Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BG8549

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-12-2008
Datum publicatie
30-12-2008
Zaaknummer
AWB 08 - 34980
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

SGC / reisdoel en doorreis niet aannemelijk

Aan eiser, afkomstig uit China, is de toegang tot Nederland geweigerd omdat hij zijn reisdoel in Brazilië niet aannemelijk heeft gemaakt. Voor de toepasselijkheid van de SGC is geen randvoorwaarde dat een persoon nadrukkelijk om toegang tot het Schengengebied heeft verzocht. Wanneer bij gerechtvaardigd onderzoek van transitpassagiers op de luchthaven twijfel ontstaat of de vreemdeling op doorreis is naar een derde land of wellicht (clandestien) toegang tot het Schengengebied beoogt, is verweerder op grond van door de SGC opgelegde grensbewaking van het Schengengebied gehouden om dit nader te onderzoeken. In het kader van zo’n nader onderzoek mogen er vragen over het reisdoel in het derde land worden gesteld. Voorts mag, wanneer het reisdoel en daarmee tevens de doorreis niet aannemelijk is, aan de vreemdeling die niet voldoet aan (één van) de objectieve vereisten voor toegang tot het Schengengebied zoals gespecificeerd in artikel 5 van de SGC, de toegang worden geweigerd. Nu eiser niet in het bezit is van een geldig visum voor de betreding van het Schengengebied, heeft verweerder op grond van artikel 5, eerste lid, onder b, SGC aan eiser de toegang mogen weigeren. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit, maar laat de rechtsgevolgen in stand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Haarlem

zaaknummer: AWB 08 / 34980

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 22 december 2008

in de zaak van:

[eiser],

geboren op [geboortedatum], van Chinese nationaliteit,

eiser,

gemachtigde: [gemachtigde], advocaat te Haarlem,

tegen:

de staatssecretaris van Justitie,

verweerder,

gemachtigde: [gemachtigde], werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te ’s-Gravenhage.

1. Procesverloop

1.1 De ambtenaar belast met de grensbewaking heeft op 30 april 2008 aan eiser op grond van artikel 13, juncto artikel 5 van Verordening (EG) nr. 562/2006, hierna te noemen: de Schengengrenscode (SGC) de toegang tot Nederland geweigerd. Hiertegen is namens eiser op 15 mei 2008 administratief beroep ingesteld bij verweerder. Bij besluit van 29 september 2008 heeft verweerder het administratief beroep ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft eiser op 29 september 2008 beroep ingesteld.

1.2 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 11 november 2008. Eiser is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1 In beroep toetst de rechtbank het bestreden besluit aan de hand van de voorgedragen beroepsgronden op rechtmatigheid en ambtshalve aan voorschriften van openbare orde.

2.2 Ingevolge artikel 13, eerste lid, SGC wordt de toegang tot het grondgebied van de lidstaten geweigerd aan de onderdaan van een derde land, indien hij niet aan alle in artikel 5, eerste lid, SGC vermelde toegangsvoorwaarden voldoet en niet tot de in artikel 5, vierde lid, SGC genoemde categorieën personen behoort. Dit laat de toepassing van de bijzondere bepalingen inzake asielrecht en internationale bescherming of inzake afgifte van een visum voor een verblijf van langere duur onverlet.

2.3 Ingevolge het tweede lid van artikel 13 SGC kan de toegang alleen worden geweigerd in een met redenen omklede beslissing waarin de precieze weigeringsgronden worden genoemd. De beslissing wordt genomen door een naar nationaal recht bevoegde instantie. Zij is onmiddellijk van toepassing. De met redenen omklede beslissing waarin de precieze weigeringsgronden worden genoemd, wordt meegedeeld door middel van het standaardformulier in bijlage V, deel B, dat wordt ingevuld door de naar nationaal recht voor de weigering van toegang bevoegde autoriteit. Het ingevulde standaardformulier wordt verstrekt aan de betrokken onderdaan van een derde land, die met behulp van dit formulier de ontvangst van de beslissing tot weigering van toegang bevestigt.

2.4 In het derde lid van artikel 13 SGC is neergelegd dat personen die de toegang wordt geweigerd, het recht hebben daartegen beroep in te stellen. Het beroep wordt ingesteld overeenkomstig de nationale wetgeving. De onderdaan van een derde land ontvangt tevens schriftelijke informatie over contactpunten die informatie kunnen verschaffen over wettelijke vertegenwoordigers die namens de betrokkene in overeenstemming met de nationale wetgeving kunnen optreden.

