Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BG9233

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-12-2008
Datum publicatie
14-01-2009
Zaaknummer
AWB 08/16311
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2009:BJ3158, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Categoriaal beschermingsbeleid / artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn / Centraal-Irak / Noord-Irak / woon- en verblijfplaats / geboorteplaats

Eiser is geboren in [...], Noord-Irak. Een broer van eiser, geboren in Centraal Irak, heeft op grond van het categoriaal beschermingsbeleid, een verblijfsvergunning gekregen. Eiser heeft gesteld dat hij derhalve eveneens een verblijfsvergunning op die grond zou moeten krijgen. De rechtbank heeft eiser in die stelling niet gevolgd. Verder heeft verweerder volgens de rechtbank in redelijkheid kunnen besluiten geen categoriaal beschermingsbeleid voor Noord-Irak te voeren. In het kader van het beroep van eiser op artikel 15c van de Definitierichtlijn heeft de rechtbank echter geoordeeld dat verweerder in dat verband ten onrechte geen belang heeft gehecht aan eisers verblijfplaats, zijnde in Centraal-Irak bij zijn vader, moeder en overige familie, vóór zijn vertrek uit Irak.

Bij zijn beroep op de d-grond heeft eiser gewezen op paragraaf 6.5 van WBV 2007/9 en daarbij gesteld dat – ook al is hij geboren in Noord-Irak – hij aangemerkt had moeten worden als afkomstig uit Centraal-Irak, nu zijn eveneens in Nederland verblijvende broer in Centraal-Irak is geboren en aan hem wel een vergunning op de d-grond is verleend. Mede in aanmerking nemend dat verweerder ten aanzien van de toepassing van de d-grond beoordelingsvrijheid heeft, heeft de rechtbank geoordeeld dat de tekst van paragraaf 6.5 voornoemd niet in de weg staat aan de beperkte uitleg die verweerder heeft gegeven aan het in die paragraaf gehanteerde begrip gezinsband. De kennelijke bedoeling van de bepaling is immers om te voorkomen dat in Nederland verblijvende gezinnen uit elkaar worden gehaald doordat een (of meer) van de gezinsleden in Noord-Irak is geboren en een of meer andere gezinsleden in Centraal-Irak. Die situatie doet zich in het geval van eiser echter niet voor nu behoudens zijn broer de rest van zijn familie niet in Nederland verblijft.

Ten aanzien van het subsidiaire standpunt dat tevens aanleiding is voor het voeren van een categoriaal beschermingsbeleid voor Noord-Irak, heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder het algemeen ambtsbericht van 14 februari 2008 over Irak voldoende basis heeft kunnen achten voor zijn standpunt dat een dergelijk beleid niet is geïndiceerd.

De rechtbank heeft vervolgens overwogen dat verweerder zijn standpunt, dat eiser aan het bepaalde in artikel 15c van de Definitierichtlijn geen aanspraak kan maken op bescherming, ongenoegzaam heeft gemotiveerd. Verweerder heeft zich ook in dit verband op het standpunt gesteld dat eiser afkomstig is uit Noord-Irak en niet uit Centraal-Irak. Uit een door eiser aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 16 mei 2008 (200702830/1, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl) kan echter afgeleid worden dat voor de afkomst van een vreemdeling in het kader van diens beroep op de meergenoemde Definitierichtlijn bezien dient te worden alwaar hij zijn normale woon- en verblijfplaats had in zijn land van herkomst vóór zijn vertrek. In het schrijven van eiser van 8 september 2008 heeft eiser in dit verband gesteld na zijn ontvoering deels in Nood-Irak en deels in Centraal-Irak te hebben verbleven en na beëindiging van zijn studie naar zijn ouders in Kirkuk, Centraal Irak, te zijn teruggekeerd. Anders dan in de kwestie van de vraag of eiser ten tijde van het bestreden besluit een geslaagd beroep kan doen op het voor Centraal-Irak gevoerde categoriale beschermingsbeleid heeft verweerder in dit verband niet gemotiveerd waarom eiser niet als zijnde afkomstig uit Centraal-Irak kan worden aangemerkt. Evenmin is gemotiveerd dat er met betrekking tot die vraag geen verschil bestaat tussen de beide vorenbedoelde situaties, in welk verband nog aanleiding bestaat op te merken dat het hanteren door verweerder van de geboorteplaats als onderscheidend criterium voor de vraag of een betrokkene in aanmerking kan komen voor een verblijfsvergunning op de d-grond een beleidsmatige keuze is in het kader van een door verweerder gevoerd, nationaalrechtelijk van aard zijnde, categoriaal beschermingsbeleid. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’S-GRAVENHAGE

Zittinghoudende te Roermond

Sector bestuursrecht, enkel/meervoudige kamer

Vreemdelingenkamer

Procedurenummer: AWB 08/16311

Uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

inzake

[eiser], eiser,

gemachtigde mr. M.J.C. van den Hoff,

tegen

de Staatssecretaris van Justitie, verweerder.

1. Procesverloop

1.1. In deze uitspraak wordt onder verweerder tevens verstaan de rechtsvoorgangers van de Staatssecretaris van Justitie, als het bevoegde bestuursorgaan in procedures als de onderhavige.

1.2. Bij fax van 8 mei 2008 heeft eiser beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 14 april 2008. Bij dit besluit heeft verweerder geweigerd eiser een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna Vw 2000) te verlenen. Bij schrijven van 9 juni 2008 en 8 september 2008 heeft eiser de gronden van het beroep ingediend.

1.3. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden. De ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan eiser gezonden.

1.4. Bij brief van 15 september 2008 heeft de rechtbank verweerder ingevolge het bepaalde in artikel 83 van de Vw 2000 in de gelegenheid gesteld te reageren op de door eiser bij schrijven van 8 september 2008 ingezonden stukken.

