Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BG8387

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-12-2008
Datum publicatie
06-01-2009
Zaaknummer
AWB 08 / 25711
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Tijdigheid bezwaar / niet ambtshalve doen van aanbod / minuut / pardonregeling / WBV 2007/11

Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) in haar uitspraken van 3 december 2008 (LJN: BG5955 en BG5955) heeft overwogen, vangt de in artikel 69, eerste lid, van de Vw 2000 neergelegde termijn van vier weken aan indien op ondubbelzinnige wijze uit een specifiek ten aanzien van de vreemdeling als zodanig kenbare handeling van verweerder kan worden afgeleid dat aan die vreemdeling niet ambtshalve een aanbod wordt gedaan.

In het onderhavige geval kan de toezending van de ‘minuut’ van 29 april 2008 aan verzoekster in persoon worden aangemerkt als een kenbare handeling in vorenbedoelde zin, nu hieruit op ondubbelzinnige wijze kan worden afgeleid dat aan verzoekster niet ambtshalve een aanbod wordt gedaan. Nu verzoekster vervolgens eerst op 17 juli 2008 bezwaar heeft gemaakt, is de bezwaartermijn van artikel 69, eerste lid, van de Vw 2000 overschreden.

(…)

Voor zover verzoekster het standpunt heeft ingenomen dat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift pas op 3 december 2008 is aangevangen, nu op deze datum de Afdeling heeft geoordeeld dat er rechtsmiddelen openstaan tegen een ‘minuut’, is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoekster hierin niet kan worden gevolgd. Hiertoe verwijst de voorzieningenrechter naar eerdergenoemde uitspraken van de Afdeling van 3 december 2008, waarin uitdrukkelijk het tijdstip van aanvang van de bezwaartermijn is omschreven, zijnde in verzoeksters geval het moment van de toezending van de ‘minuut’. Daarbij heeft verzoekster zich al ruim voor de betreffende Afdelingsuitspraken, in de gronden van het verzoek van 21 juli 2008, op het standpunt gesteld dat zij van mening is dat sprake is van een voor bezwaar vatbaar besluit.

Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft niet ontvankelijkverklaring van een na afloop van de hiervoor bedoelde termijn ingediend bezwaarschrift achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

Verzoekster heeft zich in dit verband op het standpunt gesteld dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat zij in verzuim is geweest, nu bij de ‘minuut’ geen rechtsmiddelenclausule is vermeld.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat bovengenoemde omstandigheid geen omstandigheid is op grond waarvan de termijnoverschrijding verschoonbaar kan worden geacht. Hiertoe verwijst de voorzieningenrechter naar de Afdelingsuitspraak van 12 september 2001 (LJN: AD3774) waarin is geoordeeld dat het ontbreken van een rechtsmiddelenvoorlichting bij de bekendmaking van een primair besluit op zichzelf niet leidt tot verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding. Er moet sprake zijn van bijkomstige bijzondere omstandigheden. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is hiervan in het onderhavige geval niet gebleken.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 6:11
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 69
Vreemdelingenwet 2000 78
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2009/108
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’S-GRAVENHAGE

Zittinghoudende te Roermond

Sector bestuursrecht, enkelvoudige kamer

Vreemdelingenkamer

Procedurenummer: AWB 08 / 25711

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Awb

inzake

[verzoekster], verzoekster,

gemachtigde mr. E. Derksen, advocaat te Arnhem,

tegen

de Staatssecretaris van Justitie, verweerder.

1. Procesverloop

1.1. Bij schrijven van 4 april 2008 heeft verzoekster schriftelijk aan verweerder verzocht om een afschrift van de zogeheten ‘minuut’, waarin de toetsing aan het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire (WBV) 2007/11, ook wel bekend staand als de ‘pardonregeling’, is neergelegd.

1.2. Verweerder heeft de ‘minuut’ op 29 april 2008 aan verzoekster gezonden.

1.3. Bij bezwaarschrift van 17 juli 2008 heeft verzoekster, mede namens haar minderjarige kinderen, bezwaar gemaakt tegen het niet ambtshalve doen van een aanbod op grond van WBV 2007/11.

1.4. Voorts heeft verzoekster bij verzoekschrift van 17 juli 2008 de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht bij wege van voorlopige voorzieningen uitzetting te verbieden tot op het bezwaar is beslist. Verzoekster heeft bij schrijven van 21 juli 2008 de gronden van haar verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend.

1.5. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden. De ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan verzoekster gezonden.

1.6. Bij fax van 25 september 2008 heeft verzoekster de gronden van haar verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening nader aangevuld. Gelet hierop heeft verweerder zijn verweerschrift bij schrijven van 9 december 2008 aangevuld, waarna verzoekster bij schrijven van 12 december 2008 hierop heeft gereageerd.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge het bepaalde in artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2. Ingevolge artikel 8:83, derde lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter, totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting te verschijnen, het onderzoek sluiten indien voortzetting van het onderzoek niet nodig is omdat hij kennelijk onbevoegd is, dan wel het verzoek kennelijk niet ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is.

