Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BG7109

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-12-2008
Datum publicatie
17-12-2008
Zaaknummer
AWB 08/13096
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Associatiebesluit 1/80 / gezinslid van Turkse werknemer / legaal wonen / aanvang driejarentermijn

Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat artikel 7 van het Associatiebesluit 1/80 aldus moet worden uitgelegd dat de termijn van drie jaar legaal wonen eerst aanvangt nadat het gezinslid toestemming heeft gekregen om zich bij de Turkse werknemer te voegen en het gezinslid ook daadwerkelijk bij het gezinslid is gaan wonen. Gelet op de doelstelling van het Associatiebesluit 1/80, zoals daaromtrent met name in r.o. 30 in het arrest inzake Kadiman is overwogen, kan de periode dat eiser en zijn voormalige echtgenote hebben samengewoond voordat toestemming werd verleend aan eiser om zich bij zijn voormalige echtgenote te voegen, derhalve niet meetellen.

Eiser voldoet niet aan de voorwaarde van ten minste drie jaar legaal wonen in de zin van artikel 7 voornoemd. Eiser heeft immers eerst op 3 mei 2004 – de datum van de inwilliging van zijn aanvraag tot afgifte van een mvv – toestemming gekregen om zich bij zijn voormalig echtgenote te voegen. De termijn van legaal wonen is vervolgens aangevangen op 24 juni 2004, de datum waarop eiser Nederland is ingereisd en (weer) bij zijn voormalige echtgenote is gaan wonen. De termijn is ten slotte geëindigd op 19 maart 2007. Eiser voldeed per 19 maart 2007 immers niet meer aan de voorwaarden van artikel 7 voornoemd in die zin dat hij kon worden beschouwd als een gezinslid van een Turkse werknemer die ten minste drie jaar legaal in de Lid-Staat had gewoond. Nu eiser als gezinslid minder dan drie jaar legaal in Nederland heeft gewoond, is de rechtbank van oordeel dat eiser reeds daarom geen rechten kan ontlenen aan artikel 7.

De stelling dat eiser als gezinslid van een Turkse werknemer, die tevens de Nederlandse nationaliteit heeft, verblijf toekomt op grond van artikel 7 behoeft hiermee geen bespreking meer.

Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 08/13096

Uitspraak van de meervoudige kamer van 4 december 2008

inzake

[eiser],

geboren op [1978],

nationaliteit Turkse,

verblijvende te Amsterdam,

eiser,

gemachtigde mr. H.K. Jap A Joe,

tegen

de staatssecretaris van Justitie,

te Den Haag,

verweerder,

gemachtigde mr. M.M. van Asperen.

Procesverloop

Bij besluit van 15 oktober 2007, heeft verweerder de aanvraag van eiser tot wijziging van zijn verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking “verblijf bij echtgenote [naam echtgenote]” in de beperking “voortgezet verblijf” afgewezen en de aan eiser 19 maart 2007.

Het hiertegen door eiser gemaakte bezwaar is door verweerder bij besluit van 18 maart 2008 ongegrond verklaard.

Eiser heeft op 14 april 2008 tegen laatstgenoemd besluit beroep ingesteld.

De zaak is behandeld op de zitting van 10 oktober 2008, waar eiser is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Overwegingen

1. Aan de orde is de vraag of het besluit van 18 maart 2008 in rechte stand kan houden.

2. De rechtbank gaat bij de beoordeling van het beroep uit van de volgende feiten en omstandigheden.

3. Op 23 maart 2003 heeft eisers voormalige echtgenote namens eiser een aanvraag tot afgifte van een machtiging voorlopig verblijf (hierna: mvv) ingediend. Eiser en zijn voormalige echtgenote zijn op 31 maart 2003 gaan samenwonen en op 23 oktober 2003 getrouwd. De aanvraag tot afgifte van een mvv is ingewilligd op 3 mei 2004. Eiser is vervolgens op 24 juni 2004 met deze mvv Nederland ingereisd. Bij besluit van 18 februari 2005 is eiser in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder de beperking “verblijf bij echtgenote [naam echtgenote]”. Deze verblijfsvergunning is verleend met ingang van 4 augustus 2004, met een geldigheidsduur tot 28 juli 2005. De geldigheidsduur van deze verblijfsvergunning is laatstelijk verlengd tot 28 juli 2008. Op 19 maart 2007 heeft eisers voormalige echtgenote een echtscheidingsverzoek ingediend. Op 11 mei 2007 heeft eiser bij de burgemeester van de gemeente Amsterdam onderhavige aanvraag tot wijziging van de beperking ingediend. Het huwelijk is op 6 november 2007 door echtscheiding ontbonden. Ter zitting is gebleken dat eisers voormalige echtgenote sinds 12 juni 1996 naast de Turkse nationaliteit, tevens de Nederlandse nationaliteit bezit.

4. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eisers aanvraag tot wijziging van zijn verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf bij echtgenote [naam echtgenote]’ in de beperking ‘voortgezet verblijf” terecht is afgewezen en dat de aan eiser verleende verblijfsvergunning terecht is ingetrokken. Voorts heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat aan eiser geen verblijf toekomt op grond van de artikelen 6 en 7 van het Associatiebesluit 1/80 van de Associatieraad EEG-Turkije (hierna: Associatiebesluit 1/80).

5. Eiser heeft in de beroepsgronden uitsluitend gesteld dat hij voldoet aan de voorwaarden genoemd in artikel 7 van het Associatiebesluit 1/80.

6. In geschil is derhalve of eiser een geslaagd beroep kan doen op artikel 7 van het Associatiebesluit 1/80. Eisers ter zitting naar voren gebrachte stelling dat hij tevens voldoet aan de beperking “voortgezet verblijf” op grond van het nationale recht is, gelet op de beroepsgronden tardief, zodat de rechtbank hieraan voorbij gaat.

7. Eiser heeft gesteld dat hem verblijf toekomt op grond van artikel 7 van het Associatiebesluit 1/80, nu hij langer dan drie jaar legaal heeft samengewoond met zijn voormalige echtgenote in de zin van dat artikel. Uit het uittreksel van de gemeentelijke basisadministratie dat eiser heeft overgelegd bij de aanvraag, blijkt immers dat eiser op 31 maart 2003 is gaan samenwonen met zijn voormalige echtgenote. In ieder geval woonden zij samen vanaf hun trouwdag op 23 oktober 2003. Eiser erkent dat het huwelijk feitelijk is gestrand door de indiening van het echtscheidingsverzoek op 19 maart 2007. Dat de voormalige echtgenote van eiser tijdens hun samenwonen zowel de Turkse als de Nederlandse nationaliteit bezat, doet hier niet aan af. Eiser heeft in dit verband gewezen op een uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Arnhem, van 18 december 2007, JV 2008/96.

8. Verweerder meent dat eiser geen verblijf toekomt op grond van artikel 7 van het Associatiebesluit 1/80. Volgens verweerder kunnen zowel de werknemer als het gezinslid geen rechten ontlenen aan de Associatieovereenkomst, het Associatiebesluit en het Aanvullend Protocol, indien de werknemer naast de Turkse nationaliteit tevens de Nederlandse nationaliteit bezit. De werknemer kan in deze situatie immers niet worden gekwalificeerd als Turkse werknemer in de zin van de Associatieovereenkomst. Verweerder heeft hierbij verwezen naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 31 juli 2006, JV 2006/355. Ter zitting heeft verweerder hieraan toegevoegd dat, afgezien van de Nederlandse nationaliteit van eisers voormalige echtgenote, eiser niet voldoet aan de voorwaarde van legaal wonen gedurende ten minste drie jaar. Verweerder heeft hierbij verwezen naar de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: Hof van Justitie) van 17 april 1997 inzake Kadiman (zaaknummer C-351/95) en 18 juli 2007 inzake Derin (JV 2007, 438).

9. Het toetsingskader is als volgt.

10. Bij de Overeenkomst, waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap (hierna: de Gemeenschap) en Turkije (hierna: de Associatieovereenkomst), is een Associatieraad ingesteld. Deze overeenkomst is op 12 september 1963 door de lidstaten van de Gemeenschap en de Gemeenschap enerzijds en Turkije anderzijds ondertekend en namens de Gemeenschap bij besluit 64/732/EEG van de Raad van de Gemeenschap van 23 december 1963 (PB 1964, 217) gesloten, goedgekeurd en bekrachtigd.

11. Ingevolge artikel 36 van het Aanvullend Protocol (Trb. 1973/30), voor zover thans van belang, wordt het vrije verkeer van werknemers tussen de lidstaten van de Gemeenschap en Turkije geleidelijk tot stand gebracht overeenkomstig de in artikel 12 van de Associatieovereenkomst neergelegde beginselen. De hiertoe nodige regels worden door de Associatieraad bepaald.

12. De Associatieraad heeft krachtens artikel 12 van de Associatieovereenkomst en artikel 36 van het Aanvullend Protocol op 20 december 1976 Besluit 2/76 genomen, dat volgens artikel 1 ervan bedoeld is als een eerste stap op weg naar de verwezenlijking van het vrije verkeer van werknemers tussen de lidstaten van de Gemeenschap en Turkije.

13. Op 19 september 1980 heeft de Associatieraad Associatiebesluit 1/80 genomen. Dat besluit dient er volgens de derde overweging van de considerans toe om op sociaal gebied de regeling voor werknemers en hun gezinsleden te verbeteren ten opzichte van de regeling die is ingevoerd bij voormeld Besluit 2/76.

14. Ingevolge artikel 13 van het Associatiebesluit 1/80 mogen de lidstaten van de Gemeenschap en Turkije geen nieuwe beperkingen invoeren met betrekking tot de toegang tot de werkgelegenheid van werknemers en hun gezinsleden wier verblijf en arbeid op hun onderscheiden grondgebied legaal zijn.

15. Artikel 7 van het Associatiebesluit 1/80 luidt voor zover van belang:

“Gezinsleden van een tot de legale arbeidsmarkt van een Lid-Staat behorende Turkse werknemer, die toestemming hebben gekregen om zich bij hem te voegen:

- hebben het recht om – onder voorbehoud van de aan de werknemers uit de Lid-Staten van de Gemeenschap te verlenen voorrang – te reageren op een arbeidsaanbod, wanneer zij sedert ten minste 3 jaar aldaar legaal wonen;

- hebben er vrije toegang tot iedere arbeid in loondienst te hunner keuze wanneer zij sedert ten minste 5 jaar aldaar legaal wonen.

(…)”.

16. Rechtsoverweging 30 van het voormelde arrest inzake Kadiman luidt:

“Ook al vormen de sociale bepalingen van besluit nr. 1/80, waarvan artikel 7, eerste alinea, deel uitmaakt, een etappe verder op weg naar de verwezenlijking van het vrije verkeer van werknemers, daarbij geleid door de artikelen 48, 49 en 50 van het Verdrag, en ook al heeft het Hof daarom geoordeeld, dat het noodzakelijk is, dat de in het kader van deze bepalingen erkende beginselen zoveel mogelijk worden toegepast op Turkse werknemers die de bij dit besluit toegekende rechten genieten (zie arresten van 6 juni 1995, zaak C-434/93, Bozkurt, Jurispr. 1995, blz. I-1475, r.o. 14, 19 en 20, en 23 januari 1997, zaak C-171/95, Tetik, Jurispr. 1997, blz. I-0000, r.o. 20), dit neemt niet weg, dat Turkse onderdanen bij de huidige stand van het recht niet het recht hebben zich vrij binnen de Gemeenschap te verplaatsen, doch slechts bepaalde rechten genieten in de Lid-Staat van ontvangst op het grondgebied waarvan zij wettig zijn binnengekomen en gedurende een bepaalde tijd legale arbeid hebben verricht (arrest Tetik, reeds aangehaald, r.o. 29), of, wat de gezinsleden van een Turks werknemer betreft, waar zij toestemming hebben verkregen om zich bij hem te voegen en gedurende de termijn van artikel 7, eerste alinea, beide streepjes, legaal hebben gewoond.”

17. De rechtbank is van oordeel dat eiser geen geslaagd beroep kan doen op artikel 7 van het Associatiebesluit 1/80. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat artikel 7 van het Associatiebesluit 1/80 aldus moet worden uitgelegd dat de termijn van drie jaar legaal wonen eerst aanvangt nadat het gezinslid toestemming heeft gekregen om zich bij de Turkse werknemer te voegen en het gezinslid ook daadwerkelijk bij het gezinslid is gaan wonen. Gelet op de doelstelling van het Associatiebesluit 1/80, zoals daaromtrent met name in r.o. 30 in het arrest inzake Kadiman is overwogen, kan de periode dat eiser en zijn voormalige echtgenote hebben samengewoond voordat toestemming werd verleend aan eiser om zich bij zijn voormalige echtgenote te voegen, derhalve niet meetellen.

18. Uit het voorgaande volgt dat eiser niet aan de voorwaarde van ten minste drie jaar legaal wonen in de zin van artikel 7 van het Associatiebesluit 1/80 voldoet. Eiser heeft immers eerst op 3 mei 2004 – de datum van de inwilliging van zijn aanvraag tot afgifte van een mvv – toestemming gekregen om zich bij zijn voormalig echtgenote te voegen. De termijn van legaal wonen is vervolgens aangevangen op 24 juni 2004, de datum waarop eiser Nederland is ingereisd en (weer) bij zijn voormalige echtgenote is gaan wonen. De termijn is ten slotte geëindigd op 19 maart 2007. Eiser voldeed per 19 maart 2007 immers niet meer aan de voorwaarden van artikel 7 van het Associatiebesluit 1/80 in die zin dat hij kon worden beschouwd als een gezinslid van een Turkse werknemer die ten minste drie jaar legaal in de Lid-Staat had gewoond.

19. Nu eiser als gezinslid minder dan drie jaar legaal in Nederland heeft gewoond, is de rechtbank van oordeel dat eiser reeds daarom geen rechten kan ontlenen aan artikel 7 van het Associatiebesluit 1/80.

20. De stelling dat eiser als gezinslid van een Turkse werknemer, die tevens de Nederlandse nationaliteit heeft, verblijf toekomt op grond van artikel 7 van het Associatiebesluit 1/80 behoeft hiermee geen bespreking meer.

21. Het beroep is derhalve ongegrond.

22. Voor een veroordeling van één der partijen in de door de andere partij gemaakte kosten bestaat geen aanleiding.

23. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. J.R. van Es-de Vries als voorzitter en mr. E.H.M. Druijf en mr. H. Benek als leden van de meervoudige kamer in tegenwoordigheid van mr. D.S. Arjun Sharma als griffier en in het openbaar uitgesproken op 4 december 2008.