Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BG7110

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-10-2008
Datum publicatie
23-12-2008
Zaaknummer
AWB 07/1711 WW44 en AWB 07/2053 WW44
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2009:BJ8269, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verlening bouwvergunning. Bouwplan in overeenstemming met de ter plaatse vigerende bestemmingsplannen en in overeenstemming met redelijke eisen van welstand. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Eerste afdeling, meervoudige kamer

Reg.nrs.: AWB 07/1711 WW44 en AWB 07/2053 WW44

UITSPRAAK als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in de gedingen tussen

[A], [B], [C], [D] en [E], allen wonende te [plaats], eisers sub 1,

en

[F], wonende te [plaats], eiser sub 2,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van Leiden, verweerder.

Derde partijen: de besloten vennootschap Du Prie Bouw en Ontwikkeling B.V., vergunninghouder, en de besloten vennootschap D.D. Noordman Holding B.V., belanghebbende.

Ontstaan en loop van de gedingen

Vergunninghouder heeft op 25 september 2003 een aanvraag voor een reguliere bouwvergunning eerste fase ingediend voor het bouwen van woningen, een kantoor, appartementen, monumenten en bedrijfsruimte op de percelen kadastraal bekend sectie O, nummers 2688 en 2689, plaatselijk bekend Haagweg 51 tot en met 61 te Leiden.

Bij besluit van 25 mei 2005, bekend gemaakt op 14 juni 2005, heeft verweerder, met vrijstelling van het ter plaatse destijds geldende bestemmingsplan "Zuid-West 1990 (fa. Noordman])", krachtens artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO), aan vergunninghouder bouwvergunning eerste fase verleend voor het hiervoor genoemde bouwplan.

Bij besluit van 6 september 2005, bekend gemaakt op dezelfde datum, heeft verweerder een bouwvergunning tweede fase verleend voor het bouwplan.

Bij besluit van 19 december 2006, verzonden op 6 februari 2007, heeft verweerder, overeenkomstig het advies van de Commissie voor de beroep- en bezwaarschriften van 1 december 2006, het tegen deze besluiten door eisers gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser sub 2 bij brief van 6 maart 2007, ingekomen bij de rechtbank op 7 maart 2007, beroep ingesteld.

Tegen dit besluit hebben eisers sub 1 bij brief van 16 maart 2007, ingekomen bij de rechtbank op dezelfde datum, beroep ingesteld. De gronden zijn daarna aangevuld.

Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en verweerschriften ingediend.

Het beroep is op 16 juli 2008 ter zitting behandeld.

Eisers sub 1 zijn niet verschenen.

Eiser sub 2 is in persoon verschenen.

Verweerder is vertegenwoordigd door mr. [G], ambtenaar der gemeente.

Namens de derde-partijen is verschenen de heer [H], bijgestaan door mr. E.M. van Bommel, advocaat te Amsterdam.

Motivering

De rechtbank is van oordeel dat verweerder eisers sub 1 terecht in hun in bezwaar tegen het besluit van 25 mei 2005 heeft ontvangen, nu het besluit aan hen niet was bekendgemaakt, tengevolge waarvan zij na ommekomst van de bezwarentermijn bezwaar maakten. Verweerder heeft terecht gemeend dat, nu eisers sub 1 vervolgens binnen twee weken nadat zij van het besluit kennis hebben kunnen nemen, daartegen bezwaar hebben gemaakt, sprake is van verschoonbare termijnoverschrijding in de zin van artikel 6:11 van de Awb.

Het bouwplan voorziet in nieuwbouw op het zogenaamde "Noordmancomplex", waartoe behoren het bouwen van een villa met bijbehorende garage, twee woningen onder één kap, negen woningen, een restaurant, het verbouwen van een kantoor en bedrijfshal, en het bouwen van twee woongebouwen (appartementencomplexen) en een kantorencomplex met parkeerkelder op de percelen Haagweg 51 tot en met 61 te Leiden.

