Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BG7121

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
08-12-2008
Datum publicatie
17-12-2008
Zaaknummer
AWB 08/41112, 08/41115, 08/41119, 08/41155
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

COA-maatregelen / overplaatsing / appelabel besluit / oplegging ROV-maatregel

Verweerder, het COA, heeft eisers medegedeeld dat zij het terrein van de COA binnen een kwartier dienden te verlaten. Sprake van verhuizing naar andere opvanglocatie. Deze mededelingen zijn schriftelijke beslissingen en dienen te worden aangemerkt als appellabele besluiten als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb. De vreemdelingenrechter is bevoegd van dit geschil kennis te nemen (AbRS 27 juni 2006, 200501444/1, LJN: AT8812, JV 2005/344).

T.a.v. de besluiten tot overplaatsing

Gebleken is dat eisers mededeling is gedaan van een aantal incidenten die hun worden aangerekend en dat op grond daarvan is besloten dat zij niet langer op de opvanglocatie in Leersum kan verblijven. Eisers is vervolgens te verstaan gegeven dat zij naar de opvanglocatie te Echt moesten verhuizen en met de nodige spullen direct dienden te vertrekken. Uit het verslag kan niet worden afgeleid dat eisers de gelegenheid hebben gehad hun zienswijze met betrekking tot de incidenten en tot het voornemen tot overplaatsing naar voren te brengen. Ter zitting hebben eisers bevestigd dat zij niet in de gelegenheid zijn gesteld iets tegen de beschuldigingen of tegen het voornemen tot overplaatsing in te brengen. Zij hebben bevestigd dat zij het terrein binnen een kwartier dienden te verlaten. Verweerder heeft dit niet weersproken. Derhalve geen sprake van horen zoals voorgeschreven in artikel 4:8 van de Awb en belangenafweging voortvloeiend uit artikel 3:2 van de Awb.

Voorts bevatten de bestreden besluiten tot overplaatsing ter motivering uitsluitend de mededeling dat eisers overlast veroorzaken voor bewoners en/of COA-medewerkers. In de besluiten van de beide ouders is niet aangegeven waaruit die overlast zou bestaan. De besluiten bevatten derhalve geen kenbare motivering. De bestreden besluiten zijn derhalve onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd. Ten aanzien van de 14-jarige zoon heeft de rechtbank overwogen dat aan hem kan worden verweten dat hij betrokken is geweest bij een brandje op een basketbalveld. Betrokkene heeft dit ook toegegeven en hem is in verband hiermee een strafmaatregel opgelegd. Ter zake van de overige voorvallen is niet gebleken dat betrokkene daarvoor ter verantwoording is geroepen, laat staan dat hij daaromtrent is gehoord, zoals voorgeschreven. Die voorvallen kunnen daarom niet (alsnog) aan het bestreden besluit tot overplaatsing ten grondslag worden gelegd. Betrokkenheid van betrokkene bij een brand in een van de gebouwen heeft betrokkene ontkend en evenmin is bewijs geleverd dat betrokkene bij die brand betrokken zou zijn geweest. Voor het overige blijkt niet dat betrokkene (of zijn ouders) ooit eerder een officiële waarschuwing ter zake van veroorzaakte overlast heeft (hebben) ontvangen. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat verweerder bij afweging van de in aanmerking komende belangen in redelijkheid niet tot overplaatsing van betrokkene heeft kunnen komen.

T.a.v. ROV-maatregel

Betrokkene (de zoon) is – als strafmaatregel - een zogenaamde ROV maatregel (categorie 5) opgelegd, inhoudende dat voor de duur van acht weken een bedrag van € 41,38 op zijn uitkering wordt ingehouden. Reden van deze strafmaatregel is dat betrokkene betrokken is geweest bij brandstichting op een basketbalveld. Dat feit wordt door betrokkene niet betwist. De rechtbank is gebleken dat de opgelegde strafmaatregel onjuist is toegepast. De aan betrokkene opgelegde straf behoort immers bij een maatregel welke wordt opgelegd ingeval van herhaalde overlast van minder lichte aard. Nog daargelaten dat het vermelde bedrag in het bestreden besluit onjuist is, is er ook geen sprake van herhaalde overlast, nu betrokkene alleen het brandje op het basketbalveld kan worden aangerekend. Weliswaar heeft verweerder dit feit kunnen classificeren als overlast van minder lichte aard, maar niet als herhaalde overlast van minder lichte aard. Bijgevolg kan volgens de gehanteerde strafmaatregelen slechts een inhoudingsperiode van vier weken in plaats van acht weken worden toegepast. Verweerder heeft derhalve gehandeld in strijd met het eigen beleid, zodat het bestreden besluit tot inhouding van de uitkering voor vernietiging in aanmerking komt wegens strijd met artikel 4:84 van de Awb.

