Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BG7279

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-11-2008
Datum publicatie
30-12-2008
Zaaknummer
AWB 07/9179 IW
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSGR:2009:BL3779, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bestuurdersaansprakelijkheid. Meldingsplicht. Aan de omstandigheid dat ter zake van over eerdere tijdvakken verschuldigde OB en LB/PV naheffingsaanslagen werden opgelegd en dwangbevelen werden uitgevaardigd kon verweerder niet de wetenschap ontlenen dat de OB en LB/PV over de in geschil zijnde tijdvakken niet zou worden voldaan. Zulks te minder nu verweerder onweersproken heeft aangevoerd dat na het uitvaardigen van de dwangbevelen de desbetreffende naheffingsaanslagen steeds alsnog volledig werden betaald. Van een situatie van doorlopende en definitieve betalingsonmacht was derhalve geen sprake. In wezen was tot dan toe telkens slechts sprake van tijdelijke betalingsonmacht. Dat ontslaat de B.V. echter niet van haar meldingsplicht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2009/10.31 met annotatie van Redactie
FutD 2009-0028
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 07/9179 IW

Uitspraakdatum: 4 november 2008

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[X], wonende te [Z], eiser,

en

de ontvanger van de Belastingdienst/[P], verweerder.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1. Verweerder heeft eiser bij beschikking van 9 mei 2007 (hierna: de beschikking) op de voet van artikel 36 van de Invorderingswet 1990 (hierna: IW) aansprakelijk gesteld voor de bij in het navolgende overzicht vermelde naheffingsaanslagen geheven loonbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: LB/PV) en omzetbelasting (hierna: OB).

De beschikking heeft mede betrekking op de in het onderstaande overzicht per naheffingsaanslag gespecificeerde boetes en invorderingskosten.

overzicht naheffingsaanslag

1.2. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 22 oktober 2007 de beschikking gehandhaafd.

1.3. Eiser heeft daartegen bij brief van 28 november 2007, ontvangen door de rechtbank Haarlem op 29 november 2007 en, na doorzending, door de rechtbank op 7 december 2007, beroep ingesteld. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 september 2008 te 's-Gravenhage. Eiser is daar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. [...]. Namens verweerder is verschenen mr. [...]. Naar aanleiding van het verhandelde ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting geschorst teneinde partijen in de gelegenheid te stellen een minnelijke regeling van hun geschil te beproeven. Eiser heeft bij brief van 28 september 2008 aan de rechtbank en verweerder laten weten een uitspraak van de rechtbank te wensen. De rechtbank heeft daarop het onderzoek gesloten.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1. Eiser was sinds 10 september 2001 statutair bestuurder van [...] B.V. De B.V. verkeert sinds 27 april 2007 in staat van faillissement.

2.2. De B.V. heeft over de onder 1.1 vermelde tijdvakken steeds tijdig aangifte voor de LB/PV en de OB gedaan, maar de te betalen bedragen niet afgedragen c.q. voldaan, omdat zij daartoe financieel niet in staat was.

2.3. Op 27 april 2007 is een melding betalingsonmacht (hierna: de melding) gedaan. Verweerder heeft de melding niet als rechtsgeldig aangemerkt, omdat deze niet is gedaan binnen de in artikel 7, eerste lid, van het Uitvoeringbesluit invorderingswet 1990 bedoelde termijn, en eiser door middel van de beschikking aansprakelijk gesteld voor de onder 1.1 vermelde bedragen van in totaal € 244.868.

3 Geschil

3.1. Het geschil betreft in de eerste plaats de vraag of is voldaan aan de in artikel 36, tweede lid, IW bedoelde meldingsplicht en voorts de vraag of sprake is geweest van kennelijk onbehoorlijk bestuur van eiser.

3.2. Voor de standpunten van partijen verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

4 Beoordeling van het geschil

4.1. Gelet op de onder 2.3 weergeven, door eiser niet betwiste, onderbouwing van het standpunt van verweerder en de onder 1.1 vermelde tijdvakken is terecht niet in geschil dat de melding van betalingsonmacht van 27 april 2007 niet tijdig is gedaan.

4.2. Vaststaat dat de B.V. de over de onder 1.1 vermelde tijdvakken verschuldigde LB/PV en OB wegens financiële problemen niet heeft afgedragen c.q. voldaan. Hieruit volgt dat de in artikel 36, tweede lid, IW bedoelde melding van betalingsonmacht uiterlijk op respectievelijk 14 december 2006, 14 januari 2007, 14 februari 2007, 14 maart 2007 en

14 april 2007 had moeten zijn gedaan.