1.5. Bij fax van 1 oktober 2008, gedateerd 30 september 2008, heeft verweerder een reactie ingezonden.

1.6. De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 8 oktober 2008. Aldaar is eiser verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde voornoemd. Verweerder heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door mr. M.A.M. Janssen. Als tolk was aanwezig de heer H. Benkrita.

2. Overwegingen

2.1. Eiser is geboren op [1988] in [geboorteplaats], Noord-Irak. Op 12 oktober 2007 heeft eiser een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Aan deze aanvraag heeft eiser – kort gezegd – het volgende ten grondslag gelegd.

2.2. Eiser komt uit een welgestelde familie. Tot 2005 woonde eiser samen met zijn ouders in [geboorteplaats]. In 2005 zijn eisers ouders naar [...] verhuisd, alweer eisers vader zijn aannemingsbedrijf heeft voortgezet. Eiser keerde echter terug naar [geboorteplaats] om er te studeren aan de universiteit. Eiser woonde daar zelfstandig op kamers. Toen eiser op een zekere woensdag in mei 2007 met zijn auto op weg was naar zijn ouders in [...], werd hij ontvoerd door hem onbekende mannen. Eiser is 15 dagen vastgehouden op een voor hem onbekende plek. Nadat zijn vader losgeld voor hem heeft betaald, is eiser vrijgelaten. Nadien heeft eiser het universitaire jaar in [geboorteplaats] afgemaakt. Op aandringen van zijn vader is eiser Irak in augustus 2007 ontvlucht.

2.3. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eisers asielrelaas voor ongeloofwaardig moet worden gehouden. Verweerder heeft hierbij mede de omstandigheden van het bepaalde in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 betrokken.

2.4. Het beroep is, blijkens de gronden en het verhandelde ter zitting, gericht tegen het bestreden besluit voor zover daarbij is geweigerd aan eiser een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen op de grond als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a tot en met d, van de Vw 2000. Hierbij heeft eiser verweerders standpunt, dat sprake is van een ongeloofwaardig relaas, bestreden en heeft hij zich op het standpunt gesteld dat verweerder ten onrechte het bepaalde in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 aan hem heeft tegengeworpen. Verder is door eiser een beroep gedaan op artikel 15c van de Richtlijn 2004/83/EG van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft en de inhoud van de verleende bescherming (de Definitierichtlijn).

2.5. Ter beoordeling van de rechtbank ligt voor of het besluit van 14 april 2008 in zoverre de toets in rechte kan doorstaan. Overwogen wordt als volgt.

2.6. Voor zover hier van belang luidt artikel 29 van de Vw 2000:

“1. Een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 kan worden verleend aan de vreemdeling:

a. die verdragsvluchteling is;

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen;

c. van wie naar het oordeel van Onze Minister op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst;

d. voor wie terugkeer naar het land van herkomst naar het oordeel van Onze Minister van bijzondere hardheid zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar; (..)”

2.7. Voor zover hier van belang luidt artikel 1 van de Vw 2000:

"In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

(..)

k. Vluchtelingenverdrag: het Verdrag van Genève van 1951 betreffende de status van vluchtelingen (Trb.1954,88) en het bijbehorende Protocol van New York van 1967 (Trb.1967,76);

l. Verdragsvluchteling: de vreemdeling die vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag en op wie de bepalingen ervan van toepassing zijn; (..)".

2.8. Ingevolge het Vluchtelingenverdrag is sprake van vluchtelingschap in het geval dat betrokkene, uit gegronde vrees voor vervolging wegens ras, godsdienst, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep, zich bevindt buiten het land waarvan hij de nationaliteit bezit en de bescherming van dat land niet kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil inroepen.

2.9. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van die wet, afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

2.10. Ingevolge artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 wordt bij het onderzoek of de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel kan worden afgewezen mede betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen.

2.11. Blijkens onderdeel C4/3.6 van de Vreemdelingencirculaire (Vc 2000) is voor de beoordeling van de asielaanvraag onderbouwing van de volgende elementen van belang: de identiteit, de nationaliteit, de reisroute en het asielrelaas van de vreemdeling. Wanneer is vastgesteld dat ten aanzien van één of meer van de vier elementen documenten ontbreken, wordt onderzocht of het aannemelijk is dat het ontbreken van documenten niet aan de vreemdeling is toe te rekenen.

2.12. Documenten die de reisroute onderbouwen zijn volgens onderdeel C 4/3.6.2 van de Vc 2000 in de eerste plaats de reisdocumenten waarvan de vreemdeling zich bediend heeft tijdens de reis naar Nederland. In de tweede plaats kan de reisroute worden onderbouwd met alle andere documenten en bescheiden op grond waarvan kan worden vastgesteld welke reisroute de vreemdeling heeft gevolgd. Verklaringen die inhouden dat een vreemdeling geen documenten heeft en niets meer weet van de reisroute zijn volgens onderdeel C4/3.6.3 van de Vc 2000 niet geloofwaardig. In het geval dat een vreemdeling geen documenten inzake de reisroute over heeft gelegd maar omtrent de reisroute en het ontbreken van documenten wel consistente, gedetailleerde en verifieerbare verklaringen aflegt, geeft hij blijk van de wil tot medewerking aan de vaststelling van de reisroute.

2.13. In onderdeel C4/3.6.3 van de Vc 2000 staat voorts vermeld dat het uitgangspunt is dat de situatie waarin een vreemdeling zijn documenten aan de reisagent heeft afgestaan aan de vreemdeling is toe te rekenen. De vreemdeling is in het algemeen op het moment dat de papieren aan de reisagent worden meegegeven reeds in een land waar bescherming van de desbetreffende autoriteiten kan worden ingeroepen. Op dat moment kan van de vreemdeling worden verlangd dat hij direct die bescherming inroept en dat hij zich met alle beschikbare documenten bij die autoriteiten legitimeert en met alle beschikbare documenten zijn asielaanvraag onderbouwt. Daarin heeft de vreemdeling een eigen verantwoordelijkheid. De vreemdeling vraagt om bescherming, de overheid vraagt aan de vreemdeling om bekend te maken wie hij is en hoe hij naar Nederland is gekomen. Wanneer de vreemdeling aannemelijk maakt dat de papieren onder dwang aan de reisagent zijn afgegeven en hij ook op alle andere elementen van de beoordeling van de asielaanvraag volledig meewerkt en geloofwaardig is, is het ontbreken van documenten niet aan hem toe te rekenen.