De beroepen worden gegrond verklaard.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Algemene wet bestuursrecht 3:2
Algemene wet bestuursrecht 4:8
Algemene wet bestuursrecht 4:84
Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers
Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers 3
Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers 12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2009/104
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Sector bestuursrecht

Zaaknummers:

AWB 08/41112

AWB 08/41115

AWB 08/41119

AWB 08/41155

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 december 2008

inzake

[eiser 1],

geboren op [1973],

eiser 1,

[eiseres],

geboren op [1974],

eiseres

[eiser 2],

geboren op [1994],

eiser 2,

tezamen te noemen: eisers,

allen van Georgische nationaliteit,

gemachtigde mr. J.M.C. de Kok,

tegen

het Centraal Orgaan opvang asielzoekers

te Den Haag,

verweerder,

gemachtigde Mr. G. Turksema.

Procesverloop

Bij besluiten van 13 november 2008 heeft verweerder eisers medegedeeld dat zij vanaf diezelfde datum het terrein van de opvanglocatie te Leersum niet meer mogen betreden.

Tevens heeft verweerder bij besluit van 13 november 2008 eiser David een zogeheten ROV maatregel opgelegd tot inhouding van € 41,38 per week, gedurende acht weken en ingaande 17 november 2008.

Tegen de bovengenoemde maatregelen hebben eisers op 20 november 2008 beroep ingesteld.

Tevens hebben eisers de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Deze procedure is geregistreerd onder nummers AWB 08/41113, AWB 08/41116, AWB 08/41120 en AWB 08/41156.

De zaken zijn behandeld op de zitting van 4 december 2008, waar eisers zijn verschenen in persoon, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank dient allereerst de vraag te beantwoorden of tegen de onderhavige beslissingen, inhoudende dat eisers het terrein van de opvanglocatie te Leersum niet meer mogen betreden, beroep op deze rechtbank openstaat. Dienaangaande overweegt de rechtbank dat de beslissingen tot gevolg hebben dat eisers geen verstrekkingen meer kunnen ontvangen op de opvanglocatie te Leersum. Zonder andere informatie zou dit betekenen dat de verstrekkingen door het COA feitelijk worden beëindigd. Uit de gedingstukken en met name het verslag van het “doorstroomgesprek” van 13 november 2008 kan echter worden afgeleid dat het de bedoeling van verweerder is geweest dat eisers dienden te verhuizen naar de opvanglocatie te Echt. Tegen die achtergrond moeten de schriftelijke beslissingen van 13 november 2008 worden aangemerkt als appellabele besluiten als bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), inhoudende overplaatsing naar een andere opvanglocatie. Verweerder is daartoe bevoegd op grond van artikel 11 van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (hierna: Rva 2005). De vreemdelingenrechter is bevoegd van dit geschil kennis te nemen (Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 27 juni 2006, 200501444/1, LJN: AT8812, JV 2005/344) .

2. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers (Wet COA) is verweerder belast met materiële en immateriële opvang van asielzoekers.

3. Ingevolge artikel 12 van de Wet COA is de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (thans staatssecretaris van Justitie) bevoegd regels te stellen met betrekking tot verstrekkingen aan asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Wet COA. Van deze bevoegdheid is gebruik gemaakt door de vaststelling van de Rva 2005.

4. Artikel 3, eerste lid, van de Rva 2005 bepaalt dat het COA zorg draagt voor de centrale opvang van asielzoeker door erin te voorzien dat aan hen opvang wordt geboden in een opvangcentrum.

5. Artikel 9, eerste lid, van de Rva 2005 bepaalt dat de opvang op een opvangcentrum in elk geval de verstrekkingen omvat die zijn opgesomd onder onderdeel a tot en met g van dit artikellid.

6. Artikel 10 van de Rva 2005 bepaalt dat de in artikel 9, eerste lid, bedoelde verstrekkingen geheel of gedeeltelijk aan een asielzoeker kunnen worden onthouden, onder meer indien de asielzoeker overlast bezorgt aan asielzoekers die in hetzelfde centrum verblijven, aan personen die werkzaam zijn in het centrum of aan omwonenden.

