Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BG8561

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-12-2008
Datum publicatie
30-12-2008
Zaaknummer
AWB 06/3301 BESLU
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek om registratie in de GBA van gegevens betreffende een in India gesloten huwelijk op basis van een Indiase huwelijksakte geweigerd vanwege redelijke twijfel aan de inhoudelijke juistheid van de huwelijksdatum en de aard van het huwelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

derde afdeling, enkelvoudige kamer

Reg.nr.: AWB 06/3301 BESLU

UITSPRAAK als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

In het geding tussen

[eiser], wonende te [plaats],

en

Burgemeester en Wethouders van Den Haag, verweerder.

I. Ontstaan en loop van het geding

Bij brief van 6 januari 2005 heeft eiser verweerder verzocht gegevens betreffende zijn te [plaats 2] (India) gesloten huwelijk in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (verder: GBA) te registreren op basis van een gelegaliseerde huwelijksakte.

Bij besluit van 21 juli 2005 heeft verweerder de verzochte registratie geweigerd.

Op 16 augustus 2005 heeft eiser tegen dat besluit bij verweerder bezwaar gemaakt.

Op 25 oktober 2005 is eiser, vergezeld van zijn gemachtigde, op het bezwaarschrift gehoord door de Adviescommissie bezwaarschriften (verder: de commissie). Op 1 maart 2006 heeft de commissie aan verweerder advies uitgebracht.

Bij besluit van 2 maart 2006 heeft verweerder conform het advies van de commissie het bezwaar ongegrond verklaard.

Op 4 april 2006 heeft eiser tegen dat besluit bij de rechtbank beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden, alsmede een verweerschrift, gedateerd 11 mei 2006.

Het beroep is behandeld ter zitting op 26 april 2007.

Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht, niet verschenen,

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door [...].

De rechtbank heeft ter zitting het onderzoek geschorst en bepaald dat het vooronderzoek wordt hervat. Verweerder heeft vervolgens het verificatiedossier met betrekking tot de verificatie van de huwelijksakte door het ministerie van Buitenlandse Zaken aan de rechtbank toegezonden onder de mededeling dat alleen de rechtbank van dat dossier kennis zou mogen nemen.

Bij uitspraak van 4 september 2007 heeft een andere enkelvoudige kamer van de rechtbank een beslissing als bedoeld in artikel 8:29, derde lid, van de Awb genomen betreffende de beperkte kennisneming van het verificatiedossier.

Bij brief van 10 september 2007 heeft verweerder, gelet op punt 2 van genoemde beslissing, zijn bezwaren tegen openbaarmaking van het daar genoemde laten varen.

Bij brief van 18 september 2007 heeft de rechtbank eisers gemachtigde de stukken waarvan de rechtbank de verzochte geheimhouding niet gerechtvaardigd achtte toegezonden.

Daarbij is tevens verzocht om de rechtbank toestemming te verlenen tot het doen van uitspraak mede op basis van de stukken waarvan de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is geacht.

Bij brief van 21 november 2007 heeft eisers gemachtigde de rechtbank meegedeeld dat zij zich aan de zaak onttrekt.

Bij brief van 21 januari 2008 heeft mr. [...] zich als opvolgend gemachtigde van eiser gesteld.

Bij brief van 5 februari 2008 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen kennisneming door de rechtbank van de eerder bedoelde stukken. Deze stukken zijn vervolgens aan verweerder geretourneerd.

Bij brieven van 21 en 22 juli 2008 heeft de rechtbank partijen verzocht haar toestemming te verlenen tot het doen van uitspraak zonder nadere zitting.

Eiser heeft de verzochte toestemming niet verleend.

Het beroep is opnieuw ter zitting behandeld op 19 november 2008.

Eiser en zijn echtgenote zijn in persoon verschenen, bijgestaan door mr. [...].

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door [...].

II. Motivering

1. De rechtbank moet in dit beroep beoordelen of het bestreden besluit, gelet op de daartegen aangevoerde beroepsgronden, in rechte stand kan houden.

2. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder in het bestreden besluit van 2 maart 2006 ten onrechte niet is uitgegaan van het per 1 maart 2006 gewijzigde beleid ten aanzien van de legalisatie en verificatie van buitenlandse documenten en het gebruik hiervan in de Nederlandse rechtsorde (verder: het nieuwe beleid). Thans wordt niet langer onderscheid gemaakt tussen documenten, afkomstig uit één van de voormalige probleemlanden, en die uit een ander land.

Verweerder heeft aan zijn beslissing ten onrechte de opvatting ten grondslag gelegd dat de intrekking van het zogeheten probleemlandenbeleid op het gebied van het schriftelijk bewijs niet betekent dat de betrouwbaarheid van de Indiase burgerlijke administratie en van de uit India afkomstige documenten zijn toegenomen. Deze opvatting is in strijd met een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (verder: Afdeling) van 25 januari 2006, JV 2006/80, LJN: AV0243, waarin is geoordeeld dat de "op voorhand bestaande twijfel" niet is gebaseerd op enige concrete aanwijzing dat een overgelegde en gelegaliseerde akte inhoudelijk onjuist is en dat een dergelijke algemene twijfel onvoldoende grond vormt voor een weigering om tot inschrijving van een rechtsfeit uit een gelegaliseerd document over te gaan. Verweerder heeft ten onrechte het standpunt ingenomen dat het onverantwoord zou zijn gelegaliseerde documenten uit de voormalige probleemlanden zonder voorafgaande verificatie in de Nederlandse rechtsorde te gebruiken. Verweerder heeft bovendien de minister van Buitenlandse Zaken niet om het instellen van een verificatieonderzoek verzocht teneinde de juistheid van de bestaande twijfel te onderzoeken.

Eiser meent verder dat verweerders weigering strijdig is met artikel 26 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (Verder: IVBPR). Dat artikel garandeert eenieder zonder discriminatie aanspraak op bescherming door de wet.

Eiser heeft zich verder beroepen op het registreren van de geboortedata 1 januari en 1 juli in de GBA als benadering van de werkelijke geboortedatum van uit Turkije en Marokko afkomstige vreemdelingen. Die registraties, hoewel feitelijk onjuist, worden niet beschouwd als in strijd met de openbare orde.

De Indiase registrar heeft bij de registratie van het huwelijk van eiser een fout gemaakt door dat huwelijk ten onrechte in het register van de Hindu Marriage Act op te nemen, terwijl het huwelijk is gesloten onder de Special Marriage Act 1954. De bevoegde registrar is echter niet bereid gebleken deze fout in de registratie van eisers huwelijk te herstellen. Verder is hij niet bereid enige verklaring op te stellen over de gemaakte fout, zodat eiser in bewijsnood is komen te verkeren. Nu verweerder niet twijfelt aan het bestaan van het huwelijk, maar alleen de registratie daarvan in India tot twijfel aanleiding geeft, die eiser vanwege zijn bewijsnood niet kan wegnemen, had verweerder onder het nieuwe beleid tot registratie moeten overgaan. Van de ambtenaar van de burgerlijke stand mag een actieve opstelling worden verwacht; correctie van een huwelijksdatum in de burgerlijke stand is een vaker voorkomend verschijnsel.

Verweerder heeft ten onrechte aan de overgelegde verklaring van een Indiase advocaat geen betekenis toegekend.

Tenslotte heeft eiser aangevoerd dat hij grote problemen ondervindt doordat zijn huwelijk in Nederland niet officieel is geregistreerd. Hij overweegt een scheiding van en een opvolgend nieuw huwelijk met zijn echtgenote om het huidige probleem op te lossen.

3. Verweerder heeft bij het bestreden besluit het primaire besluit van 21 juli 2005 gehandhaafd. Aan laatstgenoemd besluit is ten grondslag gelegd dat uit eerder verificatie- onderzoek is gebleken dat gerede twijfel bestaat omtrent de juistheid van de inhoud van voornoemde huwelijksakte. Gebleken is dat eiser en [A] niet op [datum] 2000 zijn gehuwd. Nu ernstige twijfel bestaat aan de inhoudelijke juistheid van de overgelegde huwelijksakte, kan daaraan geen bewijskracht worden toegekend en kan deze akte niet dienen als brondocument voor de GBA. Gelet op artikel 83, aanhef en onder b, van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (verder: Wet GBA) is de registratie van voornoemd huwelijk geweigerd.