2.14. De rechtbank stelt vervolgens voorop dat de algehele situatie in Irak niet zodanig is dat vreemdelingen die afkomstig zijn uit dat land zonder meer als vluchteling zijn aan te merken. Derhalve dient eiser aannemelijk te maken dat er hem persoonlijk betreffende feiten en omstandigheden bestaan die vrees voor vervolging in vluchtelingrechtelijke zin rechtvaardigen.

2.15. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank eiser in redelijkheid kunnen tegenwerpen dat hij toerekenbaar geen reisdocumenten heeft overgelegd.

De rechtbank overweegt hiertoe dat verweerder de gestelde omstandigheid dat eiser in opdracht van de reisagent het voor de reis gebruikte paspoort heeft verscheurd, onvoldoende heeft kunnen achten. Daartoe acht de rechtbank redengevend dat verweerder conform vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) in redelijkheid het standpunt heeft kunnen innemen dat de gestelde afhankelijkheid van de reisagent, eiser niet ontslaat van een eigen verantwoordelijkheid op dit punt (zie onder andere de uitspraak van 8 oktober 2002, JV 2002/414) en eiser evenmin heeft gesteld dat er sprake is geweest van dwang van de zijde van de reisagent als bedoeld onder 2.13.

2.16. Voorts heeft verweerder met rede gesteld dat geen sprake is van coherente, gedetailleerde en verifieerbare verklaringen omtrent de door hem afgelegde reis van Irak, via Syrië en Turkije, naar Nederland. Zo weet eiser niet met welke busmaatschappij hij naar Istanbul is gereisd terwijl hij gedurende 18 uren in deze bus heeft gezeten en meerdere malen is in- en uitgestapt. Evenmin is eiser in staat gebleken iets te vertellen over de plaatsen waarlangs hij is gereisd. Dat eiser geen Turks kan lezen, heeft verweerder als een niet afdoende verklaring voor het vorenstaande kunnen aanmerken.

2.17. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat er sprake is van toerekenbare ongedocumenteerdheid in de zin van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000.

2.18. Ingevolge de uitspraak van de Afdeling van 27 januari 2003 (LJN AF5566, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl) mogen dientengevolge ingevolge artikel 31, van de Vw 2000, mede gelet op de geschiedenis van de totstandkoming van die bepaling (MvT, p.40/41) en volgens de ter uitvoering daarvan vastgestelde beleidsregels, in het relaas van eiser om het geloofwaardig te achten geen hiaten, vaagheden, ongerijmde wendingen en tegenstrijdigheden op het niveau van de relevante bijzonderheden voorkomen. Van het asielrelaas moet dan ook een positieve overtuigingskracht uitgaan.

2.19. In dat kader overweegt de rechtbank dat de Afdeling heeft overwogen onder meer in een uitspraak van 23 juni 2005 (JV 2005/315), dat de beoordeling van de geloofwaardigheid van de door een vreemdeling in zijn asielrelaas naar voren gebrachte feiten en het realiteitsgehalte van de door de vreemdeling aan die gestelde feiten ontleende vermoedens behoort tot de verantwoordelijkheid van verweerder en dat die beoordeling slechts terughoudend door de rechter kan worden getoetst. Indien en voor zover verweerder van oordeel is dat de door de vreemdeling gestelde feiten geloofwaardig en de daaraan ontleende vermoedens plausibel zijn, is vervolgens voor een terughoudende toets geen plaats, waar het de beoordeling van de zwaarwegendheid van het relaas betreft.

2.20. Verweerder heeft het niet geloofwaardig geacht dat eiser te vrezen heeft voor vervolging. Verweerder heeft hiertoe gesteld dat weliswaar niet wordt getwijfeld aan het gestelde rondom eisers ontvoering en vrijlating, maar dat eisers stelling dat hem andermaal een ontvoering te wachten staat, enkel is gebaseerd op vermoedens.

2.21. De rechtbank is van oordeel dat verweerder dit standpunt in redelijkheid heeft kunnen innemen. Overwogen wordt als volgt.

2.22. Door verweerder is niet in twijfel getrokken dat eiser ontvoerd is geweest. Dat dergelijke ontvoeringen ten behoeve van losgeld plaatsvinden in het land van herkomst van eiser komt overigens ook overeen met de informatie uit onder meer het ambtsbericht inzake Irak van 27 juni 2008 (zie paragraaf 3.3.9), naar welk ambtsbericht eiser heeft verwezen in zijn schrijven van 8 september 2008 en hetwelk de rechtbank met toepassing van artikel 83 van de Vw 2000 bij haar beoordeling betrekt. Vorenstaande laat evenwel onverlet dat verweerder heeft kunnen stellen dat eisers vrees dat hem andermaal een ontvoering te wachten staat, enkel is gebaseerd op vermoedens. Hiertoe heeft verweerder redengevend kunnen vinden dat eiser na zijn vrijlating nog gedurende drie maanden probleemloos in [geboorteplaats] heeft verbleven en aldaar zijn studiejaar heeft afgerond. Daarnaast heeft verweerder in zijn beoordeling kunnen betrekken dat eiser niet op eigen initiatief maar op instigatie van zijn vader uit Irak is vertrokken. Gesteld noch gebleken is verder dat een betrokkene die reeds een keer is ontvoerd een reële kans loopt wederom te worden ontvoerd.

