Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BG7127

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-10-2008
Datum publicatie
23-12-2008
Zaaknummer
AWB 07/1816 IB/PVV
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSGR:2009:BL6314, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geen recht op aftrek vervoerskosten in verband met invaliditeit. Niet meer kosten dan personen die niet invalide zijn doch overigens wat inkomen, vermogen en gezinsomstandigheden betreft, in een gelijke positie verkeren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2009-0021
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 07/1816 IB/PVV

Uitspraakdatum: 23 oktober 2008

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[X], wonende te [Z], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/[te P], verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 21 februari 2007 op het bezwaar van eiser tegen de aan eiser voor het jaar 2003 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 41.989 (aanslagnummer [nummer]).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 oktober 2008.

Eiser is daar in persoon verschenen. Namens verweerder zijn verschenen [A] en

[B].

1 Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2 Gronden

2.1. Eiser heeft voor het jaar 2003 aangifte voor de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 38.360, waarbij hij na toepassing van de zogenoemde drempel een bedrag van € 8.308 als buitengewone uitgaven in aanmerking heeft genomen. Van dat bedrag heeft € 4.443 betrekking op vervoerskosten in verband met invaliditeit, te weten: € 813 in verband met specialistenbezoek, bezoek aan de polikliniek etc. en € 3.630 in verband met woon-werkverkeer.

2.2. Verweerder heeft een bedrag van € 3.629 in verband met woon-werkverkeer niet in aftrek toegelaten. De definitieve aanslag is met dagtekening 1 december 2006 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 41.989. Daarbij is aan eiser een bedrag van € 183 aan heffingsrente in rekening gebracht.

2.3. Bij brief van 1 december 2006 heeft eiser tegen voormelde aanslag bezwaar gemaakt. Daarbij heeft hij, naast het voormelde bedrag van € 3630, verzocht om aftrek van € 1.093 in verband met bezoeken aan sportverenigingen, de school van de kinderen, winkels etc. (zogenoemde leefkilometers).

2.4. Bij uitspraak van 21 februari 2007 heeft verweerder het bezwaar afgewezen omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in aanmerking komt voor aftrek van extra vervoerskosten in verband met invaliditeit. Eiser heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.

2.5. Tussen partijen is in geschil of eiser recht heeft op een hogere persoonsgebonden aftrek van vervoerskosten in verband met invaliditeit dan het bedrag van € 813 dat reeds in aftrek is toegelaten. Voorts is tussen partijen in geschil of terecht heffingsrente in rekening is gebracht.

2.6. Eiser stelt dat hij extra vervoerskosten heeft in verband met zijn invaliditeit. Normaliter zou hij namelijk per fiets naar zijn werk, de sportverenigingen, de school van de kinderen, en dergelijke zijn gegaan.

Wat betreft de heffingsrente stelt eiser dat deze ten onrechte in rekening is gebracht nu het aan het trage handelen van verweerder is te wijten dat de aanslag zo laat is opgelegd.

2.7. Verweerder stelt dat alleen voor aftrek in aanmerking komen de objectief te bepalen meerkosten ten opzichte van personen die niet ziek of invalide zijn, maar die overigens wat inkomen, vermogen en gezinssituatie betreft in een gelijke positie verkeren. Verweerder stelt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij meer vervoerskosten heeft dan personen die niet ziek of invalide zijn, doch overigens wat inkomen, vermogen en gezinsomstandigheden betreft, in een gelijke positie verkeren. Verweerder heeft de werkelijke autokosten van eiser aan de hand van de door deze overgelegde bankafschriften en rekeningen en een berekening van de afschrijving van de auto vastgesteld op € 6.069.

De autokosten van personen die niet ziek of invalide zijn, doch overigens wat inkomen, vermogen en gezinsomstandigheden betreft, in een gelijke positie verkeren, heeft verweerder aan de hand van het Budgethandboek Nibud 2003 en CBS-gegevens vastgesteld op € 6.750.

Wat betreft de heffingsrente stelt verweerder dat deze terecht in rekening gebracht. De wettelijke regeling biedt naar tekst en strekking geen ruimte om de heffingsrente te verminderen.

2.8. Ter zitting heeft verweerder daaraan toegevoegd dat eiser van zijn werkgever een onkostenvergoeding ten bedrage van € 1.440 heeft ontvangen voor woon-werkverkeer, waarmee bij het opleggen van de aanslag geen rekening is gehouden. Eiser heeft dit ter zitting erkend.

