Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BH1385

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-12-2008
Datum publicatie
29-01-2009
Zaaknummer
AWB 08/24667
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2009:BJ6296, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Herhaalde aanvraag / Iran / bekeerd christen / bekeringsactiviteiten / 3 EVRM

Opvolgende aanvraag. Eiser is in bekeerd tot het christendom. Het beleid voor (geboren, bekeerde en bekerende) christenen uit Iran is met WBV 2007/15, dat dateert van na het besluit in de vorige asielprocedure, gewijzigd. De aanvraag is daarom niet aan te merken als een herhaalde aanvraag, en de rechtbank zal het bestreden besluit toetsen.

Eiser stelt vanwege zijn bekering bij terugkeer in Iran een risico te lopen op schending van 3 EVRM. Hij stelt in dat verband voorts dat de opdracht om mensen te bekeren tot het christendom een essentieel onderdeel vormt van zijn geloof, en dat het niet kunnen verrichten van bekeringsactiviteiten daarom een ernstige beperking is van de wijze waarop hij vorm kan geven aan zijn geloofsbeleving. Ter onderbouwing heeft eiser er, onder verwijzing naar het ambtsbericht van de Minister van BuiZa van juni 2007 onder meer op gewezen dat de Iraanse president op 23 december 2007 een wetsvoorstel heeft gedaan strekkende tot wijziging van het Iraanse strafrecht in die zin dat de doodstraf kan worden opgelegd aan afvalligen van de islam.

Niet in geschil is dat de situatie van christenen in Iran zorgelijk is. De rechtbank wijst er in dit verband op dat in de ambtsberichten melding wordt gemaakt van onder meer bedreiging en intimidatie van - met name tot de evangeliserende kerken behorende - christenen. Ter zitting heeft verweerder desgevraagd verklaard niet te kunnen aangeven of en in welke mate deze bedreigingen en intimidaties met geweld gepaard gaan. De rechtbank acht voorts van zwaarwegend belang dat het Iraanse parlement een eerste lezing van het wetsvoorstel van de Iraanse president van 23 december 2007 heeft goedgekeurd. Het is denkbaar dat – zoals verweerder stelt in de brief van 5 november 2008 - het proces van definitieve vaststelling en goedkeuring van de bewoordingen van het wetsvoorstel nog enige tijd in beslag neemt. Verweerder heeft daaromtrent echter geen duidelijkheid kunnen verschaffen. Onder die omstandigheden moet worden geoordeeld dat eiser bij terugkomst in Iran een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

nevenzittingsplaats Zwolle

Sector Bestuursrecht, Meervoudige Kamer voor Vreemdelingenzaken

Registratienummer: Awb 08/24667

Uitspraak

in het geding tussen:

[eiser],

geboren op [geboortedatum] 1966,

van Iraanse nationaliteit,

IND dossiernummer [nummer], eiser,

gemachtigde mr. B.A. Palm, advocaat te

Utrecht;

en

De Staatssecretaris van Justitie,

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te ’s-Gravenhage,

vertegenwoordigd door mr. R.M. van der Horn,

ambtenaar ten departemente, verweerder.

1. Procesverloop

Op 3 juli 2008 heeft eiser opnieuw een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Bij besluit van 9 juli 2008 heeft verweerder de aanvraag afgewezen.

Bij brief van 9 juli 2008 is daartegen beroep ingesteld. Het beroep is voorzien van gronden bij brief van 29 juli 2008. Op 31 juli 2008 zijn nadere stukken ingediend. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is ter zitting van 30 oktober 2008 behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen een reactie te geven op een door eiser ter zitting overgelegd document. Verweerder heeft bij brief van 5 november 2008 van deze gelegenheid gebruik gemaakt. Eiser heeft hierop gereageerd bij brief van 21 november 2008.

Beide partijen hebben toestemming gegeven een verdere behandeling ter zitting achterwege te laten. De rechtbank heeft hierop het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1 Niet in geschil is dat eiser zich heeft bekeerd tot het christendom en dat het beleid voor (geboren, bekeerde en bekerende) christenen uit Iran door inwerkingtreding van Wijzigings-besluit Vreemdelingencirculaire (WBV) 2007/15 is gewijzigd na het besluit in de voorgaande asielprocedure. De aanvraag is daarom niet aan te merken als een herhaalde aanvraag, en de rechtbank zal het bestreden besluit toetsen.

2.2 Het geschil is beperkt tot de vraag of verweerder in de omstandigheid dat eiser is bekeerd tot het christendom in redelijkheid geen aanleiding heeft hoeven zien aan eiser een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) te verlenen.

2.3 Eisers bekering heeft eerst in Nederland plaatsgevonden. Verweerder heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat niet wordt voldaan aan het continuïteitsvereiste, zodat eiser niet op grond van zijn bekering tot het christendom in aanmerking komt voor verlening van een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000.

2.4 Eiser stelt dat hij vanwege zijn bekering tot het christendom bij terugkeer naar Iran een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het (Europees) Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), omdat hij in Iran als afvallig van de islam zal worden beschouwd. Hij stelt in dat verband voorts dat de opdracht om mensen te bekeren tot het christendom een essentieel onderdeel vormt van zijn geloof, en dat het niet kunnen verrichten van bekeringsactiviteiten daarom een ernstige beperking is van de wijze waarop hij vorm kan geven aan zijn geloofsbeleving.