Ingevolge artikel 56a, eerste lid, van de Woningwet (Wow), zoals dat luidde ten tijde van het nemen van de in geding zijnde besluiten, wordt een reguliere bouwvergunning op aanvraag in twee fasen verleend. De bouwvergunning eerste fase mag slechts en moet ingevolge het tweede lid van dit artikel worden geweigerd indien een weigeringsgrond als bedoeld in artikel 44, eerste lid, onderdeel b, c, d of e, van toepassing is, met dien verstande dat onderdeel b van dat lid slechts van toepassing is voor zover de daar bedoelde voorschriften van stedenbouwkundige aard zijn. De bouwvergunning tweede fase mag slechts en moet ingevolge het derde lid van dit artikel worden geweigerd indien een weigeringsgrond als bedoeld in artikel 44, eerste lid, onderdeel a of b van toepassing is, met dien verstande dat onderdeel b van dat lid niet van toepassing is voor zover de daar bedoelde voorschriften van stedenbouwkundige aard zijn.

In artikel 44, eerste lid, van de Wow, zoals dat luidde ten tijde van het nemen van de in geding zijnde besluiten, is bepaald dat een bouwvergunning alleen mag en moet worden geweigerd indien sprake is van een van de daar genoemde weigeringsgronden. Ingevolge het bepaalde onder b dient de bouwvergunning te worden geweigerd indien het bouwen niet voldoet aan de bouwverordening.

Ingevolge artikel 2.5.30 van de Bouwverordening moet - voor zover van belang - indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft, ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort.

Verweerder hanteert in het kader van artikel 2.5.30 van de Bouwverordening voor het berekenen van het aantal benodigde parkeerplaatsen bij een object de normen van het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water - en Wegenbouw en de Verkeerstechniek (CROW). Volgens deze normen zijn voor het bouwplan 130 parkeerplaatsen benodigd. Uit de overgelegde stukken en de ter zitting daarop gegeven toelichting blijkt dat het bouwplan voorziet in de aanleg van 106 parkeerplaatsen; 87 onder en rond de appartementen en 19 rond het restaurant. Het tekort van 24 wordt gecompenseerd door gebruikmaking van parkeerplaatsen bij de bestaande houtloods en het kantoor. De parkeerplaatsen die overdag ten behoeve van het kantoor worden gebruikt, zijn 's avonds beschikbaar voor het restaurant. 95 % van de 34 voor het kantoor bestemde parkeerplaatsen wordt meegerekend voor het restaurant, in totaal derhalve (naar beneden afgerond) 32 parkeerplaatsen.

Eiser sub 2 heeft geen stukken overgelegd waaruit zijn stelling blijkt dat het bouwplan niet in voldoende parkeerplaatsen voorziet. De rechtbank ziet in de stellingen van eiser sub 2 geen grond voor de vrees dat ten gevolge van het onderhavige bouwplan de parkeerdruk ter plaatse onaanvaardbaar zal toenemen. Gesteld noch gebleken is dat verweerder een onjuiste maatstaf heeft aangelegd door 95 % van de voor het kantoor bestemde parkeerplaatsen mee te rekenen als voor het restaurant benodigde parkeerplaatsen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft kunnen stellen dat er voor het bouwplan sprake is van voldoende parkeergelegenheid als bedoeld in artikel 2.5.30 van de Bouwverordening. Zij neemt daarbij in aanmerking dat in de parkeerbehoefte volledig binnen het plangebied wordt voorzien door de 106 parkeerplaatsen te realiseren, en voor de overige parkeerbehoefte van 24 parkeerplaatsen gebruik te maken van 32 parkeerplaatsen bij de houtloods en het kantoor. Op basis van de normen van het CROW zijn ten behoeve van het bouwplan 130 parkeerplaatsen nodig, zodat er 8 plaatsen als buffercapaciteit zullen overblijven.

Het vorenstaande brengt met zich mee dat het bouwplan in overeenstemming is met artikel 2.5.30 van de Bouwverordening.

Ingevolge het bepaalde in artikel 44, eerste lid, aanhef en onder c van de Wow, zoals dat luidde ten tijde van het nemen van de in geding zijnde besluiten, dient de bouwvergunning te worden geweigerd indien het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of de krachtens zodanig plan gestelde eisen.

