Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BG8391

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
24-12-2008
Datum publicatie
29-12-2008
Zaaknummer
09/753583-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich bezig gehouden met de handel in cocaïne. Daarnaast heeft verdachte een hoeveelheid van ruim 35 gram cocaïne en bijna 2 gram heroïne aanwezig gehad. Verdachte is al meermalen veroordeeld wegens handel in heroïne en cocaïne en heling. Een en ander lijkt het gevolg te zijn van zijn eigen verslaving aan verdovende middelen. Hij is inmiddels clean; hij gebruikt ook geen methadon meer en is zeer gemotiveerd om een behandeling te ondergaan. Hoewel te hopen valt dat verdachte er daadwerkelijk in slaagt een einde te maken aan zijn langdurige verslaving, ziet de rechtbank geen aanleiding tot het opleggen van een deels voorwaardelijke gevangenisstraf. Zo verdachte gemotiveerd blijft om daadwerkelijk zijn verslavingsproblematiek aan te pakken, dan kan begeleiding daarvan geschieden in het kader van de voorwaardelijke invrijheidsstelling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer 09/753583-08

Datum uitspraak: 24 december 2008

(Verkort vonnis)

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting Haaglanden, P.C.S. Unit 2, te 's-Gravenhage.

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 29 september 2008, 2 oktober 2008 en 11 december 2008.

De verdachte, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr Van de Laak, advocaat te Lisse, is ter terechtzitting van 11 december 2008 verschenen en gehoord.

De officier van justitie mr Coenen heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het hem ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

Voorts heeft zij de teruggave aan de verdachte gevorderd van de op de beslaglijst vermelde goederen onder de nummers 30 en 102, alsmede van een digitaal fototoestel van het merk Pentax.

De tenlastelegging.

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A.

Vrijspraak.

De rechtbank acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte bij dagvaarding onder 3 is ten laste gelegd, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt daartoe dat uit de inhoud van het dossier niet blijkt dat de in de woning aan de [adres] te Leiden aangetroffen 50 gram poeder, daadwerkelijk Manitol of een ander versnijdingsmiddel betreft, terwijl de eveneens aangetroffen weegschaal en het verpakkingsmateriaal ook voor andere doeleinden kunnen zijn gebruikt dan het voorbereiden van de in de tenlastelegging genoemde gedragingen.

Verweer met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde.

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat in het dossier ook onvoldoende bewijs aanwezig is voor de handel in verdovende middelen, zodat vrijspraak dient te volgen. Voor zover getuigen hierover verklaren, zijn hun verklaringen onbetrouwbaar en overigens onbruikbaar nu niet duidelijk is over welke periode zij verklaren.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Meerdere getuigen hebben verklaard van verdachte in de ten laste gelegde periode cocaïne te hebben gekocht. De gehoorde getuigen zijn, zonder uitzondering, gebruikers van harddrugs en het is een feit van algemene bekendheid dat verklaringen van dergelijke getuigen onduidelijkheden bevatten waar het gaat om precieze data en tijdstippen. Dit betekent echter niet dat die verklaringen onbetrouwbaar en onbruikbaar voor het bewijs zouden moeten zijn. Omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten leiden, zijn niet gebleken. Het is verder op zichzelf juist dat de getuige [A] tegenover de rechter-commissaris heeft ontkend dat zij tegenover de politie heeft verklaard dat verdachte dealde. Desondanks acht de rechtbank laatstgenoemde verklaring bruikbaar voor het bewijs nu deze door andere getuigenverklaringen wordt bevestigd.

Verweer met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde.

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte niet wist dat het roze tasje dat zich in zijn auto bevonden, harddrugs bevatte. De mogelijkheid bestaat dat deze drugs van medeverdachte [X], die toen de auto bestuurde, afkomstig waren. Er zijn geen aanwijzingen dat de aangetroffen heroïne en cocaïne van verdachte waren, zodat het opzet van verdachte op het aanwezig hebben van die verdovende middelen niet kan worden bewezen.

De rechtbank verwerpt ook dit verweer. Alvorens de politie is overgegaan tot aanhouding van verdachte hebben zij de auto waarin verdachte en zijn mededader reden, korte tijd gevolgd. Gebleken is dat verdachte toen op de bijrijderstoel zat, terwijl de medeverdachte de auto bestuurde. Het roze tasje met harddrugs werd ten tijde van de aanhouding door de politie aangetroffen op de grond vóór de bijrijderstoel. Hierin zaten twee zakjes gevuld met cocaïne en een zakje gevuld met heroïne. De hoeveelheid was dusdanig, aldus het procesverbaal van bevindingen, dat het roze plastic zakje niet dicht kon. Verbalisant [verbalisant] relateert verder dat hij, zonder het roze tasje te hoeven openen, de harddrugs (wit en bruin poeder) direct zag zitten in de plastic zakjes. Volgens de eigen verklaring van verdachte had hij even tevoren met zijn medeverdachte in de auto "zitten gebruiken". Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat verdachte wist dat er in het roze tasje dat aan zijn voeten stond, verdovende middelen zaten en kan in het midden blijven of die van hem dan wel zijn mededader afkomstig waren. Dat zijn medeverdachte dit tasje, na de aanhouding door de politie en op het moment dat verdachte al uit de auto was, voor de stoel van verdachte zou hebben neergezet, komt de rechtbank vergezocht en om die reden niet aannemelijk voor.

Verweer met betrekking tot het onder 4 ten laste gelegde

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat verdachte niet woonde in de woning aan de [adres] te Leiden; hij overnachtte daar wel en liet er ook zijn spullen achter. De woning was verder een gebruikerspand is waar het een komen en gaan was van verslaafden. Ook ten aanzien van deze verdenking dient vrijspraak te volgen, aldus de raadsvrouw.

