Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BG8567

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
30-10-2008
Datum publicatie
30-12-2008
Zaaknummer
AWB 08 - 32596
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Mvv-vereiste / nadere onderbouwing met vertaling van de bewijsstukken in beroep

De aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het doel “uitoefenen gezinsleven conform artikel 8 EVRM” is afgewezen. Verweerder heeft het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard omdat verzoeker niet in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van de hardheidsclausule en omdat de stelling van verzoeker dat hij dient te worden vrijgesteld van het mvv-vereiste, omdat hij partner en vader is van een gemeenschapsonderdaan niet is onderbouwd met bewijsstukken, terwijl evenmin is gebleken dat verzoeker zelf gemeenschapsonderdaan is. Verzoeker heeft stukken overgelegd met gegevens van zijn (gestelde) Bulgaarse partner en kind, te weten een kopie van het paspoort van zijn partner alsmede enige onvertaalde Bulgaarse stukken en een apostille. De voorzieningenrechter overweegt dat nu sprake is van onvertaalde kopieën, vooralsnog onvoldoende grond bestaat om te kunnen concluderen dat de stelling van verzoeker, dat hij partner en familielid is van een gemeenschapsonderdaan, juist is. Verzoeker heeft ter zitting gemotiveerd betoogd dat hij in de bodemprocedure zijn aanspraak op het gemeenschapsrecht met nadere stukken kan onderbouwen en dat hij vertalingen kan overleggen van de reeds overgelegde stukken. De ex-tunc toetsing in reguliere zaken verzet zich er niet tegen dat een in bezwaar ingenomen standpunt wordt onderbouwd in beroep. Daarbij komt nog dat verweerder in beroep zal kunnen reageren op een eventuele onderbouwing. Indien verzoeker er aldus in slaagt aan te tonen dat hij partner en vader is van een gemeenschapsonderdaan kan verweerder niet volstaan met een verwijzing naar de overweging in het bestreden besluit dat verzoekers stellingen op dit punt niet zijn onderbouwd en derhalve niet aannemelijk zijn. Aldus is niet uitgesloten dat het beroep van verzoeker een kans van slagen heeft. De gevraagde voorziening is, gelet op de betrokken belangen, getroffen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Haarlem

zaaknummer:AWB 08 / 32596

uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 oktober 2008

in de zaak van:

[verzoeker],

geboren op [geboortedatum], van Turkse nationaliteit, verblijvende op de Detentieboot te Dordrecht,

verzoeker,

gemachtigde: [gemachtigde], advocaat te Hoofddorp,

tegen:

de staatssecretaris van Justitie,

verweerder,

gemachtigde: [gemachtigde], werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te ’s-Gravenhage.

1. Procesverloop

1.1 Verzoeker heeft op 8 juli 2008 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het doel “uitoefenen gezinsleven conform artikel 8 EVRM”. Verweerder heeft de aanvraag bij besluit van 10 juli 2008 afgewezen. Verzoeker heeft tegen het besluit op 11 juli 2008 bezwaar gemaakt en een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend. Bij uitspraak van 14 augustus 2008 (kenmerk: AWB 08 / 25087) heeft de voorzieningenrechter het verzoek afgewezen. Verweerder heeft het bezwaar bij besluit van 8 september 2008 ongegrond verklaard. Verzoeker heeft tegen dit besluit op 9 september 2008 beroep ingesteld.

1.2 Verzoeker heeft op 9 september 2008 gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. Hij verzoekt verweerder te verbieden hem uit te zetten voordat de rechtbank op het beroep heeft beslist.

1.3 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 2 oktober 2008. Verzoeker is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. J. Singh, kantoorgenoot van zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1 Indien tegen een besluit beroep bij de rechtbank is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, Vreemdelingenwet 2000 (Vw) kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd worden afgewezen indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd.

2.3 Ingevolge artikel 17, eerste lid, aanhef en onder b, Vw, wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 niet afgewezen wegens het ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf indien de aanvraag een gemeenschapsonderdaan betreft. Krachtens artikel 1, aanhef en onder e, wordt, voor zover thans van belang, onder het begrip “gemeenschapsonderdaan” verstaan een onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie die op grond van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap gerechtigd is een andere lidstaat binnen te komen en er te verblijven, alsmede familieleden van zodanige personen, die de nationaliteit van een derde staat bezitten en die uit hoofde van een ter toepassing van het Verdrag tot oprichting van de Europese gemeenschap genomen besluit gerechtigd zijn een lidstaat binnen te komen en er te verblijven.

2.4 In de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) heeft verweerder beleidsregels over toepassing van deze wettelijke bepalingen vastgesteld. Paragraaf B1/4.1.1 luidt:

“(…) Een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt ingevolge artikel 17, eerste lid, Vw niet afgewezen wegens het ontbreken van een geldige mvv, indien het betreft:

(…)

b. de gemeenschapsonderdaan, (…)

Toelichting

Een gemeenschapsonderdaan heeft geen verblijfsvergunning nodig om rechtmatig in Nederland te verblijven. Een gemeenschapsonderdaan ontleent zijn verblijfsrecht immers rechtstreeks aan het gemeenschapsrecht. Ook van belang is dat de vreemdeling die niet zelf onderdaan is van een lidstaat van de EU, EER of Zwitserland, maar die wel rechtstreeks verblijfsrecht aan het gemeenschapsrecht ontleent, bijvoorbeeld als echtgeno(o)t(e), kind, partner of (schoon)ouder van een gemeenschapsonderdaan, vrijgesteld is van het mvv-vereiste (zie de definitiebepaling van gemeneschapsonderdaan in artikel 1 Vw).