4. Ingevolge artikel 34, eerste lid, aanhef en onder a, sub 1°, van de Wet GBA worden in de basisadministratie van de gemeente van inschrijving over de ingeschrevene gegevens over de burgerlijke staat opgenomen.

In artikel 36, tweede lid, van de Wet GBA is bepaald dat de gegevens over de burgerlijke staat, indien zij feiten betreffen die zich buiten Nederland hebben voorgedaan, worden ontleend aan een geschrift als bedoeld onder a, bij gebreke hiervan aan een geschrift onder b of c, bij gebreke hiervan aan een geschrift als bedoeld onder d en bij gebreke ten slotte ook hiervan aan een geschrift als bedoeld onder e:

a. een akte over het desbetreffende feit, die is opgenomen in de registers van de Nederlandse burgerlijke stand;

b. een in Nederland gedane rechterlijke uitspraak over het desbetreffende feit die in kracht van gewijsde is gegaan;

c. een buiten Nederland overeenkomstig de plaatselijk voorschriften door een bevoegde instantie opgemaakte akte die ten doel heeft tot bewijs te dienen van het desbetreffende feit, of een over dat feit gedane rechterlijke uitspraak, of bij gebreke daarvan een akte van bekendheid of beëdigde verklaring, bedoeld in artikel 45 van Boek I van het Burgerlijk Wetboek;

d. een geschrift dat overeenkomstig de plaatselijke voorschriften is opgemaakt door een bevoegde instantie, waarin het desbetreffende feit is vermeld;

e. een verklaring die betrokkene ten overstaan van een door het college van burgemeester en wethouders aangewezen ambtenaar onder eed of belofte heeft afgelegd, die op schrift is gesteld en door betrokkene is ondertekend.

Artikel 37, tweede lid, van de Wet GBA, voor zover hier van belang, bepaalt dat aan een geschrift als bedoeld in artikel 36, tweede lid, onder c, d of e, geen gegevens worden ontleend, voor zover de Nederlandse openbare orde zich verzet tegen de erkenning van de rechtsgeldigheid van de in deze geschriften vermelde feiten.

In artikel 37, derde lid, van de Wet GBA is bepaald dat aan een geschrift als bedoeld in artikel 36, tweede lid, onder d en e, geen gegevens worden ontleend, indien aannemelijk is dat de gegevens onjuist zijn.

Ingevolge artikel 82, eerste lid, van de Wet GBA voldoet het college van burgemeester en wethouders binnen vier weken kosteloos aan het verzoek van betrokkene hem betreffende gegevens in de basisadministratie te verbeteren, aan te vullen of te verwijderen, indien deze feitelijk onjuist dan wel onvolledig zijn of in strijd met een wettelijk voorschrift worden verwerkt. Het verzoek bevat de aan te brengen wijzigingen.

Artikel 82, tweede lid, van de Wet GBA bepaalt dat het college van burgemeester en wethouders aan het verzoek uitvoering geeft met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de eerste afdeling van hoofdstuk 2 van de Wet GBA (onder meer de artikelen 36 en 37).

Voorts is in artikel 83, aanhef en onder b, van de Wet GBA bepaald dat een beslissing van het college van burgemeester en wethouders om een gegeven over de burgerlijke staat niet op te nemen, dan wel een geschrift daarover dat als akte is aangeboden niet als zodanig aan te merken wordt gelijkgesteld met een besluit in de zin van de Awb.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