2.23. De rechtbank is derhalve, gelet op het gegeven toetsingskader en de verklaringen van eiser in samenhang bezien, van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op grond van het vorenstaande op het standpunt heeft kunnen stellen dat het asielrelaas van eiser geen positieve overtuigingskracht heeft.

2.24. Bijgevolg is de rechtbank van oordeel dat verweerder bij het bestreden besluit terecht en op goede gronden heeft besloten dat eiser geen Verdragsvluchteling is en hem derhalve een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef onder a, van de Vw 2000 heeft kunnen weigeren.

2.25. Met betrekking tot de vraag of eiser mogelijk in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel op de b-grond, overweegt de rechtbank het volgende.

2.26. Blijkens de Memorie van Toelichting (TK 1998 1999, 26 732, nr.3 p.37 38) wordt een verblijfsvergunning verleend op de in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 genoemde grond ingeval de terugkeer van de vreemdeling in strijd zou komen met verplichtingen uit internationale verdragen op het gebied van de rechten van de mens waaronder artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), artikel 3 van het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing (Anti Folterverdrag) en artikel 7 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR).

2.27. Ingevolge de genoemde artikelen dient te worden beoordeeld of aannemelijk is dat betrokkenen bij uitzetting een reëel risico lopen te worden onderworpen aan foltering dan wel aan een onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing.

2.28. Gelet op hetgeen de rechtbank heeft overwogen met betrekking tot het beroep op vluchtelingschap is niet aannemelijk dat gedwongen terugkeer van eiser strijd oplevert met bovengenoemde artikelen.

2.29. Voorts heeft eiser een gemotiveerd beroep gedaan op de c-grond, meer specifiek het traumatabeleid. Dienaangaande wordt als volgt overwogen.

2.30. Ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van die wet, worden verleend aan de vreemdeling, van wie naar het oordeel van verweerder op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst.

2.31. De wijze waarop verweerder van de in voornoemd artikel neergelegde bevoegdheid gebruik pleegt te maken, is uiteengezet in onderdeel C2/4 van de Vc 2000. Hierbij is in de eerste plaats gedacht aan de situatie dat de vreemdeling getraumatiseerd is. Het in dat kader gevoerde traumatabeleid ziet op gevallen waarin de persoonlijke beleving van bepaalde limitatief opgesomde gebeurtenissen voor een vreemdeling zodanig traumatiserend zijn geweest dat van hem of haar niet gevergd kan worden terug te keren naar het land van herkomst. Dit betreft zowel traumatische ervaringen die zijn veroorzaakt van overheidswege, door politieke of militante groeperingen die de feitelijke macht uitoefenen in het land van herkomst of een deel daarvan, of door groeperingen waartegen de overheid niet in staat of niet willens is bescherming te bieden. De betrokken vreemdeling zal de aangevoerde gebeurtenissen, die tot een veronderstelde traumatische ervaring leiden, aannemelijk moeten maken. Tevens zal aannemelijk moeten zijn dat de gestelde gebeurtenissen aanleiding zijn geweest voor het vertrek van de betrokken vreemdeling uit het land van herkomst.

2.32. De volgende gebeurtenissen kunnen aanleiding geven tot verblijfsaanvaarding in het kader van het zogenaamde traumatabeleid:

de gewelddadige dood van naaste familieleden of huisgenoten;

de gewelddadige dood van andere verwanten of vrienden wanneer betrokkene aannemelijk maakt dat een hechte relatie bestond tussen de overledene en betrokkene;

substantiële niet strafrechtelijke detentie;

marteling, ernstige mishandeling of verkrachting van betrokkene;

het getuige zijn van marteling, ernstige mishandeling of verkrachting van naaste familieleden of huisgenoten;

het getuige zijn van marteling, ernstige mishandeling of verkrachting van andere verwanten of vrienden wanneer betrokkene aannemelijk maakt dat er een hechte relatie bestond tussen de verwante of vriend en betrokkene.

2.33. Ten aanzien van de ontvoering van eiser heeft verweerder zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat geen sprake is geweest van substantiële niet strafrechtelijke detentie. Hiertoe heeft verweerder gesteld dat de periode van twee weken gedurende welke eiser heeft vastgezeten te kort is geweest om van een substantiële detentie in voornoemde zin te kunnen spreken. Bovendien is in het geval van eiser niet gebleken dat de ontvoering het werk was van de overheid of van politieke of militante groeperingen die de feitelijke macht uitoefenen of in een deel daarvan of van groeperingen waartegen de overheid niet in staat is of niet willens is bescherming te bieden.

2.34. De rechtbank ziet geen aanleiding om het standpunt van verweerder dat een detentie van twee weken geen substantiële detentie is in voormelde zin voor rechtens onjuist te achten. Reeds om die reden heeft verweerder zich ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat eisers beroep op het traumatabeleid faalt. In dit verband verwijst de rechtbank nog naar de uitspraak van de Afdeling van 19 juli 2005, gepubliceerd in JV 2005/427. Hierin is, voor zover thans relevant, als volgt geoordeeld:

“(..) De beoordelingsvrijheid die de bepaling [artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c] de minister laat, wordt aangewend overeenkomstig de uitgangspunten, vermeld in (..) de Vc 2000. In de limitatieve opsomming van gebeurtenissen die naar het oordeel van de minister aanleiding kunnen geven tot verblijfsaanvaarding (..) komt onder meer substantiële niet strafrechtelijke detentie voor. De Vc 2000 vermeldt niet, wat de minister onder substantiële niet strafrechtelijke detentie verstaat.

De tekst van de Vc 2000 verzet zich aldus niet tegen de toepassing die de minister aan artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, heeft gegeven. Ook overigens bestaat geen aanleiding te oordelen dat de rechtbank het standpunt van de minister ten onrechte niet rechtens onjuist heeft geacht. (..)”

