Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BG6485

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-12-2008
Datum publicatie
11-12-2008
Zaaknummer
09/757658-08
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSGR:2011:BV2148, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Steekpartij Berensteinlaan. Poging tot doodslag. Verdachte heeft samen met twee vrienden een hem geheel onbekende man ernstig mishandeld, waarbij dit slachtoffer is geschopt, geslagen en meermalen met een mes is gestoken in zijn gezicht en in zijn rug. Zie ook LJ-nummer BG6483 en BG6484 (medeverdachten).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/757658-08

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank 's-Gravenhage heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte 3],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,

adres: [adres],

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting Rijnmond "De Schie" te Rotterdam

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzittingen van 14 augustus 2008, 29 oktober 2008 en 26 november 2008.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. I.W. Streefland-Brink en van hetgeen door de raadsman van verdachte,

mr. J.A.W. Knoester, advocaat te 's-Gravenhage, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 15 mei 2008 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, opzettelijk [A] van het leven te beroven, met

dat opzet

- die [A] met een mes (meermalen) in het gezicht heeft gestoken en/of

gesneden en/of

- die [A] met een mes (meermalen) in de rug, althans in het lichaam van

heeft gestoken en/of

- die [A] in/tegen het gezicht en/of het hoofd en/of het lichaam heeft

geschopt/getrapt en/of geslagen/gestompt, terwijl de uitvoering van dat

voorgenomen misdrijf niet is voltooid

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een

veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 15 mei 2008 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met

(een) ander(en), althans alleen met het oogmerk van wederrechtelijke

toeëigening heeft weggenomen een telefoon en/of een beltegoedkaart en/of geld,

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [A], in elk

geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd

voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met

geweld tegen die [A], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te

bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan

zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het

gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld

bestond(en) uit het

- het (meermalen) schoppen/trappen en/of slaan/stompen in/tegen het gezicht

en/of tegen het hoofd en/of het lichaam van die [A] en/of

- het (meermalen) met een mes steken en/of snijden in het gezicht van die

[A] en/of

- het (meermalen) met een mes steken in de rug, in elk geval in het lichaam

van die [A];

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312, lid 2, sub 2, Wetboek van Strafrecht

EN/OF

hij op of omstreeks 15 mei 2008 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening weg

te nemen een telefoon en/of een beltegoedkaart en/of geld, in elk enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [A], in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), en daarbij die voorgenomen

diefstal te doen voorafgaan en/of te doen vergezellen en/of te doen volgen van

geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [A], te plegen met het oogmerk

om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij

betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of (een) aan andere deelnemer(s) van

dat misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het

gestolene te verzekeren, met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen

- die [A] naar beltegoed heeft gevraagd en/of (vervolgens)

- die [A](meermalen) in/tegen zijn gezicht en/of hoofd en/of lichaam

heeft/hebben gestompt/geslagen en/of getrapt/geschopt en/of (vervolgens)

- die [A] (meermalen) met een mes in zijn gezicht heeft/hebben gestoken

en/of gesneden en/of (vervolgens)

- die [A] (meermalen) met een mes in zijn rug, in elk geval in zijn lichaam

heeft/hebben gestoken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

meer subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of

een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 15 mei 2008 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met

anderen of een ander, althans alleen, aan een persoon genaamd [A],

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten: een klaplong, een snijwond

links in het gezicht en op de neus en een aan linker- en rechterzijde gebroken

neusschot), heeft toegebracht, door deze opzettelijk

- (meermalen) met een mes in het gezicht te steken en/of te snijden en/of

- (meermalen) met een mes in de rug, in elk geval in het lichaam te steken

en/of

- (meermalen) in/tegen het gezicht en/of hoofd en/of lichaam te

trappen/schoppen en/of te stompen/slaan;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

meest subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of

een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 15 mei 2008 te 's-Gravenhage met een ander of anderen, op

of aan de openbare weg, de Beresteinlaan, in elk geval op of aan een openbare

weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [A], welk geweld

bestond uit

- het (meermalen) met een mes steken en/of snijden in het gezicht van die

- het (meermalen) met een mes steken in de rug, in elk geval in het lichaam

van die [A] en/of

- het (meermalen) trappen/schoppen en/of stompen/slaan in/tegen het gezicht

en/of hoofd en/of lichaam van die [A];

art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3. Het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, primair op neer dat verdachte, samen met twee medeverdachten, gepoogd heeft [A] van het leven te beroven door hem meerdere malen met een mes in het gezicht en in de rug te steken, en door hem meermalen in het gezicht en tegen het hoofd en het lichaam te schoppen en te slaan.

Subsidiair wordt verdachte diefstal met geweld verweten, waarbij dezelfde geweldshandelingen zijn omschreven, in de cumulatief/alternatief variant wordt verdachte poging tot diefstal met geweld, in vereniging, althans alleen, verweten, meer subsidiair wordt zware mishandeling, tezamen met anderen, althans alleen, tenlastegelegd, en meest subsidiair verwijt de officier van justitie de verdachte een openlijke geweldpleging, met omschrijving van dezelfde geweldshandelingen, telkens jegens het slachtoffer [A].

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat verdachte het primair tenlastegelegde feit heeft begaan.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft gesteld dat de tenlastegelegde poging tot doodslag niet bewezen kan worden, aangezien zich in het dossier geen wettig en overtuigend bewijs bevindt waaruit kan worden geconcludeerd dat verdachte het slachtoffer met het mes heeft gestoken en gesneden en dat verdachte het slachtoffer tegen het hoofd heeft geschopt. Daarbij heeft hij aangevoerd dat de door getuigen en medeverdachten afgelegde verklaringen wisselend en tegenstrijdig zijn. De raadsman stelt zich ook op het standpunt dat niet bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag, maar hooguit aan een poging tot zware mishandeling waarbij dan het schoppen en slaan tegen het hoofd van het slachtoffer niet bewezen kan worden verklaard. Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde feit stelt de raadsman dat dit deel van de tenlastelegging nietig verklaard dient te worden aangezien zowel de voltooide handeling als de poging cumulatief/alternatief ten laste is gelegd en derhalve niet duidelijk is waarvan verdachte nu wordt verdacht.

3.3 De beoordeling van de tenlastelegging

De rechtbank gaat, gelet op de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting, uit van de volgende vaststaande feiten(1).

Op donderdag 15 mei 2008 omstreeks 02.00 uur ontving de Politie Haaglanden een melding dat op de Beresteinlaan te Den Haag ter hoogte van de bloemenkiosk een man was mishandeld door drie Marokkaanse jongens(2). Ter plaatse trof een politie-eenheid een man aan, wiens gezicht onder het bloed zat. