelte gebruik kan maken.

2.2 Ingevolge artikel 18, derde lid, van de WVW worden bij algemene maatregel van bestuur regels vastgesteld omtrent de eisen waaraan verkeersbesluiten dienen te voldoen alsmede omtrent de totstandkoming en de inwerkingtreding van die besluiten.

2.3 Op grond van artikel 21 van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (BABW) dienen verkeersbesluiten met redenen te zijn omkleed, waarbij in ieder geval wordt aangegeven welke doelstelling of doelstellingen met het verkeersbesluit worden beoogd. Daarbij dient te worden aangegeven welke van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de WVW genoemde belangen ten grondslag liggen aan het verkeersbesluit. Indien tevens andere dan de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de WVW genoemde belangen in het geding zijn, moet voorts worden aangegeven op welke wijze de belangen tegen elkaar zijn afgewogen.

3. Verweerder heeft zijn aanvankelijk tegen de uitspraak van deze rechtbank van 21 juli 2006 ingestelde hoger beroep ingetrokken. Eisers hebben tegen die uitspraak geen hoger beroep ingesteld, zodat van de juistheid van hetgeen uitdrukkelijk en zonder voorbehoud in die uitspraak is overwogen dient te worden uitgegaan.

3.1 In haar uitspraak van 21 juli 2006 heeft de rechtbank vastgesteld:

"Niet in geschil is het door verweerder ingenomen standpunt dat de Brasserskade en de Middelweg autoluw dienen te worden gemaakt ten behoeve van de veiligheid, het beschermen van weggebruikers en passagiers, het in stand houden van de weg, het voorkomen van schade aan het dijklichaam en het voorkomen van de aantasting van het karakter van de Middelweg. Wel verschillen partijen van mening over de vraag of er al dan niet een minder ingrijpende maatregel kon worden genomen om het gewenste effect te bereiken. Hierbij is door eisers met name de aandacht gevestigd op het aanpassen van de aansluiting van de Middelweg op de Brasserskade door het aanleggen van een zogenaamde 'bypass in de vorm van een V' (in deze procedure ook wel 'de Paardenmarktconstructie' genoemd). Dit houdt in dat men op het betreffende punt niet rechtdoor over de Brasserskade kan rijden, maar - vanuit beide richtingen - door een blokkade gedwongen wordt om af te slaan, de Middelweg op. Ook maakt deze constructie het voor verkeer op de Middelweg mogelijk om via de Brasserskade richting Delft of richting Pijnacker/Nootdorp te rijden. Hiermee zou de overlast die eisers ondervinden geheel worden weggenomen.

Verweerder heeft als nadelen van deze optie genoemd, dat er nog steeds verkeer via de Brasserskade mogelijk is tussen de wijk Ypenburg en Delft dan wel de A13, dat de route (met name voor fietsers) onveiliger zou worden en dat er een verbreding van de weg en het dijklichaam noodzakelijk zou zijn die het Hoogheemraadschap niet zal toestaan."

3.2 De rechtbank heeft vervolgens overwogen dat aannemelijk is dat met het hier weergegeven alternatief minder auto's van de Brasserskade geweerd worden dan met de afsluiting waartoe verweerder heeft besloten, waarmee echter nog niet is gezegd dat met genoemd alternatief de doelstelling van verweerder - een autoluwe Brasserskade en Middelweg - niet verwezenlijkt kan worden.

De rechtbank kwam vervolgens - kort gezegd - tot het oordeel dat verweerder onvoldoende had onderzocht of met de blokkering van het doorgaande verkeer op de Brasserskade door middel van de voorgestelde

V-bypass het doel van verweerder in afdoende mate kan worden bereikt.

Tevens had verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet met feitenonderzoek onderbouwd - en derhalve ook onvoldoende gemotiveerd - zijn standpunt dat de V-bypass op deze kruising een gevaar vormt voor de verkeersveiligheid, verbreding van de weg en de dijk noodzakelijk maakt en dat het Hoogheemraadschap voor het laatste geen toestemming zal geven.

4. Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder zijn standpunten gehandhaafd, echter thans onderbouwd met een deskundigenonderzoek "Variantenstudie afsluiting Brasserskade" uitgevoerd door ir. V.F. Harte van het verkeerskundig adviesbureau Delft Infra Advies, gedateerd 19 maart 2007 (hierna: het deskundigenonderzoek).