7. Artikel 11 van de Rva 2005 bepaalt onder meer dat verweerder bevoegd is tot overplaatsing van een asielzoeker naar een andere opvangvoorziening.

8. In artikel 19 van de 2005 is bepaald dat de asielzoeker die onderdak heeft in een opvangcentrum verplicht is:

a. de huisregels na te leven die zijn neergelegd in het reglement van het desbetreffende opvangcentrum;

b. gevolg te geven aan de aanwijzingen van het personeel van het desbetreffende opvangcentrum.

9. In het Reglement Onthoudingen Verstrekkingen (ROV) is het beleid neergelegd met betrekking tot de bevoegdheid om de Rva-verstrekkingen geheel of gedeeltelijk te onthouden.

Ten aanzien van de besluiten om eisers over te plaatsen van de opvanglocatie te Leersum naar de opvanglocatie te Echt

10. Uit het verslag van het eerdergenoemde “doorstroomgesprek” van 13 november 2008 blijkt dat aan eisers mededeling is gedaan van een aantal incidenten die hun worden aangerekend en dat op grond daarvan is besloten dat de familie niet langer op de opvanglocatie te Leersum kunnen verblijven. Eisers is vervolgens te verstaan gegeven dat ze naar de opvanglocatie te Echt moesten verhuizen en met de nodige spullen direct dienden te verstrekken. Uit het verslag kan niet worden afgeleid dat eisers de gelegenheid hebben gehad hun zienswijze met betrekking tot de incidenten en tot het voornemen tot overplaatsing naar voren te brengen. Geen melding wordt gemaakt van de standpunten die eisers naar voren hebben gebracht. Ter zitting hebben eisers ook bevestigd dat zij niet in de gelegenheid zijn gesteld iets tegen de beschuldigingen of tegen het voornemen tot overplaatsing in te brengen. Bovendien hebben zij bevestigd dat zij het terrein binnen een kwartier dienden te verlaten. Verweerder heeft dit niet weersproken.

11. De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de conclusie dat eisers niet zijn gehoord zoals voorgeschreven in artikel 4:8 van de Awb, zodat verweerder bij de totstandkoming van de besluiten tot overplaatsing niet de standpunten van eisers terzake alsmede hun belangen bij de besluitvorming heeft kunnen betrekken in strijd met de verplichting voorvloeiend uit artikel 3:2 van de Awb.

12. Voorts stelt de rechtbank vast dat de bestreden besluiten tot overplaatsing ter motivering uitsluitend de mededeling bevatten dat eisers overlast veroorzaken voor bewoners en/of COA-medewerkers. In de besluiten is niet aangegeven waaruit die overlast zou bestaan. De besluiten bevatten op dit punt derhalve geen kenbare motivering.

13. Voorts wordt ten aanzien van de beide ouders van David uit de gedingstukken weinig duidelijk wat hun nu precies wordt verweten.

Ten aanzien van de vader wordt in de stukken melding gemaakt dat hij iemand zou hebben bedreigd. Niet is echter gebleken dat de toedracht van dit voorval deugdelijk is vastgelegd en evenmin dat de vader omtrent dit voorval is gehoord. Mede gelet op het feit dat de vader de bedoelde bedreiging heeft ontkend, kan bedoeld voorval bezwaarlijk in deze vorm aan het bestreden besluit tot overplaatsing ten grondslag worden gelegd.

Ten aanzien van de moeder is uit de gedingstukken in het geheel niet van betrokkenheid bij enig voorval gebleken. Verweerder heeft zulks ter zitting ook beaamd.

De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat de bestreden besluiten tot overplaatsing van de ouders – zelfs met kennisneming van de gedingstukken – onvoldoende zorgvuldig zijn voorbereid en onvoldoende draagkrachtig zijn gemotiveerd.

