Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BG9615

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
16-12-2008
Datum publicatie
14-01-2009
Zaaknummer
AWB 08/41514
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenbewaring / 17-jarige / duur / belangenafweging / frustratie

Hoewel het feit dat eiser minderjarig is een factor is die bij de beoordeling dient te worden betrokken, oordeelt de rechtbank dat de non-coöperatieve houding van eiser thans zwaarder dient te wegen. Daarbij is in aanmerking genomen dat eiser, hoewel de Palestijnse autoriteit heeft verklaard dat eiser niet de Palestijnse nationaliteit heeft, blijft volharden dat hij wel de Palestijnse nationaliteit heeft. Verder heeft eiser, ondanks zijn toezegging concrete informatie omtrent zijn reis- en verblijf in Frankrijk op schrift te zullen stellen, dit nog steeds niet gedaan. Daarom moet ook na ommekomst van vier maanden het belang van verweerder bij voortduring van de bewaring zwaarder wegen dan het belang van eiser bij opheffing daarvan. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 08/41514

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 december 2008

inzake

[eiser],

geboren op [...] oktober 1992,

nationaliteit Palestijnse,

verblijvende te [plaatsnaam] in jeugdinrichting [naam jeugdinrichting],

eiser,

gemachtigde mr. F.A. Broersma,

tegen

de staatssecretaris van Justitie,

te Den Haag,

verweerder,

gemachtigde drs. J.R. Toussaint.

Procesverloop

Op 13 augustus 2008 is eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) in bewaring gesteld.

Bij uitspraken van de rechtbank, zittinghoudende te ’s-Hertogenbosch, van 1 september 2008 en 28 oktober 2008, zijn eerdere beroepen, strekkende tot opheffing van de vreemdelingenbewaring, ongegrond verklaard.

Eiser heeft op 24 november 2008 beroep ingesteld tegen het voortduren van de vrijheidsontneming. Voorts is om schadevergoeding verzocht.

Naar aanleiding van het beroep heeft verweerder op 26 november 2008 een voortgangsrapportage ingezonden. De gemachtigde van eiser heeft hierop, na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, niet gereageerd.

De zaak is behandeld op de zitting van 9 december 2008, waar eiser is verschenen bij gemachtigde. Verweerder is eveneens verschenen bij gemachtigde.

Overwegingen

1. Ter beoordeling ligt thans de vraag voor of er - nog steeds - voldoende perspectief bestaat op uitzetting van eiser en of verweerder voldoende voortvarend handelt teneinde de uitzetting te effectueren. Voorts is van belang te beoordelen of voortzetting van de bewaring ook overigens, bij afweging van de betrokken belangen, in redelijkheid nog gerechtvaardigd is.

2. Namens eiser is onder verwijzing naar de gronden in de zaak met nummer AWB 08/40877 - kort weergegeven - aangevoerd dat, zicht op uitzetting naar Marokko ontbreekt, dat onvoldoende voortvarend aan de uitzetting wordt gewerkt, mede gezien in het licht dat de duur van de bewaring bij minderjarigen tot een minimum moet worden beperkt. Voorts is betoogd dat het belang bij voortduring van de bewaring thans niet langer opweegt tegen het belang van eiser bij opheffing daarvan, gelet op zijn jeugdige leeftijd. Ten slotte is gesteld dat eiser, gelet op zijn jeugdige leeftijd, weinig besef heeft van de strekking en de inhoud van verweerders vragen en kan hij niet lezen en schrijven.

3. Onbetwist is dat eiser minderjarig is. Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat op 23 oktober 2008 de laissez-passeraanvraag voor Marokko is verzonden naar de laissez-passerafdeling. Op 4 november 2008 is de aanvraag doorgezonden aan de diplomatieke vertegenwoordiging van Marokko. Eiser is op 21 november 2008 in persoon gepresenteerd bij de Marokkaanse autoriteiten. De aanvraag om afgifte van een laissez passer is in onderzoek genomen. Voorts heeft verweerder op 21 oktober 2008 en op 11 november 2008 met eiser vertrekgesprekken gevoerd. Blijkens het vertrekgesprek van 21 oktober 2008 heeft verweerder eiser het laatste gesprek in herinnering gebracht, waarbij eiser had toegezegd zijn vrienden te bellen om zo namen en contactgegevens te krijgen voor wat betreft zijn verblijf in Frankrijk. Eiser heeft daarop meegedeeld dat hij nog geen contact heeft opgenomen met deze vrienden. Naar het oordeel van de rechtbank volgt hieruit, anders dan eisers gemachtigde ter zitting heeft gesteld, niet dat eiser de strekking en de inhoud van de vragen niet heeft begrepen. De ter zitting naar voren gebrachte stelling dat eiser tot op heden geen informatie op schrift heeft gesteld te wijten is aan het niet kunnen lezen en schrijven, komt niet overeen met hetgeen is gebleken uit de verslagen van de vertrekgesprekken. Daarbij geldt dat eiser tot op heden evenmin mondeling de gevraagde informatie heeft verstrekt.

4. Gelet op het voorgaande bestaat er naar het oordeel van de rechtbank vooralsnog voldoende zicht op uitzetting en kan niet worden gesteld dat verweerder onvoldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser werkt.

5. De rechtbank is van oordeel dat het voortduren van de bewaring niet in strijd is met de Vw 2000 en evenmin bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid ongerechtvaardigd is te achten. Hoewel het feit dat eiser minderjarig is een factor is die hierbij dient te worden betrokken, oordeelt de rechtbank dat de non-coöperatieve houding van eiser thans zwaarder dient te wegen. Daarbij is in aanmerking genomen dat eiser, hoewel de Palestijnse autoriteit heeft verklaard dat eiser niet de Palestijnse nationaliteit heeft, eiser blijft volharden dat hij wel de Palestijnse nationaliteit heeft. Verder heeft eiser, ondanks zijn toezegging concrete informatie omtrent zijn zijn reis- en verblijf in Frankrijk op schrift te zullen stellen, dit nog steeds niet gedaan. Daarom moet ook na ommekomst van vier maanden het belang van verweerder bij voortduring van de bewaring zwaarder wegen dan het belang van eiser bij opheffing daarvan.

6. Het namens eiser ingediende verzoek om schadevergoeding komt niet voor toewijzing in aanmerking, nu ingevolge artikel 106 van de Vw 2000 een dergelijk verzoek slechts kan worden toegewezen indien de rechtbank de opheffing van de bewaring beveelt, dan wel de vrijheidsontneming reeds voor de behandeling van het verzoek om opheffing van de maatregel wordt opgeheven, hetgeen in casu niet het geval is.

7. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

8. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep gericht tegen de bewaring ongegrond;

- wijst het verzoek om de Staat der Nederlanden te veroordelen tot schadevergoeding af.

Aldus gedaan door mr. J.R. van Es-de Vries als rechter in tegenwoordigheid van W.G.M. de Boer als griffier en in het openbaar uitgesproken op 16 december 2008.