4.1 De conclusie van dit deskundigenonderzoek luidt:

"Gezien de gewenste aard van de weg en de verwachte intensiteit bij de aanleg van een Paardenmarktoplossing wordt aanbevolen om de weg volledig gesloten te verklaren. De weg is door het verschil in reistijd te aantrekkelijk voor doorgaand verkeer en verkeer tussen De Bras en de A13. Alleen bij een gesloten verklaring van de Brasserskade krijgt de weg het karakter van een erftoegangsweg."

4.2 Verweerder heeft deze conclusie overgenomen. Voorts heeft verweerder mede op grond van die studie het standpunt ingenomen dat door aanleg van een V-bypass de veiligheid zou verminderen. Voorts heeft verweerder in aanmerking genomen dat door de aanleg van een V-bypass de dijk ter plaatse dient te worden verbreed en dat het Hoogheemraadschap daaraan de voorwaarden heeft verbonden dat een stabiliteitsonderzoek dient plaats te vinden en vervangend water dient te worden gegraven, hetgeen aanzienlijke kosten meebrengt. Tot slot is ook de aanleg van een V-bypass aanzienlijk duurder dan een afsluiting.

5. Met betrekking tot hetgeen eisers in beroep hebben aangevoerd overweegt de rechtbank het volgende.

5.1 Anders dan eisers hebben betoogd is de rechtbank van oordeel dat verweerder thans wel een gedegen onderzoek heeft laten verrichten naar de feiten en op deugdelijke wijze heeft gemotiveerd op grond van welke belangenafweging hij tot handhaving van de afsluiting van de Brasserskade heeft besloten. Verweerder heeft immers onderzoek laten verrichten naar de door eisers voorgestelde V-bypassvariant, zodat niet kan worden volgehouden dat verweerder het primaire besluit niet mede op grondslag van de door eisers daartegen aangevoerde bezwaren heeft heroverwogen.

5.2 Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State meermaals heeft overwogen (bijvoorbeeld in haar uitspraak van 26 maart 2008, LJN: BA2645) komt verweerder bij het nemen van een verkeersbesluit een ruime beoordelingsmarge toe. Het is aan verweerder om alle verschillende bij het nemen van een dergelijk besluit betrokken belangen tegen elkaar af te wegen. De rechter dient zich bij de beoordeling van zo'n besluit dat ook terughoudend op te stellen en te toetsen of het besluit niet strijdig is met wettelijke voorschriften, dan wel dat er sprake is van zodanige onevenwichtigheid in de afweging van de betrokken belangen, dat het bestuursorgaan niet in redelijkheid tot dat besluit heeft kunnen komen.

5.3 De rechtbank is van oordeel dat verweerder aan het bestreden besluit de uitkomsten van het deskundigenonderzoek ten grondslag heeft mogen leggen. Het is de rechtbank niet gebleken dat dit onderzoek ondeugdelijk is of dat het onzorgvuldig tot stand is gekomen. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat in het deskundigenrapport is ingegaan op de verkeerstelling die eiser onder 2 heeft laten verrichten op 28 september 2006, zoals blijkt uit het door hem overgelegde rapport van Advier BV van 5 oktober 2006.

In het deskundigenrapport is afdoende verklaard waarom de verkeerstelling op 28 september 2006 die uitkwam op 3300 motorvoertuigen per etmaal afwijkt van het in het deskundigenrapport berekende aantal van 8.556 voertuigen per etmaal (bij geen afsluiting) en 7.256 voertuigen per etmaal (bij toepassing van een V-bypass). Ten tijde van de tellingen op 28 september 2006 was weliswaar de fysieke afsluiting niet meer aanwezig, maar de geslotenverklaring was nog van kracht (door middel van plaatsing van een verbodsbord). Aannemelijk is dat er automobilisten zijn die zich aan de verbodsbepaling houden, ondanks de afwezigheid van een fysieke afsluiting. Voorts was de wijk De Bras toen nog niet volledig afgebouwd. Met het rapport van Advier BV wordt derhalve niet aangetoond dat het deskundigenrapport onjuist is. Uit het deskundigenrapport blijkt genoegzaam dat toepassing van de V-bypass niet leidt tot een autoluwe Brasserskade ten westen van de Middelweg.