4.3. Eiser heeft aangevoerd dat de in artikel 36, tweede lid, IW bedoelde melding niet (meer) nodig was, omdat verweerder reeds langs andere weg op de hoogte was van de betalingsonmacht van eiser en een eenmaal gedane melding van kracht blijft zolang sprake is van een betalingsachterstand. Eiser heeft in dit verband betoogd dat het jarenlang vaste praktijk was dat de B.V. steeds tijdig aangifte deed, maar dat zij de aanslagen die naar aanleiding daarvan werden gedaan niet tijdig kon voldoen bij gebrek aan voldoende liquide middelen. Het gevolg daarvan was dat verweerder beslag legde bij de B.V. waarna dikwijls overleg plaatsvond tussen de B.V. - aanvankelijk (tot eind 2004) vertegenwoordigd door eiser en later door de secretaresse of het administratiekantoor van de B.V. - en de Belastingdienst, onder meer in de persoon van de heren [...] (ontvanger), [...] en [...] (deurwaarder) en de dames [...] en [...]. Aan de hand daarvan werden de aanslag waarvoor beslag was gelegd en de bijbehorende boete en kosten betaald. Ter adstructie heeft eiser over de periode juni 2004 tot december 2007 kopieën overgelegd van een groot aantal aan de B.V. betekende dwangbevelen en van aankondigingen van beslagleggingen bij de B.V.

4.4. In zijn arrest van 13 juli 1994, nr. 28 997, BNB 1995/201, heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de meldingsplicht vervalt vanaf het tijdstip waarop de ontvanger van de betalingsonmacht op de hoogte komt. In het onderhavige geval moet het dan gaan om het voldoen c.q. afdragen van de OB en LB/PV over de onder 1.1 vermelde tijdvakken.

4.5. Het betoog van eiser moet dus aldus worden verstaan dat het verweerder op elk van de onder 4.2 genoemde data reeds bekend was dat de B.V. op grond van financiële problemen niet in staat was de OB en LB/PV over de onder 1.1 vermelde tijdvakken tijdig te voldoen c.q. af te dragen, zodat er voor eiser geen meldingsplicht meer bestond.

4.6. De rechtbank verwerpt dit betoog van eiser. Aan de omstandigheid dat ter zake van over eerdere tijdvakken verschuldigde OB en LB/PV dwangbevelen werden uitgevaardigd kon verweerder niet de wetenschap ontlenen dat de OB en LB/PV over de onder 1.1 genoemde tijdvakken niet zou worden voldaan. Zulks te minder nu verweerder onweersproken heeft aangevoerd dat na het uitvaardigen van die dwangbevelen de desbetreffende naheffingsaanslagen steeds alsnog volledig werden betaald. Van een situatie van doorlopende en definitieve betalingsonmacht was op de onder 4.2 genoemde data derhalve geen sprake. In wezen was tot dan toe telkens slechts sprake van tijdelijke betalingsonmacht. Dat ontslaat de B.V. echter niet van haar meldingsplicht.

Eiser heeft geen concrete feiten en omstandigheden gesteld omtrent het tijdstip en de inhoud van de gesprekken met de onder 4.3 genoemde medewerkers van de Belastingdienst die de conclusie rechtvaardigen dat verweerder op de onder 4.2 genoemd data wist dat de OB en LB/PV over de onder 1.1 genoemde tijdvakken niet zou worden betaald.

Het beroep van eiser op HR 17 maart 2007, nr. C05/263, V-N 2007/17.32, faalt, omdat gesteld noch gebleken is dat vóór de onder 4.2 genoemde data enige melding van betalingsonmacht is gedaan en - gezien het vorenoverwogene - evenmin sprake is van een daarmee gelijk te stellen wetenschap van verweerder.

4.7. Het voorgaande betekent dat niet is voldaan aan het in artikel 36, tweede lid, IW gestelde eisen. Dit brengt ingevolge artikel 36, vierde lid, tweede volzin, IW mee dat eiser niet wordt toegelaten tot weerlegging van het aldaar bedoelde vermoeden. De vraag of sprake is geweest van kennelijk onbehoorlijk bestuur door eiser kan dus niet meer aan de orde komen.

4.8. Gelet op het vorenoverwogene wordt het beroep ongegrond verklaard.

5 Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6 Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 4 november 2008 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. L. de Loor-Alwin, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Holdert, griffier.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te 's-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.