2.35. Ten aanzien van eisers beroep op de zogenoemde d-grond, overweegt de rechtbank vervolgens het volgende.

2.36. Eiser heeft gesteld dat hij op grond van het categoriaal beschermingsbeleid inzake Centraal-Irak, zoals neergelegd in Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire 2000 (WBV) 2007/9, in aanmerking zou moeten komen voor een verblijfsvergunning op grond van dit beleid. Op grond van dit WBV zou hij namelijk – ook al is hij geboren in Noord-Irak – aangemerkt moeten worden als afkomstig uit Centraal-Irak, nu zijn eveneens in Nederland verblijvende broer in Centraal-Irak is geboren en aan die broer wel een vergunning op de d-grond is verleend. Hierbij heeft eiser tevens gesteld dat verweerder, gelet op dit in de zienswijze aangevoerde punt, een nieuw voornemen had dienen uit te brengen in plaats van het onderhavige besluit te nemen. Daarnaast heeft eiser gemotiveerd aangevoerd dat een categoriaal beschermingsbeleid voor Noord-Irak geïndiceerd is.

2.37. In paragraaf 5 van het WBV 2007/9 is neergelegd dat vreemdelingen afkomstig uit Centraal-Irak, behoudens contra-indicaties, in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000.

2.38. In paragraaf 6.5 van het WBV 2007/9 staat ten aanzien van het onderscheid tussen Noord-Irak en Centraal-Irak het volgende vermeld: “Bij de behandeling van individuele asielaanvragen geldt dat Iraakse vreemdelingen die niet in Noord-Irak zijn geboren, worden aangemerkt als afkomstig uit Centraal-Irak. Voorts geldt, dat wanneer één der gezinsleden geboren is in Centraal-Irak, alle gezinsleden worden aangemerkt als afkomstig uit Centraal-Irak. Wel dient de gezinsband reeds voor de komst naar Nederland te hebben bestaan.”

2.39. Volgens verweerders standpunt in het bestreden besluit, de fax van 1 oktober 2008 en het verhandelde ter zitting, moet onder ‘gezinsband’ in de zin van voormelde paragraaf 6.5 worden verstaan de gezinsband als bedoeld in de situaties als vermeld in de e- en f-grond van artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000; kort gezegd de gezinsband tussen ouder(s) en kind(eren). In het onderhavige geval is evenwel sprake van een gezinsband tussen eiser en zijn broer. Daarom kan eiser geen geslaagd beroep doen op paragraaf 6.5 van WBV 2007/9, aldus verweerder.

2.40. Alvorens aan een inhoudelijke beoordeling van dit geschilpunt toe te komen, ziet de rechtbank zich gesteld voor de vraag of het bestreden besluit genomen is in strijd met het bepaalde in artikel 3.119 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000). De rechtbank overweegt als volgt.

2.41. Artikel 3.119 van het Vb 2000 luidt:

“Wanneer na het uitreiken of toezenden van het voornemen feiten of omstandigheden:

a. bekend worden, of

b. reeds bekend waren maar naar aanleiding van de zienswijze van de vreemdeling anders worden beoordeeld of gewogen, die voor de te nemen beslissing van aanmerkelijk belang kunnen zijn en Onze Minister voornemens blijft de aanvraag af te wijzen, wordt dit aan de vreemdeling meegedeeld en wordt hij in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze daarover naar voren te brengen.”

2.42. Blijkens de Nota van Toelichting bij artikel 3.119 Vb 2000 (Stb. 2000, 497, pagina 184) zal de vreemdeling alleen om een reactie gevraagd worden indien de oude of de nieuwe feiten en omstandigheden van aanmerkelijk belang zijn voor de te nemen beslissing.

2.43. In onderdeel C5/6.1 van de Vc 2000 wordt aangegeven dat van feiten of omstandigheden die 'van aanmerkelijk belang' zijn in de zin van artikel 3.119 van het Vb 2000 in ieder geval sprake is indien het gaat om resultaten van onderzoek (zoals door de Minister van Buitenlandse Zaken) en feiten en omstandigheden die, hetzij door het bekend worden, hetzij door een andere beoordeling of weging, een nieuw licht werpen op de geloofwaardigheid van het relaas van de asielzoeker. Zelfs indien aan deze voorwaarden is voldaan, behoeft dit echter niet in alle gevallen te leiden tot een nieuw voornemen. Volgens voornoemd beleid is immers tevens van belang of het voornemen tot afwijzen, gemeten naar de nieuwe stand van zaken, niet alle dragende overwegingen bevat. In dat geval wordt een nieuwe voornemenprocedure gestart. Hiervan is volgens verweerders beleid bijvoorbeeld sprake indien het voornemen blijft bestaan om de aanvraag af te wijzen, maar daarbij een omstandigheid in de zin van artikel 21, tweede lid, van de Vw 2000 wordt meegewogen die nog niet werd meegewogen in het reeds uitgebrachte voornemen.

2.44. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in dit geval niet ingevolge artikel 3.119 Vb 2000 gehouden was een nieuw voornemen uit te brengen naar aanleiding van eisers beroep op paragraaf 6.5 van WBV 2007/9 in de zienswijze. Hiertoe overweegt zij dat de motivering van het bestreden besluit ten opzichte van het voornemen weliswaar is aangevuld naar aanleiding van het in de zienswijze gestelde omtrent het genoemde WBV, maar niet wegens het bekend worden van feiten of omstandigheden dan wel het anders beoordelen of wegen daarvan in de zin van dat artikel. Dat eiser is geboren in Noord-Irak en niet in Centraal-Irak is nimmer tussen partijen in geschil geweest. Verweerder heeft enkel nader gemotiveerd waarom eiser, evenals in het voornemen, niet werd aangemerkt als zijnde afkomstig uit Centraal-Irak nadat in de zienswijze werd gesteld dat eiser wel als afkomstig uit Centraal-Irak diende te worden aangemerkt omdat zijn broer in Central-Irak is geboren en een verblijfsvergunning is toegekend vanwege het voor dat deel van Irak gevoerde categoriaal beschermingsbeleid. Aldus is er geen sprake van een situatie als bedoeld in voormeld artikel. De rechtbank acht eiser door de gang van zaken overigens ook niet in zijn belangen geschaad, nu de tussen partijen in dit verband in geschil zijnde kwestie enkel en alleen een interpretatieve kwestie betreft op basis van als zodanig niet in geschil zijnde feiten en omstandigheden.