2.5 In artikel 5, eerste lid, SGC zijn voor onderdanen van derde landen de volgende toegangsvoorwaarden, voor zover hier van belang, neergelegd, die gelden voor een verblijf van ten hoogste drie maanden per periode van zes maanden:

a. in het bezit zijn van één of meer geldige reisdocumenten of documenten die recht geven op grensoverschrijding;

b. indien vereist op grond van Verordening (EG) nr. 539/2001 van de Raad van 15 maart 2001 tot vaststelling van de lijst van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum en de lijst van derde landen waarvan de onderdanen van die plicht zijn vrijgesteld, in het bezit zijn van een geldig visum, behalve indien zij houder zijn van een geldige verblijfsvergunning;

c. het doel van het voorgenomen verblijf en de verblijfsomstandigheden kunnen staven, alsmede beschikken over voldoende middelen van bestaan, zowel voor de duur van het voorgenomen verblijf als voor de terugreis naar het land van herkomst of voor de doorreis naar een derde land, waar de toegang is gewaarborgd, dan wel in staat zijn deze middelen te verwerven;

d. niet met het oog op weigering van toegang in het SIS gesignaleerd zijn;

e. niet worden beschouwd als een bedreiging van de openbare orde, de binnenlandse veiligheid, de volksgezondheid of de internationale betrekkingen van één van de lidstaten, en met name niet om dezelfde redenen met het oog op weigering van toegang gesignaleerd staan in de nationale databanken van de lidstaten.

2.6 Ingevolge het vierde lid, aanhef en onder a, van artikel 5 SGC wordt, in afwijking van het eerste lid, onderdanen van derde landen die niet aan alle in het eerste lid bedoelde voorwaarden voor binnenkomst voldoen maar houder zijn van een door een lidstaat afgegeven verblijfstitel of terugkeervisum, dan wel, indien dit vereist is, van deze beide documenten, toegang met het oog op doorreis tot het grondgebied van de overige lidstaten verleend, zodat zij het grondgebied van de lidstaat kunnen bereiken die hun de verblijfstitel of het terugkeervisum heeft verstrekt, tenzij zij op de nationale signaleringslijst staan van de lidstaat waarvan zij de buitengrenzen willen overschrijden, met vermelding van de te nemen maatregelen die de binnenkomst of doorreis verhinderen.

2.7 Ingevolge artikel 6, eerste lid, SGC oefenen de grenswachters hun taken uit met een volledige eerbiediging van de menselijke waardigheid. De in de uitoefening van hun taken genomen maatregelen staan in verhouding tot de door die maatregelen beoogde doelstellingen.

2.8 De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten. Op 30 april 2008 is aan eiser de toegang tot het Schengengebied geweigerd op grond van de artikelen 5 en 13 van de SGC. Aan eiser is aansluitend een vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 6, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd met als plaatsaanduiding de internationale lounge van de luchthaven Schiphol. Eiser is op 8 mei 2008 uitgereisd naar Hong Kong, China, waardoor de vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 6, eerste lid, Vw is opgeheven.

2.9 Verweerder heeft zich in het bestreden besluit, samengevat en voor zover hier van belang, op het volgende standpunt gesteld. Ter voorkoming van illegale inreis in de Schengenlanden dient de vreemdeling het reisdoel buiten de Schengenlanden aannemelijk te maken. Aangezien eiser niet in het bezit was van de passende documentatie, waaruit het doel en de omstandigheden van zijn verblijf in Brazilië bleken, en gelet op de verklaringen van eiser, is door de Koninklijke Marechaussee (Kmar) geconcludeerd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt op doorreis naar Brazilië te zijn en is besloten om hem de toegang tot Nederland te weigeren. Eiser wordt niet gevolgd in zijn stelling dat hem de toegang niet kan worden geweigerd omdat hij slechts in transit was naar Brazilië en niet om toegang tot het Schengengebied heeft gevraagd. Reizigers mogen worden gecontroleerd op of nabij grensdoorlaatposten. Een luchthaven wordt in zijn geheel beschouwd als grensdoorlaatpost. Daaruit volgt dat de Kmar bevoegd is gatecontroles uit te voeren. In casu was er een gerechtvaardigde aanleiding voor de gatecontrole waarbij eiser is gecontroleerd, zoals verwoord in het schrijven van 5 juni 2002 van de Sectie Operatiën Grensbewaking Bureau Info en Analyse.

