Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BG9087

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
07-01-2008
Datum publicatie
07-01-2009
Zaaknummer
307246 / HA ZA 08-930
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

onrechtmatige hinder door pluis van populieren langs Rijksweg?Aanhouding om uit te laten over de omvang van de schade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 307246 / HA ZA 08-930

Vonnis van 15 oktober 2008

in de zaak van

[eiser]

wonende te [plaats A.],

eiser,

advocaat mr. C.J.R. van Binsbergen,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Verkeer en Waterstaat),

zetelend te 's-Gravenhage,

gedaagde,

advocaat mr. E. Grabandt.

Partijen zullen hierna [eiser] en de Staat genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 11 maart 2008;

- de conclusie van antwoord;

- het tussenvonnis van 28 mei 2008, waarbij een comparitie van partijen is gelast;

- het proces-verbaal van de op 6 juni 2008 gehouden comparitie van partijen, tevens bezichtiging ter plaatse.

1.2. Bij beschikking van 18 juli 2008 is de vonnisdatum bepaald op heden.

2. De feiten

2.1. [eiser] exploiteert sinds 1983 een kwekerij voor de teelt van groentezaden aan de [adres] te [plaats A.]. Dit bedrijf wordt uitgeoefend op een perceel van circa 15.000 m2, dat is gelegen aan de oostzijde van de rijksweg A16 en de zuidzijde van de rijksweg A15. De grond is grotendeels bebouwd met een woning, kassen en bijgebouwen. Het kassencomplex beslaat na enkele uitbreidingen thans een oppervlakte van 10.000 m2.

2.2. Ter hoogte van de [a-weg] staan langs de A15 en A16 op grond die eigendom is van de Staat populierenbomen van het vrouwelijk geslacht. Rijkswaterstaat heeft daar laatstelijk in de periode 1998-2000 in het kader van de reconstructie van het rijkswegtracé Rotterdam-Hendrik Ido Ambacht nieuwe vrouwelijke populieren aangeplant. De geplante variant onderscheidt zich door sterke pluisvorming, jaarlijks in de periode van ongeveer half mei tot half juni. Met het ouder worden van de bomen neemt de zaad- en pluisvorming toe. Het pluis wordt door de wind verspreid. Bij westelijke wind komt een grote hoeveelheid pluis op het perceel van [eiser] terecht.

2.3. Voor de bestuiving van de gewassen gedurende de zomermaanden maakt [eiser] gebruik van vliegen en bijen. Om kruisbestuiving te voorkomen plaatst hij dan tenten van gaas rond de verschillende gewassoorten. De kassen worden geventileerd door dakramen open te laten staan. Door de openstaande dakramen kan pluis van de populieren naar binnen waaien.

2.4. Pluizen van de populieren die op het perceel van [eiser] terecht komen, ontwikkelen zich binnen en buiten de kassen tot populierenstekjes. Na het aanbrengen van de tenten in de kassen wordt het gaas door het pluis vervuild. De pluizen komen ook terecht in de goten en in het waterreservoir waaruit de planten besproeid worden.

2.5. Medewerkers van Rijkswaterstaat hebben op 1 juni 2005 een bezoek gebracht aan het bedrijf van [eiser] in het kader van de behandeling van een klacht van tuinders aan de [a-weg] te [plaats A.] over overlast door verspreiding van de zaden van de populieren. Op de vraag van [eiser] of de populieren die overlast geven, gerooid kunnen worden, heeft Rijkswaterstaat bij brief van 18 oktober 2005 negatief geantwoord.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad voor zover mogelijk:

A. voor recht te verklaren dat de Staat jegens [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld;

B. de Staat te veroordelen om aan eiser een bedrag te voldoen, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

C. de Staat te veroordelen tot betaling van € 1.585,12 als vergoeding van buitengerechtelijke kosten;

D. de Staat te veroordelen in de kosten van het geding, met wettelijke rente en nakosten.

3.2. Aan deze vordering heeft [eiser] primair ten grondslag gelegd dat het planten en instandhouden van de vrouwelijke variant van de populieren jegens hem onrechtmatig is, aangezien de Staat wist of behoorde te weten dat de pluizen schadelijke effecten zouden hebben voor zijn kwekerij. De Staat had ook kunnen kiezen voor mannelijke populieren of een andere boomsoort. De keuze voor vrouwelijke populieren was onnodig gevaarzettend.

Subsidiair stelt [eiser] dat het instandhouden van de populieren jegens hem onrechtmatig is, gelet op de aard, duur en ernst van de door hem ondervonden pluishinder. De Staat was gehouden de bomen te rooien op het moment dat [eiser] daarvan hinder begon te ondervinden.

Indien het planten en instandhouden van de populieren niet als onrechtmatig kan worden aangemerkt, is de Staat desalniettemin op grond van het beginsel van gelijkheid voor publieke lasten aansprakelijk, aangezien hij niet bereid is [eiser] financieel te compenseren.

Sedert rond 2002 veroorzaakt het pluis werkelijk schade. Die beloopt jaarlijks zo’n 15.000 tot 20.000 euro. Overschakeling naar groenteteelt is niet mogelijk, doordat het pluis aan het gewas zou blijven vastklitten, aldus [eiser].