2.45. De rechtbank overweegt vervolgens als volgt.

2.46. Paragraaf 6.5 voornoemd vermeldt niet wat onder gezinsband in de aldaar bedoelde situatie wordt verstaan. Nu verweerder (ook) ten aanzien van de toepassing van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 beoordelingsvrijheid heeft, staat de tekst van paragraaf 6.5 van het WBV 2007/9 – anders dan door eiser is betoogd – naar dezerzijds oordeel niet in de weg aan de beperkte uitleg die verweerder heeft gegeven aan het aldaar gehanteerde begrip gezinsband. De kennelijke bedoeling van de bepaling is immers om te voorkomen dat in Nederland verblijvende gezinnen uit elkaar worden gehaald doordat een (of meer) van de gezinsleden in Noord-Irak is geboren en een of meer andere gezinsleden in Centraal-Irak. Die situatie doet zich in het geval van eiser echter niet voor nu de vader en moeder van eiser en de overige kinderen, behoudens een broer, niet in Nederland verblijven. Het kerngezin van eiser verblijft dan ook buiten Nederland. Dat ook de broer van dat gezin deel heeft uitgemaakt, maakt het vorenstaande niet anders. Verweerder heeft derhalve in redelijkheid kunnen stellen dat in het geval van eiser het beroep op WBV 2007/9 dient te falen. Gelet hierop kan de vraag of er sprake is van een verbreking van de gezinsband in de zin van voormeld WBV omdat eiser in Noord-Irak is gaan of blijven studeren, terwijl de rest van het gezin in Centraal-Irak verbleef, in dit verband verder buiten bespreking blijven.

2.47. Ten aanzien van het subsidiaire standpunt dat er tevens alle aanleiding is om een categoriaal beschermingsbeleid te voeren voor Noord-Irak, overweegt de rechtbank als volgt.

2.48. De strekking van de stukken waarnaar eiser ter onderbouwing van dat standpunt in de zienswijze van 31 maart 2008, welke zienswijze is herhaald en ingelast in de gronden van beroep van 9 juni 2008, heeft verwezen is – kort gezegd – dat de veiligheidssituatie in Noord-Irak gespannen en onvoorspelbaar is; de situatie is met name instabiel doordat Turkije aldaar de Koerdische arbeiderspartij PKK bestrijdt.

2.49. Verweerder heeft in het bestreden besluit betoogd dat er geen aanleiding is voor het voeren van een categoriaal beschermingsbeleid voor Noord-Irak. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft verweerder in het bestreden besluit verwezen naar informatie in het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken inzake Irak van 14 februari 2008. Hierin wordt weliswaar vermeld dat er tijdens de verslagperiode Turkse militaire acties hebben plaatsgevonden in Noord-Irak, maar uit dit ambtsbericht blijkt eveneens, aldus verweerder, dat vanaf omstreeks eind augustus 2007 de veiligheidssituatie in het algemeen verbeterd is en dat de veiligheidssituatie in het grootste deel van het KRG (Kurdistan Regional Government)-gebied tamelijk stabiel is. Voorts wordt in het ambtsbericht vermeld dat de veiligheidsorganisaties in het KRG-gebied doorgaans in staat zijn om een zekere bescherming te bieden aan de burgers aldaar, zo heeft verweerder gesteld.

2.50. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder het algemeen ambtsbericht van 14 februari 2008 over de situatie in Irak voldoende basis kunnen achten voor zijn standpunt dat een categoriaal beschermingsbeleid voor Noord-lrak niet is geïndiceerd. Eiser heeft onvoldoende concrete aanknopingspunten gegeven voor twijfel aan de inhoud en/of de volledigheid van dit als deskundigenbericht aan te merken ambtsbericht. De inhoud van de stukken waarnaar eiser in de zienswijze van 31 maart 2008 heeft verwezen, die overigens grotendeels dateren van vóór het ambtsbericht van 14 februari 2008, wijkt naar het oordeel van de rechtbank niet in betekende mate af van hetgeen in voormeld ambtsbericht staat vermeld over de veiligheidssituatie in Noord-Irak. Hierbij vormt de omstandigheid dat uit de informatie blijkt dat de situatie aldaar gespannen is en mogelijk kan escaleren, geen rechtvaardiging voor het oordeel dat daarmee een categoriaal beschermingsbeleid geïndiceerd is geacht. Van een escalatie is immers nog geen sprake. Gelet hierop, en in het licht van het door de rechtbank in deze te hanteren toetsingskader, is de situatie in Noord-Irak nog zodanig dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen beleid van categoriale bescherming is geïndiceerd. De informatie, zoals die blijkt uit het ambtsbericht van juni 2008, en waarop overigens met name een beroep is gedaan ter onderbouwing van het standpunt dat er in Noord-Irak sprake is van een binnenlands of internationaal gewapend conflict, heeft de rechtbank geen aanleiding gegeven om tot een ander oordeel te komen

2.51. Het vorenstaande in aanmerking nemend, faalt eisers beroep op de d-grond van artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000.