2.10 Eiser heeft hiertegen in beroep, samengevat weergegeven, het volgende aangevoerd. Het feit dat eiser, die in bezit was van een geldig visum voor Brazilië en een geldig Chinees paspoort, in transit is gecontroleerd op doel en duur van zijn verblijf in Brazilië, is onrechtmatig. Noch uit de SGC noch uit de overige regelgeving valt af te leiden dat de Kmar op de luchthaven Schiphol bevoegd is de (Schengen)buitengrens te bewaken voor Brazilië. Hoewel de Kmar bevoegd is om grenscontroles uit te voeren zolang de vreemdeling zich op of nabij een grensdoorlaatpost bevindt, dient er, zo blijkt onder meer uit de paragrafen A2/4.1, A2/5.2.2 en A2/6.2.6 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) een relatie te bestaan met de inreis in of de uitreis uit Nederland. Deze relatie bestond niet, omdat eiser slechts op doorreis was en niet om toegang heeft verzocht. Subsidiair blijkt niet uit het dossier dat eiser een gevaar is voor de openbare orde. Het enkele feit dat eiser zou vallen onder een bepaalde categorie vreemdelingen, genoemd in analytische gegevens van de Kmar uit 2002, is daarvoor onvoldoende. Het betreft immers slechts een aanname, welke nog niet is bewezen.

2.11 Niet in geschil is dat de Kmar eiser aan de gate mocht controleren in het kader van grenstoezicht.

2.12 In geschil is of de toegangsweigering op juiste gronden berust, nu aan eiser de toegang is geweigerd omdat hij zijn reisdoel in Brazilië niet aannemelijk heeft gemaakt.

2.13 Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat de vragen met betrekking tot het (gestelde beoogde) verblijf in Brazilië, er niet op waren gericht om de buitengrenzen van Brazilië te bewaken, maar uitsluitend tot doel hadden om illegale inreis in het Schengengebied te voorkomen. Gelet op het profiel van eiser, waaronder zijn land van herkomst, zijn visum dat in Suriname is afgegeven, zijn jonge reisgenote en de onduidelijkheden over eisers bagage, is op grond van de (niet-openbare) geactualiseerde analyse van de Sectie Operatiën Grensbewaking Bureau Info en Analyse van 15 september 2008 en de jarenlange ervaring van medewerkers van de Kmar twijfel ontstaan of eiser daadwerkelijk naar Brazilië door wilde reizen of dat hij zich gedurende of opvolgende aan zijn reis illegaal de toegang tot het Schengengebied zou (trachten te) verschaffen. De ervaring leert namelijk dat personen in transit zich op de luchthaven of in het vliegtuig kunnen ontdoen van hun paspoort, waardoor zij niet kunnen vertrekken naar een derde land of van daaruit worden teruggestuurd. Dat eiser in het bezit was van de benodigde documenten voor de doorreis heeft de twijfel aan de doorreis daarom niet weg kunnen nemen. Voorts is het niet mogelijk om in dergelijke gevallen minder ingrijpende maatregelen te nemen, zoals het kopiëren van het paspoort van de vreemdeling, het nemen van zijn vingerafdrukken en/of begeleiding tot aan het vliegtuig, omdat in het verleden is gebleken dat met dergelijke maatregelen niet wordt voorkomen dat personen het Schengengebied betreden zonder daartoe gerechtigd te zijn. Derhalve was de Kmar bevoegd om door te vragen naar eisers verblijfsdoel in Brazilië.

2.14 De rechtbank oordeelt dat verweerder het in redelijkheid niet aannemelijk heeft kunnen achten dat verzoeker daadwerkelijk van plan was om naar Brazilië te reizen en daar te verblijven. Daartoe is het volgende redengevend.