Ook dit verweer slaagt niet. Door de getuigen [B] en [A] is verklaard dat verdachte vanaf mei 2008 de woning aan de [adres] bewoonde. Deze verklaringen sluiten aan bij hetgeen ter gelegenheid van de huiszoeking in het pand is gebleken. Niet alleen zijn toen bescheiden aangetroffen, waaronder kentekenbewijzen, die rechtstreeks in verband zijn te brengen met verdachte, ook is kleding van verdachte aangetroffen alsmede op de muziekinstallatie in de woonkamer een foto van het vijfjarig kind van verdachte. Onder deze omstandigheden staat naar het oordeel van de rechtbank voldoende vast dat verdachte zodanig nauw verbonden was met deze woning dat hij beschouwd moet worden als degene die de daar aanwezige goederen voorhanden heeft gehad. Gelet op de aard van de aanwezige goederen, luxe goederen zoals elektronische apparatuur, en de omstandigheden van verdachte - een drugsverslaafde, werkloze man met slechts een dak- en thuislozenuitkering - acht de rechtbank bewezen dat verdachte moet hebben geweten dat deze goederen van misdrijf afkomstig waren.

De bewijsmiddelen.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist met de bewijsmiddelen, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit vonnis zal worden gehecht.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen - elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft - staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast. Op grond daarvan is de rechtbank tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2 en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht - en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de tenlastelegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering de verdachte niet in de verdediging is geschaad - de inhoud van de tenlastelegging, zoals deze is vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar.

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.

Strafmotivering.

Na te melden straffen en/of maatregel zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich bezig gehouden met de handel in cocaïne. Daarnaast heeft verdachte een hoeveelheid van ruim 35 gram cocaïne en bijna 2 gram heroïne aanwezig gehad.

De verdachte heeft zich hierbij laten leiden door zijn eigen belang en niet stilgestaan bij de grote gevaren die harddrugs opleveren voor de volksgezondheid. Gebruikers trachten hun verslaving bovendien vaak te bekostigen door het plegen van vermogensdelicten, waardoor aan de samenleving dikwijls ernstige schade en overlast wordt toegebracht. Ook hiervan heeft verdachte geprofiteerd, gelet op de hoeveelheid gestolen apparatuur die in de woning aan de [adres] te Leiden is aangetroffen.

Verdachte is blijkens het Uittreksel Justitiële Documentatie al meermalen veroordeeld wegens handel in heroïne en cocaïne en heling. Dit heeft hem er echter niet van weerhouden wederom dezelfde feiten te plegen. Een en ander lijkt het gevolg te zijn van zijn eigen verslaving aan verdovende middelen. De rechtbank constateert dat verplicht reclasseringscontact in het verleden niet tot verandering heeft geleid. Daarnaast blijkt uit de gespreksaantekening van Palier van 25 juni 2008 dat verdachte ook al diverse malen is aangemeld voor (poli)klinische behandeling, gericht op het abstinent raken van de verdovende middelen. Die behandelingen zijn echter nimmer gestart omdat verdachte telkens besloot geen behandeling te willen ondergaan.

Ter zitting heeft verdachte verklaard dat hij sinds 1984 dagelijks heroïne en cocaïne gebruikt heeft. Anders dan in de gespreksaantekeningen wordt vermeld, heeft hij zich in het verleden slechts een keer aangemeld voor behandeling en dit is misgegaan, aldus verdachte, omdat hij geen inkomen had en niet verzekerd was. Hij is inmiddels clean; hij gebruikt ook geen methadon meer en is zeer gemotiveerd om een behandeling te ondergaan. Hij heeft thans een vriendin die niet verslaafd is, die bekend is met zijn verleden en die hem alle ondersteuning geeft die hij nodig heeft.

Hoewel te hopen valt dat verdachte er daadwerkelijk in slaagt een einde te maken aan zijn langdurige verslaving, ziet de rechtbank geen aanleiding tot het opleggen van een deels voorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank is van oordeel dat gelet op de ernst van de feiten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden is. Zo verdachte gemotiveerd blijft om daadwerkelijk zijn verslavingsproblematiek aan te pakken, dan kan begeleiding daarvan geschieden in het kader van de voorwaardelijke invrijheidsstelling.

Beslag

Ter terechtzitting heeft verdachte afstand gedaan van alle de op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen opgenomen goederen, met uitzondering van het op die lijst onder nr 30 opgenomen horloge alsmede de onder nr 102 opgenomen Toshiba laptop. Overeenkomstig de vordering van de officier van justitie zullen deze voorwerpen, alsmede een digitaal fototoestel van het merk Pentax aan verdachte worden teruggegeven.

De toepasselijke wetsartikelen.

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 57 en 416 van het Wetboek van Strafrecht;

- 2 en 10 van de Opiumwet, en de daarbij behorende lijst I.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2 en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 2:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 4:

opzetheling, meermalen gepleegd;

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) maanden;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

in verzekering gesteld op: 25 juni 2008;

in voorlopige hechtenis gesteld op: 26 juni 2008;

gelast de teruggave aan de verdachte van de op de beslaglijst vermelde goederen onder nummers 30 en 102, alsmede van een digitaal fototoestel van het merk Pentax.

Dit vonnis is gewezen door

mrs Van Kooten, voorzitter,

Rens en Pabbruwe, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Top, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 december 2008.

De jongste rechter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis te ondertekenen.