Ter plaatse gold ten tijde van het nemen van de besluiten van 25 mei 2005 en 6 september 2005 het bestemmingsplan "Zuid-West 1990 (fa. Noordman)" uit 1990.

De gronden waarop het bouwplan betrekking heeft, hadden gedeeltelijk de bestemming "Detailhandel in hout en wijn", gedeeltelijk de bestemming "Kantoren, woningen", gedeeltelijk de bestemming "Tuin, erf", en gedeeltelijk de bestemming "Water". Het bouwplan is hiermee niet in overeenstemming.

Om het bouwplan mogelijk te maken heeft verweerder vrijstelling op grond van artikel 19, eerste lid, van de WRO verleend.

Voor zover eisers betogen dat verweerder niet in redelijkheid vrijstelling voor het bouwplan heeft kunnen verlenen, wordt het volgende overwogen. Bij besluit van 20 december 2005 heeft de raad van de gemeente Leiden het bestemmingsplan "Leiden Zuidwest" vastgesteld. Gedeputeerde staten van Zuid-Holland hebben bij besluit van 4 juli 2006 beslist over de goedkeuring van dit bestemmingsplan en goedkeuring onthouden aan de daarin aan een gedeelte van de gronden waarop het bouwplan betrekking heeft, toegekende bestemming "Bedrijfsdoeleinden", en goedkeuring verleend aan de overige toegekende bestemmingen. Dit bestemmingsplan is, behoudens het plandeel waaraan goedkeuring is onthouden, op 21 augustus 2006 in werking getreden. Bij uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 5 september 2007 (200605837/1, LJN BB2930) zijn de beroep tegen het besluit van gedeputeerde staten van 4 juli 2006 deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond verklaard. Gelet hierop is voormeld bestemmingsplan, behoudens voor zover het betreft het plandeel waaraan goedkeuring is onthouden, reeds onherroepelijk van kracht. Het bouwplan is in overeenstemming met de in dit bestemmingsplan aan het perceel gegeven bestemming.

Op het plandeel waaraan gedeputeerde staten van Zuid-Holland goedkeuring hebben onthouden is de van het bouwplan deel uitmakende bedrijfshal geprojecteerd.

De rechtbank overweegt dat het gevolg van de onthouden goedkeuring is, dat voor het plandeel waarop de onthouding ziet, het bestemmingsplan "Zuid-West 1990 (fa. Noordman)" nog van toepassing is. Uit genoemde uitspraak van de Afdeling als ook uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat het bouwplan wat dat deel betreft in overeenstemming is met bestemmingsplan "Zuid-West 1990 (fa. Noordman)".

Het vorenstaande brengt mee dat geen belang meer bestaat bij een beoordeling van de rechtmatigheid van het vrijstellingsbesluit van verweerder. Thans is voor het bouwplan immers geen vrijstelling meer vereist.

De stelling van eisers sub 1 dat verweerder ten onrechte niet heeft gemotiveerd waarom het bouwplan ondanks de aanduiding van het betreffende plandeel als "gebied met hoge archeologische verwachting" aan de orde zou kunnen zijn, begrijpt de rechtbank aldus, dat eisers sub 1 beogen te stellen dat verweerder had moeten motiveren waarom hij van mening is dat het bouwplan op dit onderdeel in overeenstemming met het bestemmingsplan is.

De rechtbank overweegt dienaangaande dat de herziening van bestemmingsplan "Zuid-West 1990 (fa. Noordman)" er mede toe strekt het onderhavige bouwplan mogelijk te maken. Nu eisers sub 1 zélf niet hebben gesteld dat en waarom zij kennelijk van mening zijn dat het bouwplan zich niet verdraagt met de aanduiding "gebied met hoge archeologische verwachting", kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezegd dat verweerder ten onrechte niet heeft gemotiveerd waarom het bouwplan op dit onderdeel past binnen bestemmingsplan "Leiden Zuidwest".

Het vorenstaande brengt met zich mee dat het bouwplan in overeenstemming is met de ter plaatse vigerende bestemmingsplannen "Leiden Zuidwest" en "Zuid-West 1990 (fa. Noordman)".