5.1 De wettelijke regeling in de Wet GBA dient ertoe te waarborgen dat aan buitenlandse aktes ontleende gegevens alleen dan worden opgenomen, indien geen twijfel bestaat aan de inhoudelijke juistheid van die gegevens. De wetgever heeft de bedoeling gehad te voorkomen dat gegevens, over de juistheid waarvan gerede twijfel bestaat, in de Nederlandse rechtsorde een rol gaan spelen. De juistheid van de gegevens in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens dient naar vermogen vast te staan, zodat in het rechtsverkeer daarop kan worden afgegaan. Het aangehaalde wettelijk kader bevat een aantal bepalingen die er toe leiden dat de GBA-ambtenaar onderzoekt of de gegevens uit een ter registratie aan hem voorgelegde buitenlandse akte voor registratie in de GBA in aanmerking komen. Indien twijfel bestaat aan de inhoudelijke juistheid van gegevens in een buitenlandse akte, dient nader onderzoek plaats te vinden teneinde na te gaan of de bestaande twijfel gerechtvaardigd is. Dergelijk onderzoek vindt plaats door de Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging in het land waaruit het document afkomstig is, waarbij de GBA-ambtenaar dient aan te geven op welke feiten het onderzoek zich dient te richten.

5.2 India behoorde tot de zogeheten probleemlanden op het gebied van het schriftelijk bewijs. Onder invloed van jurisprudentie van de Afdeling is het zogeheten probleemlanden-beleid met ingang van 1 november 2004 beëindigd (Stcrt. 2004, 217). Dat beleid hield in dat de minister van Buitenlandse Zaken eerst tot legalisatie van documenten uit één van de probleemlanden overging nadat bij een verificatieonderzoek de inhoudelijke juistheid van de gegevens in die documenten was komen vast te staan door bevestiging uit onafhankelijke bronnen. Sedert de intrekking van dat beleid, die niet is gebaseerd op een verbetering van de kwaliteit van documenten uit de voormalige probleemlanden, vindt legalisatie plaats zonder inhoudelijke verificatie. Legalisatie geldt thans slechts als bevestiging van de formele echtheid van een document en biedt geen uitsluitsel omtrent de juistheid van de inhoud van dat document. Ook de thans in geding zijnde huwelijksakte is op 27 december 2004 zonder verificatie gelegaliseerd.

In twee uitspraken van de Afdeling van 8 september 2004, LJN: AQ9959 en AQ9960, is beslist dat legalisatie en verificatie van buitenlandse documenten geen op rechtsgevolg gerichte besluiten zijn, maar een ondersteunende rol vervullen ten behoeve van de oordeels- en besluitvorming door de daartoe bevoegde instanties in het kader van de uiteenlopende procedures waarin de documenten als bewijsstuk moeten worden overgelegd.

5.3 Door eiser, die de Nederlandse nationaliteit heeft, is een Indiase huwelijksakte overgelegd ten bewijze van zijn op [datum] 2000 gesloten huwelijk met [A]. Het betreft een uittreksel uit het Hindu Marriage Register, waarin op 21 januari 2000 het huwelijk van eiser is geregistreerd.

Eiser heeft ten tijde van het probleemlandenbeleid de minister van Buitenlandse Zaken verzocht over te gaan tot legalisatie van deze huwelijksakte. Destijds vond legalisatie eerst plaats na een verificatieonderzoek, waarbij de inhoudelijke juistheid van de akte uit onafhankelijke bron was bevestigd. Daartoe heeft genoemde minister in 2001 een verificatieonderzoek laten instellen. De Nederlandse ambassade te New Delhi heeft desgevraagd bij brief van 7 november 2005 het verificatiedossier betreffende dat onderzoek aan verweerder ter beschikking gesteld. Dat dossier bevindt zich niet bij de gedingstukken, nu eiser de rechtbank toestemming heeft onthouden om als enige van de vertrouwelijke passages daarin kennis te nemen. Het dossier is daarop aan verweerder geretourneerd. De rechtbank kan zich daardoor bij haar oordeelsvorming slechts baseren op de citaten van verweerders gemachtigde ter zitting op 26 april 2007 en op de passages waarvan de geheimhouding bij beslissing van deze rechtbank van 4 september 2007 niet gerechtvaardigd is geoordeeld. Uit de bij de beoordeling betrokken stukken komt naar voren dat de echtgenote van eiser en eisers vader tegenover de onderzoeker hebben verklaard dat het huwelijk is voltrokken volgens "Sikh rites" op [datum] 2000 te [plaats 2]. Uit een ontvangstbewijs van de Sikh-tempel blijkt echter dat er een honorarium is betaald voor een huwelijksvoltrekking op[datum 2] 2000. Geconfronteerd met deze bevindingen heeft eisers echtgenote met tegenzin toegegeven dat de informatie van de Sikh-tempel correct was en dat op [datum] 2000 alleen de ringceremonie had plaatsgevonden. De conclusie van de onderzoeker was dat de daadwerkelijke huwelijksdatum [datum 2] 2000 is en dat eiser en [A] zijn gehuwd in de Sikh-tempel volgens "Sikh rites".