2.3. De voorzieningenrechter acht in het onderhavige geval termen aanwezig om van vorenbedoelde bevoegdheid gebruik te maken en overweegt hiertoe als volgt.

2.4. In afwijking van artikel 6:7 van de Awb bedraagt ingevolge artikel 69, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift vier weken.

2.5. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) in haar uitspraken van 3 december 2008 (LJN: BG5955 en BG5955) heeft overwogen, vangt de in artikel 69, eerste lid, van de Vw 2000 neergelegde termijn van vier weken aan indien op ondubbelzinnige wijze uit een specifiek ten aanzien van de vreemdeling als zodanig kenbare handeling van verweerder kan worden afgeleid dat aan die vreemdeling niet ambtshalve een aanbod wordt gedaan.

2.6. In het onderhavige geval kan de toezending van de ‘minuut’ van 29 april 2008 aan verzoekster in persoon worden aangemerkt als een kenbare handeling in vorenbedoelde zin, nu hieruit op ondubbelzinnige wijze kan worden afgeleid dat aan verzoekster niet ambtshalve een aanbod wordt gedaan. Nu verzoekster vervolgens eerst op 17 juli 2008 bezwaar heeft gemaakt, is de bezwaartermijn van artikel 69, eerste lid, van de Vw 2000 overschreden.

2.7. Verzoeksters standpunt dat de ‘minuut’ niet op rechtsgeldige wijze is bekendgemaakt, nu de ‘minuut’ niet aan verzoeksters gemachtigde is toegezonden, wordt niet door de voorzieningenrechter gedeeld, nu verzoekster persoonlijk op 4 april 2008 heeft verzocht om toezending van de ‘minuut’ en er op dat moment ook niet bekend was dat verzoekster zich liet bijstaan door een gemachtigde.

2.8. Voor zover verzoekster het standpunt heeft ingenomen dat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift pas op 3 december 2008 is aangevangen, nu op deze datum de Afdeling heeft geoordeeld dat er rechtsmiddelen openstaan tegen een ‘minuut’, is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoekster hierin niet kan worden gevolgd. Hiertoe verwijst de voorzieningenrechter naar eerdergenoemde uitspraken van de Afdeling van 3 december 2008, waarin uitdrukkelijk het tijdstip van aanvang van de bezwaartermijn is omschreven, zijnde in verzoeksters geval het moment van de toezending van de ‘minuut’. Daarbij heeft verzoekster zich al ruim voor de betreffende Afdelingsuitspraken, in de gronden van het verzoek van 21 juli 2008, op het standpunt gesteld dat zij van mening is dat sprake is van een voor bezwaar vatbaar besluit.

2.9. Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft niet ontvankelijkverklaring van een na afloop van de hiervoor bedoelde termijn ingediend bezwaarschrift achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

2.10. Verzoekster heeft zich in dit verband op het standpunt gesteld dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat zij in verzuim is geweest, nu bij de ‘minuut’ geen rechtsmiddelenclausule is vermeld.

2.11. De voorzieningenrechter is van oordeel dat bovengenoemde omstandigheid geen omstandigheid is op grond waarvan de termijnoverschrijding verschoonbaar kan worden geacht. Hiertoe verwijst de voorzieningenrechter naar de Afdelingsuitspraak van 12 september 2001 (LJN: AD3774) waarin is geoordeeld dat het ontbreken van een rechtsmiddelenvoorlichting bij de bekendmaking van een primair besluit op zichzelf niet leidt tot verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding. Er moet sprake zijn van bijkomstige bijzondere omstandigheden. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is hiervan in het onderhavige geval niet gebleken.

2.12. Op grond van het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat het bezwaar van verzoekster geen redelijke kans van slagen heeft. Dit heeft tot gevolg dat het verzoek om een voorlopige voorziening dan ook zal worden afgewezen.

2.13. Ingevolge artikel 78 van de Vw 2000 beslist de rechter, indien een verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend voordat is beslist op een bezwaarschrift dat is gericht tegen een afwijzing van een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning regulier, zoveel mogelijk tevens over dat bezwaar.

2.14. In het onderhavige geval acht de voorzieningenrechter zonder meer aannemelijk dat de bezwaarschriftprocedure niet tot een andere uitkomst zal leiden en dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter zal daarom, met toepassing van het bepaalde in artikel 78 van de Vw 2000, het bezwaar van verzoekster niet-ontvankelijk verklaren.

2.15. Van omstandigheden op grond waarvan één van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de voorzieningenrechter niet gebleken.

2.[16]. Mitsdien wordt beslist als volgt.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

verklaart het bezwaar niet-ontvankelijk;

wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af;

Aldus gedaan door mr. drs. E.J. Govaers in tegenwoordigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur als griffier en in het openbaar uitgesproken op 19 december 2008.

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier,

verzonden op: 19 december 2008.

Tegen de uitspraak op het bezwaarschrift staat geen hoger beroep open.

Tegen de uitspraak op het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.