Ingevolge artikel 44, eerste lid, aanhef en onder d van de Wow, zoals dat luidde ten tijde van het nemen van de in geding zijnde besluiten, dient de bouwvergunning te worden geweigerd indien het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking in strijd is met redelijke eisen van welstand.

Eisers sub 1 stellen dat onvoldoende is gemotiveerd waarom het bouwplan voldoet aan redelijke eisen van welstand. De rechtbank begrijpt de beroepsgrond aldus, dat verweerder in de visie van eisers sub 1 niet kon volstaan met de overname van het door de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit uitgebrachte advies, omdat dit ondeugdelijk is, zowel naar inhoud als naar wijze van totstandkoming.

Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt. Uit artikel 3:9 van de Awb, gelezen in samenhang met 3:49 van de Awb, blijkt dat verweerder zich, alvorens ter motivering van dit onderdeel van de bouwvergunning eerste fase te verwijzen naar genoemd advies, ervan dient te vergewissen dat het onderzoek dat ten grondslag ligt aan het advies op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Zoals de Afdeling reeds meerdere malen heeft overwogen (bijvoorbeeld in de uitspraak van 18 juni 2008, 200703692/1, LJN BD5080) mag het college van burgemeester en wethouders, hoewel hij niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij hem berust, aan het advies in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen. Het overnemen van een welstandsadvies behoeft in de regel geen nadere toelichting, tenzij de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie. Dit is slechts anders indien het advies van de welstandscommissie naar inhoud en wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het college dit niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen.

Van een deskundig tegenadvies is in dit geval geen sprake. Hoewel het advies summier is gemotiveerd kan niet gezegd worden dat sprake is van zodanige gebreken dat verweerder het advies van de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit niet aan zijn besluit ten grondslag heeft mogen leggen.

Het vorenstaande brengt met zich dat het bouwplan in overeenstemming is met redelijke eisen van welstand.

Aangezien geen van de andere in artikel 44, eerste lid, van de Wow genoemde weigeringsgronden zich voordoet, heeft verweerder, gelet op dit artikellid in samenhang met artikel 56a, tweede en derde lid, van de Wow, op goede gronden de gevraagde bouwvergunningen eerste en tweede fase verleend.

Het betoog van eisers sub 1 dat het bestreden besluit wat betreft het onderwerp luchtkwaliteit ontoereikend en onzorgvuldig is gemotiveerd, treft geen doel. Zoals de Afdeling reeds meerdere malen heeft overwogen (bijvoorbeeld in de uitspraak van 30 augustus 2008, 200506735/1, LJN AY7153), levert eventuele strijd met het destijds geldende Besluit luchtkwaliteit niet een in artikel 44, eerste lid, van de Wow bedoelde weigeringsgrond op en kan de bouwvergunning derhalve niet om die reden worden geweigerd.

Voor zover de beroepsgronden van eiser sub 2 betrekking hebben op de inhoud en totstandkoming van bestemmingsplan "Leiden Zuidwest", de daaraan ten grondslag liggende geluidsrapportage en het ligplaatsenplan van gemeente Leiden, merkt de rechtbank op dat deze beroepsgronden geen doel treffen omdat deze aspecten geen deel uitmaken van het toetsingskader voor het bouwplan; zij leveren niet een in artikel 44, eerste lid, van de Wow bedoelde weigeringsgrond op. Datzelfde geldt voor de overlast die eiser sub 2 vreest te ondervinden als gevolg van het gebruik van het bij het restaurant behorende terras. Uit het gegeven dat, zoals hiervoor is vastgesteld, geen van de in artikel 44, eerste lid, van de Wow genoemde weigeringsgronden zich voordoet, vloeit voort dat de door eiser sub 2 gestelde overlast niet in de beoordeling van de rechtmatigheid van de verleende bouwvergunning betrokken kan worden.

De beroepen zijn ongegrond.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart de beroepen ongegrond.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Aldus gegeven door mr. I.A.M. Kroft, mr. E. Dijt en mr. M.M. Smorenburg, en in het openbaar uitgesproken op 28 oktober 2008, in tegenwoordigheid van de griffier mr. R.F. van Aalst.