2.9. De kosten van een in verband met invaliditeit gehouden auto die niet rechtstreeks verband houden met het verkrijgen van genees-, heel- of verloskundige hulp en niet zijn aan te merken als vervoerskosten ter zake regelmatig ziekenbezoek, komen alleen voor aftrek als buitengewone lasten ter zake van invaliditeit in aanmerking indien en voor zover de in een kalenderjaar door de invalide persoon gemaakte autokosten overtreffen hetgeen behoort tot het normale bestedingspatroon van personen die niet invalide zijn, doch overigens wat inkomen, vermogen en gezinsomstandigheden betreft, in een gelijke positie verkeren als de betrokkene (vgl. HR 15 december 1999, nr. 35 157, BNB 2000/61). Aldus dient te worden beoordeeld welke objectief te bepalen meerkosten voor autogebruik eiser heeft gemaakt ten opzichte van personen die niet ziek of invalide zijn, doch overigens wat inkomen, vermogen en gezinsomstandigheden betreft, in een gelijke positie verkeren.

2.10. Anders dan eiser kennelijk meent, is voor de beoordeling of de kosten voor aftrek in aanmerking komen derhalve niet van belang of hij deze vervoerskosten niet zou hebben gemaakt indien hij niet invalide zou zijn geweest. Hieruit volgt dat de in 2.8 vermelde stelling van eiser dient te worden verworpen.

2.11. De autokosten van eiser zijn door verweerder berekend op € 6.069. Dit bedrag is gebaseerd op gegevens van eiser. Eiser heeft ter zitting dienaangaande desgevraagd gesteld dat in dat bedrag wellicht één of twee tankbeurten niet zijn meegenomen, maar dat hij zich verder wel in dat bedrag kan vinden.

2.12. Verweerder heeft de autokosten van personen die niet invalide zijn, doch overigens wat inkomen, vermogen en gezinsomstandigheden betreft, in een gelijke positie verkeren als eiser aan de hand van gegevens van het Nibud en het CBS gesteld op € 6.750. Verweerder heeft uit deze gegevens geconcludeerd dat een middenklasse auto voor personen met een vergelijkbaar jaarinkomen normaal is. De desbetreffende gegevens houden evenwel geen rekening met de gezinssamenstelling. Met gebruikmaking van de overgelegde statistische gegevens acht de rechtbank, gelet op de gezinssituatie (eiser heeft een vrouw en twee kinderen in de leeftijd van 13 en 16 jaar) veeleer aannemelijk dat een kleine middenklasse auto normaal zou zijn. Het door verweerder in aanmerking genomen aantal kilometers, acht de rechtbank wel aannemelijk.

2.13. Aan de hand van de door verweerder overgelegde gegevens van het Nibud zou bij een kleine middenklasse auto de autokosten uitkomen op een bedrag van € 5386,67. In aanmerking genomen dat eiser van zijn werkgever een reiskostenvergoeding van € 1.440 heeft ontvangen en aan hem reeds aftrek is verleend voor vervoerskosten van € 813, heeft eiser niet meer autokosten gemaakt dan personen die niet ziek of invalide zijn, doch overigens wat inkomen, vermogen en gezinsomstandigheden betreft, in een gelijke positie verkeren. Mitsdien heeft eiser geen recht op een hogere aftrek van vervoerskosten in verband met ziekte of invaliditeit dan het bedrag van € 813 dat reeds in aftrek is toegelaten.

2.14. Wat betreft de heffingsrente overweegt de rechtbank als volgt.

Ingevolge het bepaalde in artikel 11, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: Awr) vervalt de bevoegdheid tot het vaststellen van de aanslag door verloop van drie jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. Indien voor het doen van aangifte uitstel is verleend, wordt deze termijn met de duur van dit uitstel verlengd.

In het onderhavige geval is de belastingschuld ontstaan na afloop van het kalenderjaar 2003. Verweerder had dus tot 31 december 2006 de tijd om een aanslag op te leggen. De aanslag, gedagtekend 1 december 2006, is derhalve binnen de daarvoor gestelde wettelijke termijn opgelegd. En ook al zou de Inspecteur de aanslag eerder hebben kunnen opleggen, de regeling van artikel 30f van de Awr biedt naar tekst en strekking geen ruimte om in een geval als het onderhavige op die grond het in rekening brengen van heffingsrente over een deel van het in de wet voorziene rentetijdvak achterwege te laten (vgl. Hoge Raad 22 maart 2000, nr. 35 155, BNB 2000/175).

2.15. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep ongegrond verklaard.

2.16. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan op 23 oktober 2008 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. J.P.F. Slijpen, in tegenwoordigheid van mr. W.M.M.A. van der Vegt, griffier.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te 's-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden.

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.