5.4 Verweerder heeft voorts aan zijn besluit mede een financiële afweging ten grondslag mogen leggen. Verweerder heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat een V-bypass aanzienlijk duurder is dan een afsluiting mede door eisen die het Hoogheemraadschap Delfland heeft gesteld. Verweerder heeft ter onderbouwing van dit standpunt als bijlage 3 bij het verweerschrift inzake het beroep van eiser sub 2 een raming van de kosten van aanleg van een V-bypass overgelegd. Dat verweerder en de gemeente Den Haag op andere locaties in de nabijheid wel hebben geïnvesteerd in een de aanleg van een kruispunt en verbreding van de Middelweg, betekent niet dat de afweging ten aanzien van de onderhavige afsluiting niet anders zou mogen uitvallen. Het gaat hier niet om gelijke gevallen. De bereidheid van eiser onder 2 om de kosten van de V-bypass voor zijn rekening te nemen en water op zijn grond te graven ter voldoening aan de eisen van het Hoogheemraadschap heeft verweerder terecht niet in zijn belangenafweging betrokken, daar anders het nemen van een verkeersbesluit mede afhankelijk zou worden gemaakt van de bereidheid van de omgeving om al dan niet een bijdrage aan de kosten van een verkeersbesluit te leveren.

5.5 Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat hij in dit stadium van de procedure, na de uitspraak van de rechtbank van 21 juli 2006, niet meer gehouden was andere door eisers aangedragen varianten te onderzoeken dan de aanleg van een V-bypass. Eisers hebben immers geen hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank van 21 juli 2006. In deze uitspraak is aan verweerder opgedragen nader feitenonderzoek te doen naar de V-bypassvariant, zodat daarvan in deze procedure dient te worden uitgegaan.

5.6 Tot slot heeft verweerder aan het bestreden besluit in redelijkheid ten grondslag kunnen leggen dat de V-bypass minder veilig is voor fietsers dan de afsluiting voor motorvoertuigen. Niet betwist is dat het hier gaat om een druk bereden regionale fietsroute waar veel schoolgaande jeugd gebruik van maakt. Bij toepassing van de V-bypass hebben doorgaande fietsers op de Brasserskade te maken met mogelijk autoverkeer van drie kanten, terwijl bij een afsluiting de fietsers te maken hebben met autoverkeer van twee kanten.

5.7 Eisers klagen voorts over de lange duur van de procedure. Deze klacht dient met toepassing van artikel 8:69, tweede lid, van de Awb aldus te worden opgevat dat eisers betogen dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is geschonden. Ter zitting hebben eisers verzocht om vergoeding van schade als gevolg van overschrijding van de redelijke termijn. Sedert de ontvangst van de bezwaarschriften van eisers in december 2004 zijn ten tijde van deze uitspraak bijna 3,5 jaar verstreken, waarvan de besluitvorming door verweerder in totaal ruim veertien maanden in beslag heeft genomen. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de niet uitzonderlijke complexiteit van de zaak, het processuele gedrag van eisers en het getroffen belang van eisers, de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is overschreden. Aannemelijk is dat eisers ten gevolge van de lange duur van de procedure hebben geleden onder spanning en frustratie. De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat de immateriële schade van eisers voor vergoeding in aanmerking komt. De rechtbank stelt de door verweerder aan iedere eiser te betalen schadevergoeding naar redelijkheid en billijkheid vast op € 1.000,--.

5.8 Bij gebreke van een andere wettelijke voorziening dan het bepaalde in artikel 8:73 van de Awb is de rechtbank gehouden het beroep gegrond te verklaren en het bestreden besluit vernietigen in verband met hetgeen onder 5.7 is overwogen.

Aangezien verweerder zich, gelet op de overwegingen 5 tot en met 5.6 terecht en op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat het verkeersbesluit van 17 januari 2005 in stand kan blijven, zal de rechtbank bepalen dat de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten geheel in stand blijven.

Niet is gebleken dat door eisers in verband met de behandeling van dit beroep kosten zijn gemaakt die op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.

III. Beslissing

De Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit van 11 april 2007;

bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

veroordeelt de gemeente Delft tot vergoeding van de immateriële schade die eiser onder 1 lijdt ten bedrage van € 1.000,--;

veroordeelt de gemeente Delft tot vergoeding van de immateriële schade die eiser onder 2 lijdt ten bedrage van € 1.000,--;

bepaalt dat de gemeente Delft aan eiser onder 1 het door hem betaalde griffierecht, te weten € 143,--, vergoedt;

bepaalt dat de gemeente Delft aan eiser onder 2 het door hem betaalde griffierecht, te weten € 143,--, vergoedt.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Aldus gegeven door mr. M.D.J. van Reenen-Stroebel en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2008, in tegenwoordigheid van de griffier

mr. J.A. Leijten.