2.52. Eiser heeft voorts een beroep gedaan op artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.

2.53. Volgens artikel 2, aanhef en onder e, van de Definitierichtlijn wordt in de richtlijn verstaan onder “persoon die voor de subsidiaire beschermingsstatus in aanmerking komt”: een onderdaan van een derde land of een staatloze die niet voor de vluchtelingenstatus in aanmerking komt, doch ten aanzien van wie er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat hij, wanneer hij naar zijn land van herkomst, of in het geval van een staatloze, naar het land waar hij vroeger gewoonlijk verbleef, terugkeert, een reëel risico zou lopen op ernstige schade als omschreven in artikel 15, en op wie artikel 17, eerste en tweede lid, niet van toepassing is, en die zich niet onder de bescherming van dat land kan of, wegens dat risico, wil stellen.

2.54. Volgens artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn bestaat ernstige schade uit ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict.

2.55. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 20 juli 2007 (LJN: BB0917), kan artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn alleen als voor een vreemdeling relevant worden aangemerkt, indien deze onder de reikwijdte van de bepaling valt. Dat betekent: indien de door hem gestelde schade in verband kan worden gebracht met een internationaal of binnenlands gewapend conflict. Indien zijn land van herkomst ten tijde van het besluit niet verwikkeld was in een internationaal gewapend conflict, is daarvoor bepalend of de door hem gestelde schade in verband kan worden gebracht met een binnenlands gewapend conflict.

2.56. Indien zich in het land van herkomst van een vreemdeling ten tijde van het besluit tot afwijzing van zijn asielaanvraag geen internationaal of binnenlands gewapend conflict voordeed, valt hij –zoals volgt uit de voormelde uitspraak van 20 juli 2007– reeds daarom niet onder de reikwijdte van artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn en kan hij aan die bepaling geen aanspraak op bescherming ontlenen. Indien zich in het land van herkomst van een vreemdeling ten tijde van het besluit wel een zodanig conflict voordeed, houdt dit echter niet zonder meer in dat hij reeds daarom onder de reikwijdte van artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn valt. Vastgesteld moet worden of de door hem gestelde schade in verband kan worden gebracht met dit conflict. Daarbij is van betekenis of dit conflict zich over alle delen van het land van herkomst uitstrekte, dan wel beperkt was tot duidelijk te onderscheiden deelgebieden. Indien, in dat laatste geval, een vreemdeling afkomstig is uit een deel, waar geen sprake was van een gewapend conflict en evenmin van gevolgen voor hem van een elders in het land bestaand gewapend conflict, zal hij bij terugkeer naar dat deel geen schade leiden die in verband kan worden gebracht met een zodanig conflict en daarom buiten de reikwijdte van artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn vallen.

2.57. Uit het vorenstaande volgt dat een vreemdeling, afkomstig uit een land waar zich, naar door hem gesteld, een binnenlands gewapend conflict voordoet, eerst onder de reikwijdte van artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn valt en deze bepaling derhalve voor hem relevant is, indien hij aannemelijk heeft gemaakt dat ten tijde van het besluit sprake was van een binnenlands gewapend conflict in het deel van het land, van waaruit hij afkomstig is, dan wel dat op dat moment in dat deel sprake was van gevolgen voor hem van een elders in dat land bestaand gewapend conflict.

2.58. In de visie van verweerder slaagt het door eiser gedane beroep op artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn niet. In het bestreden besluit heeft verweerder daarbij niet inhoudelijk beoordeeld of aan de toepassingscriteria van dit artikel is voldaan. Een dergelijke beoordeling is volgens verweerder voor de afwijzing van het verzoek om bescherming op grond van deze bepaling niet nodig omdat volgens verweerder de bescherming die artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn beoogt te bieden inhoudelijk geen andere bescherming behelst dan die in artikel 29, aanhef en onder b, van de Vw 2000 is geregeld. Dit kan volgens verweerder worden afgeleid uit het doel en de considerans van de Definitierichtlijn alsmede uit de totstandkoming ervan. In dit verband heeft verweerder gewezen op de overweging 26 van de Definitierichtlijn, waarin is overwogen dat de gevaren waaraan de bevolking van een land of een deel van de bevolking in het algemeen is blootgesteld normaliter op zich geen individuele bedreiging vormen die als ernstige schade kan worden aangemerkt.

2.59. Het feit dat de Afdeling bij uitspraak van 12 oktober 2007 (LJN BB5841, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl) prejudiciële vragen heeft gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen over de uitleg van artikel 15, aanhef en onder c, noopt volgens verweerder voorshands niet tot wijziging van het standpunt dat artikel 15, aanhef en onder c, geen andere toetsing vereist dan de toetsing die thans reeds wordt verricht in het kader van artikel 29, eerste lid, onder b, van de Vw 2000.

2.60. Daarnaast is verweerder subsidiair van mening dat een beroep op bescherming ingevolge genoemd artikel van de Definitierichtlijn niet opgaat omdat een dergelijk beroep alleen kan slagen bij een geloofwaardig asielrelaas. Daarvan is in het onderhavige geval echter geen sprake. Aldus is er in het geval van eiser niet aannemelijk gemaakt dat in zijn individuele geval sprake is van een reëel risico op het lijden van ernstige schade.