Deze bevindingen komen niet overeen met de verklaring van eiser dat het huwelijk is gesloten op [datum] 2000 in een hotel, dat het een court marriage betrof onder de Special Marriage Act 1954 en dat ten onrechte registratie in het Hindu Marriage Register heeft plaatsgevonden.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder uit de voorgaande gegevens op goede gronden de conclusie getrokken dat de huwelijksdatum en de aard van het huwelijk niet buiten twijfel vaststaan, zodat de door eiser overgelegde huwelijksakte niet als brondocument kon worden gebruikt. Registratie van het huwelijk en de huwelijksdatum in de GBA is dan ook terecht op die grond geweigerd.

5.4 Eisers stelling dat verweerder niet heeft mogen afgaan op gegevens uit het verificatie-rapport, omdat het bestreden besluit dateert van 2 maart 2006 en dus onder het nieuwe beleid is genomen wordt verworpen.

Verweerder heeft er terecht op gewezen dat het nieuwe beleid ten aanzien van de bewijs- kracht van buitenlandse documenten is uitgewerkt in een besluit van de minister van Buitenlandse Zaken van 3 april 2006 en in een circulaire van de minister van Justitie van

2 mei 2006 aan de ambtenaren van de burgerlijke stand en van de GBA. Beide stukken zijn gepubliceerd in de Staatscourant van 10 mei 2006, nr. 91 en zijn in werking getreden met ingang van 12 mei 2006 onderscheidenlijk 15 mei 2006. Verweerder heeft daarom het bestreden besluit nog mogen baseren op het oude beleid en op de bevindingen van het onder dat beleid verrichte verificatieonderzoek.

De rechtbank laat overigens in het midden of besluitvorming onder het nieuwe beleid tot een ander resultaat zou hebben geleid. Verweerder was immers bekend met het verificatie-rapport, zodat gerede twijfel aan de juistheid van de gegevens in de huwelijksakte bestond en gesteld noch gebleken is dat nader verificatieonderzoek op verzoek van verweerder tot andere bevindingen zou hebben geleid.

5.5 Van strijd met artikel 26 IVBPR is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake, nu verweerder niet discriminatoir heeft gehandeld door registratie van eisers huwelijk in de GBA te weigeren. Deze weigering is immers gebaseerd op gerede twijfel, gebaseerd op de bevindingen van het eerder verrichte verificatieonderzoek. Eiser kan in redelijkheid niet van verweerder vergen dat deze overgaat tot de verzochte registratie van zijn huwelijk, nu over de inhoudelijke juistheid van de huwelijksakte gerede twijfel bestaat, zodat die akte niet als brondocument kan dienen. De omstandigheid dat de bevoegde registrar niet bereid was tot correctie van de akte of tot het afleggen van een verklaring leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel.

5.6 Tenslotte overweegt de rechtbank dat verweerder op goede gronden is voorbijgegaan aan de verklaring van [...], advocaat te [plaats 2] (India), van 1 juli 2004. De gegevens in die verklaring lijken te zijn ontleend aan de door eiser overgelegde huwelijksakte en voegen geen nieuw bewijs toe met betrekking tot de juistheid van de huwelijksdatum.

5.7 Gelet op de voorgaande overwegingen moet het beroep ongegrond worden verklaard.

6. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. Beslissing

De Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. J.W. Sentrop en in het openbaar uitgesproken op

19 december 2008, in tegenwoordigheid van de griffier mr. B.J. Platenburg.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.