Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BG9426

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-12-2008
Datum publicatie
09-01-2009
Zaaknummer
326247 / HA RK 08-1295 Wrakingsnummer 2008/23
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Mondeling verzoek tot wraking ingevolge art. 37 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Verzoek afgewezen. De rechtbank ziet niet in dat de rechter heeft geweigerd de stukken die verzoeker naar de terechtzitting had meegenomen, in ontvangst te nemen. Over het toelaten van de stukken was immers nog geen beslissing genomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

Meervoudige wrakingskamer

Wrakingnummer 2008/23

rekestnummer: 326247 / HA RK 08-1295

zaak/rekestnummer: 324260 / JE RK 08-2957

datum beschikking: 18 december 2008

BESCHIKKING

op het mondelinge verzoek tot wraking ingevolge artikel 37 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, in de zaak van:

[verzoeker]

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd in het Penitentiair Complex Scheveningen, unit 2, te 's-Gravenhage,

verzoeker,

tegen

[X],

vicepresident, in de rechtbank te 's-Gravenhage, sector familie- en jeugdrecht.

1. Voorgeschiedenis en het procesverloop

1.1 Verzoeker is opgeroepen om op 9 december 2008 ter terechtzitting van deze rechtbank, sector familie- en jeugdrecht, in persoon te verschijnen voor de voortgezette behandeling van het verzoekschrift van de Raad voor de Kinderbescherming tot ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van de minderjarige [minderjarige].

1.2 Verzoeker is op deze zitting verschenen en heeft tijdens de zitting een wrakingsverzoek gedaan. De rechter heeft de behandeling ter terechtzitting voor onbepaalde tijd geschorst, in afwachting van de beslissing van de wrakingskamer. Van deze zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

2. De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek

2.1 Op 15 december 2008 is het wrakingsverzoek ter zitting van deze wrakingskamer behandeld. Het aanvangstijdstip van de zitting was vastgesteld op 10.00 uur. Kort voor dit tijdstip ontving de wrakingskamer het bericht dat verzoeker pas om 11.00 uur of 11.15 uur aangevoerd zou kunnen worden. De zitting is daarop in afwachting van de komst van verzoeker tot een nader tijdstip uitgesteld. Omstreeks 11.15 uur heeft een griffiemedewerkster van de wrakingskamer vernomen dat verzoeker niet in de transportbus wilde stappen om van de inrichting naar het Paleis van Justitie te worden vervoerd. Verzoeker zou, naar de verwachting van dat moment, om 13.30 uur aangevoerd kunnen worden. Teneinde de hierna te noemen verschenen personen niet langer te laten wachten heeft de voorzitter van de wrakingskamer besloten de zitting niet verder uit te stellen. Omstreeks 11.30 uur is de zitting, buiten aanwezigheid van verzoeker, aangevangen.

2.2 Verschenen zijn:

- mevrouw [A] namens de Raad voor de Kinderbescherming;

- mevrouw [B] namens de Stichting Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland;

- mevrouw [C], moeder van de onder 1.1 genoemde minderjarige;

- de minderjarige [minderjarige].

2.3 Mr. [X] is niet verschenen. Hij heeft zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt. Dit schrijven is op 12 december 2008 ingekomen bij de rechtbank.

3. Het standpunt van verzoeker

Verzoeker heeft gesteld dat de rechter niet onpartijdig is, omdat de rechtbank zijn stukken niet wil toevoegen/accepteren en het zo niet mogelijk is om de zaak te behandelen. Verzoeker wil dat de zaak bij een andere rechtbank behandeld wordt.

4. Het standpunt van mr. [X]

4.1 Mr. [X] heeft in zijn schriftelijke reactie laten weten dat hij niet in de wraking berust. Samengevat geeft hij over de gang van zaken tijdens de terechtzitting van 9 december 2008 het volgende aan. Mr. [X] heeft de regie van de zitting aan verzoeker uitgelegd. Verzoeker bepaalde echter zijn eigen orde, ook nadat hij daarvoor door de rechter is gemaand. Na een officiële waarschuwing begon verzoeker over het overleggen van stukken die verzoeker in een vuilniszak had meegenomen. Mr. [X] heeft gezegd dat eerst vragen zouden worden gesteld. Klaarblijkelijk beschouwde verzoeker dit als een weigering van de rechtbank om de stukken in ontvangst te nemen, waarna het wrakingsverzoek is gevolgd. Mr. [X] heeft nog uitgelegd dat de stukken niet waren geweigerd, maar verzoeker bleef bij de wraking.

4.2 Mr. [X] verklaart voorts dat het hem niet helemaal duidelijk is geworden waarom zijn onpartijdigheid bij de behandeling van de zaak zou zijn geschaad. Hij heeft het ernstige vermoeden dat verzoeker het middel van wraking hanteert om zaken te traineren gelet op het gemak waarmee verzoeker een wrakingsverzoek doet. Gelet op de belangen van andere bij de zaak betrokken partijen verzoekt mr. [X] te bepalen dat volgende door verzoeker gedane verzoeken tot wraking niet in behandeling genomen worden.

5. Beoordeling

5.1 Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van art. 6, eerste lid, EVRM dient uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

5.2 De rechtbank ziet niet in dat mr. [X] heeft geweigerd de door verzoeker bedoelde stukken in ontvangst te nemen. Blijkens het proces-verbaal van de zitting en gezien de door mr. [X] geschetste gang van zaken ter zitting was over het toelaten van de stukken immers nog geen beslissing genomen. Verzoekers stelling dat de rechter niet onpartijdig is, mist derhalve feitelijke grondslag. Ook zijn geen feiten of omstandigheden vastgesteld die een uitzonderlijke omstandigheid opleveren om de onder 5.1 bedoelde vrees ten aanzien van deze rechter kunnen rechtvaardigen. Het verzoek wordt derhalve afgewezen.

5.3 Voorts acht de rechtbank termen aanwezig om artikel 39, vierde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering toe te passen. Een volgend door verzoeker ingediend verzoek tot wraking van genoemde rechter zal daarom niet in behandeling worden genomen.

6. Beslissing

De rechtbank:

wijst het verzoek tot wraking af;

bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;

bepaalt dat een volgend verzoek tot wraking van genoemde rechter niet in behandeling wordt genomen;

beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 39, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt toegezonden aan:

• de verzoeker;

• de Raad voor de Kinderbescherming, Regio Haaglanden en Zuid-Holland Noord, locatie Den Haag;

• de Stichting Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland;

• belanghebbende in de hoofdzaak [mevr. C];

• de rechter mr. [X].

Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 december 2008 door

mrs. D.H. von Maltzahn, C.C. Dedel-van Walbeek, J.G.J. Brink, in tegenwoordigheid van mr. G.R.G. Nijpels als griffier.