14. Blijkens de gedingstukken kan aan [eiser 2] worden verweten dat hij betrokken is geweest bij een brandje op het basketbalveld. [eiser 2] heeft dit ook toegegeven en hem is in verband hiermee een strafmaatregel opgelegd. Ter zake van de overige voorvallen blijkt uit de gedingstukken niet dat [eiser 2] daarvoor ter verantwoording is geroepen, laat staan dat hij daarover is gehoord zoals voorgeschreven. Die voorvallen kunnen daarom niet (alsnog) aan het bestreden besluit tot overplaatsing ten grondslag worden gelegd. In dat verband wijst de rechtbank er nog op dat [eiser 2] zijn betrokkenheid bij de brand in een van de gebouwen heeft ontkend en dat evenmin anderszins bewijs is geleverd dat hij bij die brand betrokken zou zijn geweest. Voor het overige blijkt niet dat [eiser 2] (of zijn ouders) ooit eerder een officiële waarschuwing ter zake van veroorzaakte overlast heeft (hebben) ontvangen. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat verweerder bij afweging van de in aanmerking komende belangen in redelijkheid niet tot overplaatsing van [eiser 2] heeft kunnen besluiten.

15. Uit al het vorengaande volgt dat de bestreden besluiten tot overplaatsing voor vernietiging in aanmerking komen wegens strijd met de artikelen 3:2, 3:4, 3:46, 3:47 en 4:8 van de Awb.

Met betrekking tot de ten aanzien van [eiser 2] genomen maatregel op grond van het Reglement onthoudingen verstrekkingen (ROV)

16. Blijkens het bestreden besluit is [eiser 2] een zogenaamde ROV-maatregel (categorie 5) opgelegd, inhoudende dat voor de duur van acht weken een bedrag van € 41,38 op zijn uitkering wordt ingehouden.

17. Met het opleggen van een dergelijke (straf)maatregel beoogt verweerder aan een asielzoeker duidelijk te maken dat diens gedragingen en uitlatingen verkeerd en ontoelaatbaar zijn. De strafmaatregel strekt ertoe de asielzoeker in de toekomst te weerhouden van soortgelijke gedragingen.

18. Verweerder staan daarvoor een aantal (straf)maatregelen ten dienste, waaronder maatregel 5, waarin is bepaald dat in geval van herhaalde overlast van minder lichte aard een bedrag kan worden ingehouden van maximaal € 15,89 voor volwassenen en maximaal € 5,45 voor kinderen van 12 t/m 17 jaar voor een periode van 8 weken.

19. Verweerder heeft bij het bestreden besluit bepaald dat ten aanzien van eiser met ingang van 17 november 2008 gedurende acht weken € 41,38 per week zal worden ingehouden. Aan deze maatregel heeft verweerder onder meer de brandstichting op het basketbalveld ten grondslag gelegd, waarbij eiser betrokken was. Dit feit wordt door eiser niet betwist.

20. De rechtbank is gebleken, en zulks is door verweerder ter zitting toegegeven, dat de aan eiser opgelegde strafmaatregel, reeds gelet op de hoogte van het bedrag aan inhouding, onjuist is toegepast. De aan eiser opgelegde straf behoort immers bij een maatregel welke wordt opgelegd ingeval van herhaalde overlast van minder lichte aard. Nog daargelaten dat het vermelde bedrag in het bestreden besluit onjuist is – dit dient € 5,45 te zijn, in plaats van € 41,38, hetgeen verweerder ter zitting ook heeft toegegeven – is er ook geen sprake van herhaalde overlast, nu eiser alleen het brandje op het basketbalveld kan worden aangerekend. Weliswaar heeft verweerder dit feit kunnen classificeren als overlast van minder lichte aard, maar niet als herhaalde overlast van minder lichte aard. Bijgevolg kan volgens de gehanteerde strafmaatregelen slechts een inhoudingsperiode van vier weken in plaats van acht weken worden toegepast. Verweerder heeft derhalve gehandeld in strijd met het eigen beleid.

21. Hieruit volgt dat het bestreden besluit tot inhouding van de uitkering voor vernietiging in aanmerking komt wegens strijd met artikel 4:84 van de Awb.

22. De beroepen zijn derhalve gegrond.

23. De rechtbank acht termen aanwezig verweerder te veroordelen in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal € 966,00 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

• 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift;

• 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

• waarde per punt € 322,00

• wegingsfactor 1,5 (4 samenhangende zaken).

24. Aangezien ten behoeve van eisers een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier van de rechtbank.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de bestreden besluiten;

- veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten vastgesteld op € 966,00;

- wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die de proceskosten dient te vergoeden;

- bepaalt dat het bedrag van de proceskosten moet worden voldaan aan de griffier.

Aldus gedaan door mr. A.B.M. Hent als rechter in tegenwoordigheid van G.C.A. Dingemans Wierts als griffier en in het openbaar uitgesproken op 8 december 2008.