(…)”

2.5 Verweerder heeft zich in het bestreden besluit, samengevat en voor zover hier van belang, op de volgende standpunten gesteld. Het bezwaar is kennelijk ongegrond. Verzoeker komt niet in aanmerking voor vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van de hardheidsclausule. De lange verblijfsduur in Nederland is een gevolg van de keuze van verzoeker om zonder geldige verblijfsvergunning hier te verblijven. De gevolgen van deze keuze komen in overwegende mate voor rekening en risico van verzoeker. Voor zover verzoeker stelt dat hij in verband met het vervullen van de dienstplicht in Turkije zal worden gearresteerd en het daardoor niet mogelijk zal zijn om in Turkije een mvv-procedure te volgen, dan wel dat daardoor zijn verblijf in Turkije van langdurige aard zal zijn, heeft verzoeker nagelaten om dit op enigerlei wijze met stukken te onderbouwen. Hetgeen verzoeker heeft aangevoerd is in samenhang onvoldoende om hem met toepassing van de hardheidsclausule vrij te stellen van het mvv-vereiste. Voorts is de stelling van verzoeker dat hij dient te worden vrijgesteld van het mvv-vereiste, omdat hij partner en vader is van een gemeenschapsonderdaan niet onderbouwd met bewijsstukken. Evenmin is gebleken dat verzoeker zelf gemeenschapsonderdaan is. Tenslotte is geen sprake van een uitzonderlijk geval, waarin de weigering verzoeker vrij te stellen van het mvv-vereiste schending oplevert van artikel 8 Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

2.6 Verzoeker heeft hier in beroep – kort samengevat en zakelijk weergegeven – het volgende tegen ingebracht. Verweerder heeft verzoeker ten onrechte niet in bezwaar gehoord en het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard. Verweerder is daarmee voorbij gegaan aan de mogelijkheid die verzoeker had om in de bezwaarfase bewijsstukken over te leggen in verband met zijn aanspraak op het gemeenschapsrecht en zijn beroep op artikel 8 EVRM in verband met de dienstplicht. Verzoeker legt thans stukken over met gegevens van zijn Bulgaarse partner en kind.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

2.7 Verzoeker heeft in de bezwaarfase naar voren gebracht dat hij in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van het gemeenschapsrecht. Hij heeft in dit kader gesteld dat zijn partner gemeenschapsonderdaan is en dat hij inmiddels met zijn partner een kind heeft gekregen, dat ook gemeenschapsonderdaan is.

2.8 In bezwaar heeft verzoeker weliswaar aangekondigd dat hij zijn stellingen op dit punt met stukken zou onderbouwen, maar hij heeft nagelaten dit daadwerkelijk te doen. In het kader van de onderhavige procedure heeft verzoeker ter onderbouwing van zijn eerder ingenomen stellingen een kopie van het paspoort van zijn gestelde Bulgaarse partner en van het kind, waarvan hij stelt de vader te zijn, overgelegd, alsmede enige onvertaalde Bulgaarse stukken en een apostille.

2.9 Nu sprake is van onvertaalde kopieën, bestaat vooralsnog onvoldoende grond om te kunnen concluderen dat de stelling van verzoeker, dat hij partner en familielid is van een gemeenschapsonderdaan, juist is. Ter zitting is van de zijde van verzoeker naar voren gebracht dat verzoeker niet eerder in de gelegenheid was om bewijsstukken te vergaren, omdat hij in bewaring zit, terwijl zijn partner hem niet kon helpen, omdat zij met het pasgeboren kind in Bugarije verbleef, het met de medische situatie van zijn kind slecht was gesteld, en de vader van verzoekers partner bovendien overleed. De (gestelde) partner en het (gestelde) kind van verzoeker waren voorts op de zitting van 2 oktober 2008 aanwezig. Van de zijde van verzoeker is ter zitting gemotiveerd betoogd dat verzoeker in de bodemprocedure zijn stellingen dat hij partner en vader is van een gemeenschapsonderdaan met nadere stukken kan onderbouwen en dat hij vertalingen kan overleggen van de reeds overgelegde stukken.

2.10 De ex-tunc toetsing in reguliere zaken verzet zich er niet tegen dat een in bezwaar ingenomen standpunt wordt onderbouwd in beroep. Daarbij komt nog dat verweerder in beroep zal kunnen reageren op een eventuele onderbouwing. Indien verzoeker er aldus in slaagt aan te tonen dat zijn stelling, dat hij partner en vader is van een gemeenschapsonderdaan, juist is, kan verweerder niet volstaan met een verwijzing naar de overweging in het bestreden besluit dat verzoekers stellingen op dit punt niet is onderbouwd en derhalve niet aannemelijk is. Aldus is niet uitgesloten dat het beroep van verzoeker een kans van slagen heeft.

2.11 Gelet op het vorenstaande is er aanleiding voor het treffen van een voorziening, nu verzoekers belang bij het achterwege blijven van gedwongen uitzetting gedurende de behandeling van het beroep groter is dan verweerders belang de voorgenomen uitzetting onmiddellijk te effectueren. De overige aangevoerde gronden behoeven geen bespreking meer.

2.12 De voorzieningenrechter zal de gevraagde voorlopige voorziening treffen. De voorzieningenrechter zal met toepassing van artikel 8:75, eerste en derde lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die verzoeker heeft gemaakt en de rechtspersoon aanwijzen die de kosten moet vergoeden. De kosten zijn ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht € 644,- (1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1).

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

3.1 wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe.

3.2 verbiedt verweerder verzoeker uit te zetten tot vier weken nadat de rechtbank uitspraak heeft gedaan op het beroep;

3.2 veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt de Staat der Nederlanden op € 644,- te betalen aan verzoeker.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.I. de Vreese, voorzieningenrechter, en op 30 oktober 2008 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. S.S. de Groot, griffier.

Afschrift verzonden op :

Coll:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.