3.3. De Staat voert gemotiveerd verweer.

4. De beoordeling

4.1. De Staat heeft terecht aangevoerd dat het planten van populieren en het nalaten deze op verzoek te rooien geen gedragingen vormen die inherent gevaarlijk zijn voor personen of zaken. Aan de criteria voor aansprakelijkheid op grond van het leerstuk van de gevaarzetting is niet voldaan. Dit laat de mogelijkheid onverlet dat de Staat aan [eiser] hinder toebrengt in een mate of op een wijze die onrechtmatig is.

4.2. De Staat betwist dat de instandhouding van de betrokken populieren onrechtmatige hinder oplevert. Dit verweer wordt hierna beoordeeld aan de hand van de daarvoor door de Hoge Raad ontwikkelde criteria. Het antwoord op de vraag of het toebrengen van hinder onrechtmatig is, is dus afhankelijk van de aard, de ernst en de duur van de hinder en de daardoor veroorzaakte schade in verband met de verdere omstandigheden van het geval, waaronder de plaatselijke omstandigheden. Daarbij moet het gewicht van de belangen die door de hinder toebrengende activiteit worden gediend, worden afgewogen tegen dat van degene die de hinder ondervindt. Ook de mogelijkheden die over en weer bestaan om met eenvoudige middelen en zonder al te hoge kosten (de schadelijke gevolgen van) hinder te voorkomen, moeten mede in aanmerking worden genomen. Wanneer degene die zich beklaagt over hinder, zich ter plaatse heeft gevestigd na het tijdstip waarop de hinder veroorzakende activiteiten een aanvang hebben genomen, zal hij een zekere mate van hinder eerder hebben te dulden dan wanneer hij daar voorheen al woonde of zijn bedrijf uitoefende.

4.3. [eiser] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij van het populierenpluis dat komt aanwaaien bij de meest voorkomende (westelijke) windrichting ernstige hinder ondervindt, gedurende zeker een maand per jaar. Die hinder kan niet worden voorkomen door het sluiten van de ramen in de daken van de kassen, want daardoor zou de binnentemperatuur te hoog oplopen, hetgeen een nadelig effect heeft op de gewassen en zaden en op de activiteit van de insecten. Voor de ventilatie bestaat geen andere financieel haalbare oplossing dan het open laten staan van de dakramen. Rijkswaterstaat had bij de laatste aanplant langs de A16 in de periode 1998-2000 kunnen kiezen voor een populier- of andere boomsoort die minder overlast geeft dan de gekozen variant, waarover door Rijkswaterstaat ter comparitie is opgemerkt dat deze juist met het oog op de pluisvorming voor woonwijken wordt ontraden.

Daar staat tegenover dat moet worden aangenomen dat er ook al vrouwelijke populieren langs de rijkswegen in de buurt van de [a-weg] stonden toen [eiser] zich in 1983 daar vestigde, nu hij het verweer van de Staat op dit punt niet heeft weersproken. De door de pluizen veroorzaakte problemen waren [eiser] in ieder geval bekend toen hij tot uitbreiding van zijn kassencomplex overging. Volgens zijn verklaring ter comparitie dateert de eerste uitbreiding namelijk van rond 2000 en is in 2007 opnieuw een kas gereed gekomen. Overwaaiende zaden zijn in agrarisch gebied bovendien een natuurlijk verschijnsel. Met de instandhouding van bomen langs wegen zijn de belangen van verkeersveiligheid en behoud van landschapsschoon gediend. De overlast doet zich slechts een beperkt deel van het jaar voor.

Een en ander betekent dat [eiser] een zekere mate van hinder zal hebben te dulden. Om te kunnen bepalen of de hinder die de pluizen toebrengen onrechtmatig is, zal [eiser] meer inzicht moeten geven in de vermogensschade die hij stelt te lijden.

4.4. De rechtbank acht op zichzelf aannemelijk dat het pluis voor [eiser] tot enige financiële schade lijdt. Die schade betreft, naar de stellingen van [eiser], arbeidskosten voor het verwijderen van opgeschoten populierenboompjes, gewasschade doordat als gevolg van aan het bijengaas hechtende pluizen een optimale ventilatie en het doordringen van zonlicht worden belemmerd, kosten van eerdere afschrijving van het bijengaas, extra schoonmaakkosten wegens explosieve algengroei in het met pluizen vervuilde bassinwater en vermogens¬schade door vermindering van economisch perspectief wegens afwezigheid van alternatieve teeltmogelijkheden. Een en ander is echter onvoldoende om te kunnen beoordelen of [eiser] meer hinder ondervindt dan hij moet dulden.

4.5. [eiser] zal nog in de gelegenheid worden gesteld zich in verband met de vraag naar de (on)rechtmatigheid van de hinder bij akte over de omvang van zijn schade uit te laten. Daartoe wordt de zaak naar de rol verwezen. [eiser] kan uiteraard bij die gelegenheid ook, indien hij een eventueel noodzakelijke schadestaatprocedure wil vermijden, zijn eis wijzigen. De Staat zal bij antwoordakte op een en ander kunnen reageren.

5. De beslissing

De rechtbank verwijst de zaak naar de rol van 26 november 2008 voor uitlating bij akte aan de zijde van [eiser] op de wijze als bedoeld onder 4.5. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.A. Koppen en in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2008