2.61. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zijn standpunt dat eiser aan het bepaalde in artikel 15, aanhef en onder, c van de Definitierichtlijn geen aanspraak kan maken op bescherming op basis van de hierboven weergegeven overwegingen ongenoegzaam heeft gemotiveerd. Daartoe acht de rechtbank van belang dat de bij eerder genoemde verwijzingsuitspraak van de Afdeling van 12 oktober 2007 gestelde prejudiciële vragen nu juist betrekking hebben op de vraag of artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn aldus dient te worden uitgelegd dat die bepaling uitsluitend bescherming biedt in een situatie waarop ook artikel 3 van het EVRM, zoals uitgelegd in de jurisprudentie van het EHRM, betrekking heeft, of in vergelijking met artikel 3 van het EVRM een aanvullende of andere bescherming biedt, welke laatste uitleg blijkens rechtsoverweging 2.8.5. van genoemde uitspraak door de Afdeling eveneens mogelijk wordt geacht. Ook het subsidiaire standpunt ontbeert een deugdelijke motivering. Uit rechtsoverweging 2.5 van de verwijzingsuitspraak van de Afdeling valt allereerst af te leiden dat de zaak die de Afdeling reden heeft gegeven om bedoelde vragen aan het Europese Hof van Justitie voor te leggen eveneens een ongeloofwaardig bevonden asielrelaas betrof. Verder ziet de rechtbank in de omstandigheid dat het bepaalde in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn het element ernstige en individuele bedreiging bevat geen reden om te oordelen dat een ongeloofwaardig relaas reeds aan verkrijging van bescherming op grond van dat artikel in de weg staat. Die ernstige en individuele bedreiging staat blijkens de bewoordingen van het artikel immers in causaal verband met willekeurig geweld als gevolg van een internationaal of binnenlands gewapend conflict. Naar het oordeel van de rechtbank brengt dit met zich dat ook een ongeloofwaardig relaas binnen de reikwijdte van dit artikel kan vallen, indien dat ongeloofwaardig bevonden relaas niet in de weg staat aan een ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een betrokkene als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict in (een deel van) zijn land van herkomst.

2.62. Het vorenstaande is echter eerst relevant te achten indien de rechtbank verweerder niet volgt in het standpunt, ingenomen in het verweerschrift (paragraaf 3.12), dat er in Noord-Irak géén sprake is van een “gewapend conflict” en eiser ook om die reden buiten de reikwijdte van artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn valt. Verweerder heeft in dit verband aangevoerd dat immers niet is gebleken dat op het grondgebied van Noord-Irak sprake is van aanhoudende en samenhangende militaire operaties van één of meer gewapende groepen jegens de autoriteiten. Eiser heeft ter zitting gesteld dat dit standpunt buiten beschouwing dient te blijven. De rechtbank volgt eiser hierin niet nu zij dit aanmerkt als een nadere onderbouwing van een eerder ingenomen standpunt waarom het beroep van eiser op de Definitierichtlijn eveneens niet slaagt. Daarenboven heeft eiser zich reeds eerder op het standpunt gesteld dat er wel sprake is van een dergelijk conflict en heeft hij bovendien bij schrijven van 8 september 2008 nogmaals uitvoerig gemotiveerd waarom naar zijn mening wel sprake is van een gewapend conflict in de zin van de Definitierichtlijn in Centraal-Irak respectievelijk Noord-Irak.

2.63. Vervolgens wordt als volgt overwogen. Verweerder heeft zich ook in dit verband op het standpunt gesteld dat eiser afkomstig is uit Noord-Irak en niet uit Centraal-Irak. Uit een door eiser aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 16 mei 2008 (200702830/1, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl) kan echter afgeleid worden dat voor de afkomst van een vreemdeling in het kader van diens beroep op de meergenoemde Definitierichtlijn bezien dient te worden alwaar hij zijn normale woon- en verblijfplaats had in zijn land van herkomst vóór zijn vertrek. In het schrijven van eiser van 8 september 2008 heeft eiser in dit verband gesteld na zijn ontvoering deels in Nood-Irak en deels in Centraal-Irak te hebben verbleven en na beëindiging van zijn studie naar zijn ouders in [...], Centraal Irak, te zijn teruggekeerd. Anders dan in de kwestie van de vraag of eiser ten tijde van het bestreden besluit een geslaagd beroep kan doen op het voor Centraal-Irak gevoerde categoriale beschermingsbeleid heeft verweerder in dit verband niet gemotiveerd waarom eiser niet als zijnde afkomstig uit Centraal-Irak kan worden aangemerkt. Evenmin is gemotiveerd dat er met betrekking tot die vraag geen verschil bestaat tussen de beide vorenbedoelde situaties, in welk verband nog aanleiding bestaat op te merken dat het hanteren door verweerder van de geboorteplaats als onderscheidend criterium voor de vraag of een betrokkene in aanmerking kan komen voor een verblijfsvergunning op de d-grond een beleidsmatige keuze is in het kader van een door verweerder gevoerd, nationaalrechtelijk van aard zijnde, categoriaal beschermingsbeleid..

2.64. Het vorenstaande doet de rechtbank concluderen dat het beroep voor gegrond moet worden gehouden en het besluit wegens strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel voor vernietiging in aanmerking moet komen.

2.65. De rechtbank acht verder termen aanwezig om verweerder op grond van het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten die eiser redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met deze procedure, een en ander overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden twee punten toegekend (één punt voor het indienen van het beroepschrift en één punt voor het verschijnen ter zitting) met een waarde van EUR 322,-- per punt. Het gewicht van de zaak wordt bepaald op gemiddeld, hetgeen correspondeert met de wegingsfactor één.

2.66. Aangezien ten behoeve van eiser een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier van de rechtbank.

2.67. Mitsdien wordt beslist als volgt.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit van verweerder van 14 april 2008;

bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure, aan de zijde van eiser begroot op EUR 644,-- (zijnde de kosten van de rechtsbijstand), te vergoeden door de Staat der Nederlanden aan de griffier van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond.

Aldus gedaan door mr. F.H. Machiels in tegenwoordigheid van mr. W.A.M. Bocken als griffier en in het openbaar uitgesproken op 11 december 2008.

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier,

verzonden op: 17 december 2008

Een belanghebbende en het bestuursorgaan kunnen tegen deze uitspraak binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van "hoger beroep vreemdelingenzaken", Postbus 16113, 2500 BC te ’s-Gravenhage. Ingevolge artikel 85 van de Vw 2000 bevat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak. Artikel 6:5 van de Awb bepaalt onder meer dat bij het beroepschrift een afschrift moet worden overgelegd van de uitspraak.