2.15 Voor de toepasselijkheid van de SGC is geen randvoorwaarde dat een persoon nadrukkelijk om toegang tot het Schengengebied heeft verzocht. Wanneer bij gerechtvaardigd onderzoek van transitpassagiers op de luchthaven twijfel ontstaat of de vreemdeling op doorreis is naar een derde land of wellicht (clandestien) toegang tot het Schengengebied beoogt, is verweerder op grond van door de SGC opgelegde grensbewaking van het Schengengebied gehouden om dit nader te onderzoeken. In het kader van zo’n nader onderzoek mogen er vragen over het reisdoel in het derde land worden gesteld. Voorts mag, wanneer het reisdoel en daarmee tevens de doorreis niet aannemelijk is, aan de vreemdeling die niet voldoet aan (één van) de objectieve vereisten voor toegang tot het Schengengebied zoals gespecificeerd in artikel 5 van de SGC, de toegang worden geweigerd.

2.16 De rechtbank is van oordeel dat bij de Kmar bij de gerechtvaardigde controle in redelijkheid twijfel heeft kunnen ontstaan of eiser wel van plan was om naar Brazilië te reizen, zulks gelet op de verkregen informatie in het licht van het document waarnaar verweerder in het bestreden besluit heeft verwezen en dat ter zitting nog nader is toegelicht. In dit verband acht de rechtbank het niet disproportioneel dat de Kmar verzoeker en zijn reisgenote heeft doorgevraagd naar hun reisdoel in Brazilië.

2.17 Gelet op de verklaringen van eiser heeft verweerder zich vervolgens in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat niet aannemelijk is dat eiser daadwerkelijk van plan was om door te reizen naar Brazilië om daar te verblijven. Verweerder heeft in dit verband met name van belang kunnen achten dat eiser heeft verklaard een jeugdvriend in Brazilië te gaan bezoeken, terwijl hij niet in staat was om het adres en telefoonnummer van die vriend te verstrekken. Tevens heeft verweerder van belang kunnen achten dat eiser en zijn jeugdige reisgenote wisselende verklaringen hebben afgelegd over het reisdoel van de reisgenote. Eiser verklaarde immers dat hij het meisje naar haar tante in Brazilië, een nicht van zijn echtgenote, begeleidde terwijl het meisje aangaf dat zij onderweg was naar haar nicht, een zus van de echtgenote van eiser. Noch in de gronden van het administratieve beroep, noch in de beroep heeft eiser hiervoor een verklaring gegeven.

2.18 Nu gesteld noch gebleken is dat eiser in het bezit is van een geldig visum voor de betreding van het Schengengebied, is de rechtbank van oordeel dat verweerder op grond van artikel 5, eerste lid, onder b, SGC aan eiser de toegang heeft mogen weigeren.

2.19 In het bestreden besluit en in de daarin ingelaste toegangsweigering is voormelde grond echter niet expliciet aan de toegangsweigering ten grondslag gelegd. De motivering van de toegangsweigering lijkt te verwijzen naar artikel 5, eerste lid, onder c, SGC, terwijl nergens uit valt op te maken dat bij de toegangsweigering een rol heeft gespeeld dat eiser niet over onvoldoende bestaansmiddelen zou beschikken. Aan het bestreden besluit kleeft zodoende een motiveringsgebrek, temeer nu de door verweerder ter zitting gegeven toelichting zoals weergegeven onder 2.13, onvoldoende weerslag heeft gevonden in het bestreden besluit.

2.20 De rechtbank zal daarom het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Nu de rechtbank evenwel van oordeel is dat verweerder aan eiser de toegang heeft mogen weigeren, zal de rechtbank met toepassing van artikel 8:72, derde lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven.

2.21 Dat eiser heeft aangevoerd dat niet is gebleken dat hij een gevaar voor de openbare orde vormt, leidt niet tot een ander oordeel. Verweerder heeft dit niet (impliciet) aan de toegangsweigering ten grondslag gelegd, zodat deze grond relevantie mist.

2.22 De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:75, eerste en derde lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die eiser heeft gemaakt en de Staat der Nederlanden als rechtspersoon aanwijzen die de kosten moet vergoeden. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 644,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1).

2.23 De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:74, eerste lid, Awb de Staat der Nederlanden aanwijzen als rechtspersoon die het betaalde griffierecht vergoedt.

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt het bestreden besluit;

3.3 bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

3.4 veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt de Staat der Nederlanden op € 644,- te betalen aan eiser.

3.5 draagt de Staat der Nederlanden op € 145,- te betalen aan eiser als vergoeding voor het betaalde griffierecht.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F. Miedema, rechter, en op 22 december 2008 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. S.S. de Groot, griffier.

Afschrift verzonden op:

Coll:

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC, ’s-Gravenhage. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak.