Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BG6641

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-12-2008
Datum publicatie
11-12-2008
Zaaknummer
09/525483-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ruzie in café. Aangeefster heeft bij verdachte de inhoud van een glas bier in het gezicht gegooid. Verdachte heeft vervolgens aangeefster met een bierglas in het gezicht geslagen en in het gezicht heeft geschopt. Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat wel sprake is geweest van zwaar lichamelijk letsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer 09/525483-07

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank 's-Gravenhage heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,

adres: [adres].

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzittingen van 19 augustus en 27 november 2008.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. I. Streefland en van hetgeen door de raadsvrouw van verdachte, mr. E.J.C. van de Laak, advocaat te Lisse, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is primair ten laste gelegd dat:

- zij op of omstreeks 23 september 2007 te Lisse aan een persoon genaamd [A], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (viertal (snij)verwondingen in het gelaat), heeft toegebracht, door deze opzettelijk met een (bier)glas in/tegen het gezicht, althans het hoofd, heeft gestompt en/of geslagen en/of geduwd en/of tegen het hoofd, althans het lichaam heeft geschopt;

art. 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

- zij op of omstreeks 23 september 2003 te Lisse opzettelijk een persoon (te weten [A]), met een (bier)glas in/tegen het gezicht, althans het hoofd, heeft gestompt en/of geslagen en/of geduwd en/of tegen het hoofd, althans het lichaam heeft geschopt, tengevolge waarvan deze zwaar lichamelijk letsel (viertal (snij)verwondingen in het gelaat), althans enig lichamelijk letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

art. 300 lid 1 wetboek van Strafrecht

art. 300 lid 2 Wetboek van Strafrecht

3. Het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich primair schuldig heeft gemaakt aan zware mishandeling, subsidiair aan mishandeling terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft, door [A] opzettelijk met een bierglas tegen het gezicht te slaan ten gevolge waarvan deze snijverwondingen in het gezicht heeft opgelopen en door die ander opzettelijk tegen het hoofd, althans tegen het lichaam te schoppen.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank verdachte zal vrijspreken van het primair ten laste gelegde nu niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte het opzet had op het duwen of wrijven van een bierglas in het gezicht van het slachtoffer.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat verdachte hetgeen haar subsidiair ten laste is gelegd, mishandeling, heeft begaan. De officier van justitie heeft daarbij aangegeven dat het letsel niet als zwaar lichamelijk letsel kan gelden, zodat verdachte ook in zoverre van het subsidiair ten laste gelegde gevolg dient te worden vrijgesproken.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat verdachte het slachtoffer, mevrouw [A], slechts heeft willen wegduwen nadat deze bij verdachte de inhoud van een glas bier in het gezicht had gegooid. Verdachte is zich er niet van bewust geweest dat zij nog een glas in haar hand had op het moment dat zij die wegduwende beweging maakte. Haar aandacht en concentratie waren volledig gericht geweest op het gesprek, dat geen prettig karakter had. Uit de plaats van de verwondingen van het slachtoffer blijkt bovendien dat het glas niet met de open kant -de doorsnede- in het gezicht van mevrouw [A] is geduwd, maar dat het in de lengterichting in het gezicht terecht is gekomen, hetgeen impliceert dat van een bewust steken met het glas geen sprake is geweest, aldus de raadsvrouw. Dit alles leidt volgens de verdediging tot de conclusie dat niet sprake is geweest van enig bewustzijn met betrekking tot het glas in de hand van verdachte, zodat zij niet het (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het ontstaan van enig letsel of pijn, laat staan op zwaar lichamelijk letsel. De raadsvrouw bepleit daarom vrijspraak van zowel het primair als het subsidiair ten laste gelegde.

Verdachte heeft verklaard dat het mogelijk is dat zij mevrouw [A] twee keer in het gezicht heeft geschopt, maar, zo heeft de raadsvrouw aangevoerd, nu dit geen zwaar lichamelijk letsel dan wel enig letsel of zelfs maar pijn ten gevolge heeft gehad dient ook op dit punt vrijspraak te volgen.

3.3 De beoordeling van de tenlastelegging

De rechtbank gaat, gelet op de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting, uit van de volgende feiten(1).

Op 23 september 2007 was verdachte in café de Engel in Lisse. Aangeefster [A] was op dat moment ook in dit café. Aangeefster en verdachte raakten met elkaar in gesprek. Na enige tijd ontstond ruzie(2). Aangeefster heeft verklaard dat zij op enig moment, in reactie op een opmerking van verdachte, bij verdachte de inhoud van een glas bier in het gezicht heeft gegooid(3). Verdachte heeft bevestigd dat aangeefster haar een biertje in het gezicht heeft gegooid(4).

Verdachte heeft verklaard dat zij daarop als onmiddellijke reactie aangeefster wegduwde. Verdachte zegt in dat verband dat zij een bierglas in haar hand had, en dat dat glas bijna leeg was. Het ging volgens verdachte om een "fluitje"(5). Volgens verdachte duwde zij aangeefster in haar gezicht met de hand waarin zij op dat moment het bierglas vasthad(6).

Aangeefster heeft verklaard dat zij verdachte een scheppende of zwaaiende beweging met haar arm heeft zien maken en dat zij onmiddellijk daarna in elkaar gedoken is omdat haar gezicht pijn deed en haar ogen vol met bloed zaten. Deze reactie van verdachte volgde binnen enkele seconden op het gooien van het bier door aangeefster. Aangeefster heeft verklaard dat zij niet heeft gezien of het glas dat in haar gezicht werd geduwd heel of kapot was.(7)

Aangeefster heeft voorts verklaard dat zij als gevolg van dit incident verwondingen in haar gezicht heeft opgelopen. Zij is diezelfde avond naar de dokterspost in Voorhout gegaan, waar twaalf hechtingen aan de linkerkant van haar gezicht zijn aangebracht(8).

Uit de genoemde bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat verdachte op 23 september 2007 te Lisse aangeefster met een bierglas in het gezicht heeft geslagen.

Zoals hierboven reeds is weergegeven heeft aangeefster verklaard dat zij verdachte een zwaaiende of scheppende beweging heeft zien maken. Dit wordt bevestigd door de verklaring van getuige [B].(9) Deze verklaringen ondersteunen de verklaring van verdachte, die zij ter terechtzitting heeft herhaald, dat zij onmiddellijk reageerde op het bier dat in haar gezicht was gegooid en dat zij aangeefster wilde wegduwen zonder dat zij daarbij de bedoeling had haar met het bierglas te slaan. De rechtbank is aldus met de officier van justitie en met verdachte van oordeel dat geen sprake is geweest van opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, zodat verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde.

Met betrekking tot het subsidiair ten laste gelegde overweegt de rechtbank het volgende. Naar het oordeel van de rechtbank is de zwaaiende beweging van verdachte in de richting van het gezicht aangeefster geëigend om pijn en/of letsel toe te brengen. De rechtbank is daarom van oordeel dat sprake is geweest van mishandeling. Het gevolg van deze mishandeling, diverse snijwonden in het gelaat van aangeefster, is aan verdachte toe te rekenen, nu deze er wetenschap van had dat zij een glas in haar hand had.

Ten aanzien van de vraag of het letsel van aangeefster als zwaar lichamelijk moet worden aangemerkt overweegt de rechtbank het volgende. Littekens in het gelaat kunnen als ernstig ontsierend worden ervaren. De medische verklaring met bijgevoegde tekening(10) en de foto's van aangeefster in het dossier(11), de waarneming van de rechter-commissaris van bijna een jaar na het incident, dat de littekens nog zichtbaar zijn(12) en de verklaring van aangeefster bij de rechter-commissaris dat het eindresultaat nu is bereikt en dat zij nog dagelijks met de littekens wordt geconfronteerd(13) geven aanleiding tot de conclusie dat het aan aangeefster toegebracht leed als ernstig en mogelijk blijvend is aan te merken. Naar gewoon spraakgebruik is dergelijk letsel als zwaar aan te merken. Anders dan de officier van justitie, is de rechtbank dan ook van oordeel dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan een mishandeling die zwaar lichamelijk letsel tot gevolg heeft gehad.

Met betrekking tot het schoppen overweegt de rechtbank als volgt. Getuige [C] heeft verklaard dat verdachte aangeefster tweemaal in het gezicht schopte(14). Verdachte heeft ook ter terechtzitting herhaald dat het goed zou kunnen dat zij aangeefster meermalen heeft geschopt en dat de schoppen in het gezicht van aangeefster terecht gekomen kunnen zijn. Uit de medische verklaring in het dossier blijkt dat sprake is geweest van een bloeduitstorting bij de onderlip, een zwelling en kneuzing van de onderlip en dat het gebied van de onderlip en van de neus drukpijnlijk was(15). Deze verwondingen passen naar het oordeel van de rechtbank niet bij het slaan van een glas in het gezicht maar wel bij het schoppen in het gezicht.

Uit de genoemde bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat verdachte aangeefster in het gezicht heeft geschopt en dat aangeefster ook als gevolg daarvan pijn heeft ondervonden.

3.4 De bewezenverklaring

Uit het vorenstaande volgt dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen acht dat verdachte op 23 september 2007 te Lisse opzettelijk een persoon (te weten [A]), met een (bier)glas tegen het gezicht heeft geslagen en tegen het hoofd heeft geschopt, tengevolge waarvan deze zwaar lichamelijk letsel ((snij)verwondingen in het gelaat) heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

4. De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

5. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is eveneens strafbaar, omdat niet is gebleken van omstandigheden die haar strafbaarheid uitsluiten.

6. De straf/maatregel

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het haar bij dagvaarding subsidiair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 80 uur, subsidiair 40 dagen vervangende hechtenis, waarvan 20 uur voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat verdachte pas 20 jaar oud is en nog bij haar vader thuis woont. Verdachte zou graag haar studie voortzetten om op termijn bij een kinderdagverblijf te kunnen werken. Zij is slechts éénmaal, toen zij nog minderjarig was, met justitie in aanraking geweest. Van enige verslaving is geen sprake. Verdachte is zo geschrokken van het incident dat zij hulp heeft gezocht bij De Waag, waar zij een behandeling heeft gevolgd om te leren waar haar grenzen liggen en hoe zij moet handelen als anderen die grenzen overschrijden. De raadsvrouw bepleit oplegging van een geheel voorwaardelijke straf, met als bijzondere voorwaarde dat verdachte de behandeling bij De Waag afmaakt. Subsidiair verzoekt de verdediging oplegging van een leerstraf, te weten de agressiebeheersingsmodule en meer subsidiair oplegging van een taakstraf.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij het vaststellen van de straf in de eerste plaats betrokken dat eenieder de verantwoordelijkheid draagt om ervoor te zorgen dat in de omgang met anderen, ook als die onaangenaam is of zelfs met ruzie gepaard gaat, die anderen geen lichamelijk letsel wordt toegebracht. De rechtbank heeft voorts in het bijzonder acht geslagen op de ernst van het letsel dat het gevolg is geweest van het handelen van verdachte. Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat wel sprake is geweest van zwaar lichamelijk letsel. Uit het dossier kan worden opgemaakt dat aangeefster nog lange tijd met het haar toegebracht letsel geconfronteerd zal worden en de littekens mogelijk nooit helemaal zullen verdwijnen. Die littekens bevinden zich in het gezicht van het slachtoffer, hetgeen de gevolgen voor haar nog zwaarder maakt. Ten slotte heeft de rechtbank acht geslagen op de omstandigheid dat verdachte, nadat zij het slachtoffer met het bierglas had geraakt, kennelijk zonder stil te staan bij de gevolgen van die klap het slachtoffer nog tweemaal in het gezicht heeft geschopt. De rechtbank is van oordeel dat gelet op deze omstandigheden een zwaardere straf dient te worden opgelegd dan door de officier van justitie gevorderd.

Voorts heeft de rechtbank meegewogen dat verdachte zelf hulp heeft gezocht bij De Waag, en dat zij slechts eenmaal eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit dat bovendien van andere aard was dan het feit waarvoor zij thans wordt veroordeeld.

Op grond van deze overwegingen acht de rechtbank na te melden straf passend en geboden.

7. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 9, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 51, 300 lid 1 en 2 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8. De beslissing

De rechtbank

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde feit heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

mishandeling terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de tijd van 200 (TWEEHONDERD) UREN;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 100 (HONDERD) DAGEN;

bepaalt, dat een gedeelte van die straf, groot 40 uren, subsidiair 20 dagen vervangende hechtenis, niet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door

mrs. P.A.M. Hoek, voorzitter,

H.J van Kooten en M.H. Rochat, rechters,

in tegenwoordigheid van J.J.R. Tiemensma, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 december 2008.

1 Waar hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt -tenzij anders vermeld- bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar hierna wordt verwezen naar dossierpagina's wordt -tenzij anders vermeld- bedoeld de pagina's van de bundel doorgenummerde processen-verbaal met bijlagen, met nummer PL1611/07-193696, Politie Hollands Midden, District Duin- en Bollenstreek, Team Lisse.

2 Proces-verbaal verhoor verdachte, p. 38, negende alinea en p. 39, derde alinea; proces-verbaal van aangifte p. 14, zesde alinea; proces-verbaal van verhoor getuige [C] p. 29, vierde en vijfde alinea.

3 Proces-verbaal van aangifte p. 27, zesde alinea en proces verbaal verhoor aangeefster bij de rechter-commissaris van 10 september 2008, sub 2, achtste en negende regel.

4 Proces-verbaal verhoor verdachte p. 39, laatste alinea en verklaring van verdachte ter terechtzitting

5 Proces-verbaal verhoor verdachte p. 39, vierde alinea, laatste drie regels.

6 Proces-verbaal verhoor verdachte p. 40, eerste en tweede alinea en verklaring van verdachte ter terechtzitting.

7 Proces-verbaal verhoor aangeefster bij de rechter-commissaris van 10 september 2008, sub 2, twaalfde tot en met achttiende regel.

8 Proces-verbaal van aangifte, p. 15, tweede en zevende alinea en verslag slachtofferonderzoek GGD Hollands Midden van 24 september 2007, p. 24 tot en met 28.

9 Proces-verbaal verhoor getuige [B], p. 31, zevende alinea.

10 Verslag slachtofferonderzoek GGD Hollands Midden van 24 september 2007, ingevuld door P.H.C. de Vries, arts, p. 24 onderaan en p. 26.

11 P. 17 tot en met 20.

12 Verklaring rechter-commissaris 10 september 2008, sub 6.

13 Proces-verbaal verhoor aangeefster bij de rechter-commissaris van 10 september 2008, sub 6.

14 Proces-verbaal verhoor getuige [C], p. 29, vijfde alinea, laatste twee regels.

15 Verslag slachtofferonderzoek GGD Hollands Midden van 24 september 2007, ingevuld door P.H.C. de Vries, arts, p. 25 onder ad II en ad III.