Ter onderbouwing van zijn stelling heeft eiser er, onder verwijzing naar het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van juni 2007, ten dele geactualiseerd op 12 januari 2008 (DPV/AM-424/-07/5 105 1), onder meer op gewezen dat de Iraanse president op 23 december 2007 een wetsvoorstel heeft gedaan strekkende tot wijziging van het Iraanse strafrecht in die zin dat de doodstraf kan worden opgelegd aan afvalligen van de islam.

Verweerder verwijst naar een brief van de staatssecretaris van justitie aan de Tweede Kamer van 21 oktober 2008 (TK 2008-2009, 19637, nr. 1231), waaruit blijkt dat hij het wetsvoorstel bij de beleidsvorming heeft betrokken, maar het niet geïndiceerd acht vooruit te lopen op onzekere gebeurtenissen.

Eiser heeft ter zitting een persbericht, gedateerd 10 september 2008, van het Farsi Christian News Network (FCNN) over gelegd, waarin is vermeld dat het wetsvoorstel door het Iraanse parlement in eerste lezing is goedgekeurd. Naar aanleiding daarvan heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting geschorst om verweerder in de gelegenheid te stellen te reageren. In de brief van 5 november 2008 heeft verweerder als volgt gereageerd:

“het Iraanse parlement (heeft) weliswaar aangegeven in principe akkoord te gaan met genoemde wetswijziging, maar () over de bewoordingen van de bewuste artikelen 224 en 225 van het Iraanse wetboek van strafrecht (is) nog geen akkoord bereikt. De discussie in het Iraanse parlement hierover moet nog plaatsvinden. Dit proces kan enige tijd duren. Goedkeuring van de tekst van de te wijzigen artikelen heeft dan ook formeel nog niet plaatsgevonden. Voorgaande betekent dat de informatie in de brief van de Staatssecretaris van justitie () van 21 oktober jl., inhoudende dat de wijziging van het wetboek van strafrecht aan het Iraanse parlement ter goedkeuring is voorgelegd, nog steeds de juiste formulering is. Gelet hierop komt verweerder dan ook niet toe aan de beantwoording van uw vraag of eiser bij terugkeer een reëel risico loopt op schending van artikel 3 EVRM door invoering van de doodstraf op afvalligheid in het Iraanse wetboek van strafrecht”.

2.5 Verweerder erkent dat bekeringsactiviteiten verboden zijn in Iran, dat repressie, intimidatie en arrestatie kunnen plaatsvinden als sprake is van actieve bekering van moslims, en dat op die wijze christenen worden beperkt in het recht hun godsdienst uit te oefenen. Verweerder meent echter dat de beperkingen die de Iraanse samenleving op dit gebied kent op zichzelf onvoldoende grond vormen om aan te nemen dat het leven van eiser bij terugkeer ernstig wordt belemmerd. In dat verband wijst verweerder op de ambtsberichten van de minister van buitenlandse zaken van mei 2007 en juli 2008, waarin wordt aangegeven dat geen gevallen bekend zijn van vervolging van christenen - geboren of bekeerd - enkel op grond van hun geloof.

2.6 Niet in geschil is dat de situatie van christenen in Iran zorgelijk is. De rechtbank wijst er in dit verband op dat in de ambtsberichten melding wordt gemaakt van onder meer bedreiging en intimidatie van - met name tot de evangeliserende kerken behorende - christenen. Ter zitting heeft verweerder desgevraagd verklaard niet te kunnen aangeven of en in welke mate deze bedreigingen en intimidaties met geweld gepaard gaan. De rechtbank acht voorts van zwaarwegend belang dat het Iraanse parlement een eerste lezing van het wetsvoorstel van de Iraanse president van 23 december 2007 heeft goedgekeurd. Het is denkbaar dat – zoals verweerder stelt in de brief van 5 november 2008 - het proces van definitieve vaststelling en goedkeuring van de bewoordingen van het wetsvoorstel nog enige tijd in beslag neemt. Verweerder heeft daaromtrent echter geen duidelijkheid kunnen verschaffen. Onder die omstandigheden moet worden geoordeeld dat eiser bij terugkomst in Iran een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM.

2.7 Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit kan niet in stand blijven en zal worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.8 Er bestaat aanleiding voor veroordeling van verweerder in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.

3. Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 9 juli 2008;

- bepaalt dat verweerder opnieuw op de aanvraag dient te beslissen, met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 644,= onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan eiser dient te voldoen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.A.A. ter Meer-Siebers, voorzitter, mr. J.F.M.J. Bouwman en mr. W.J.B. Cornelissen, rechters, en in het openbaar uitgesproken door mr. M.A.A. ter Meer-Siebers, in tegenwoordigheid van M.J.P. Kambeel als griffier, op 17 december 2008.

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van “Hoger beroep vreemdelingenzaken”, postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage.

Artikel 85 Vw 2000 bepaalt in dat verband dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:6 Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing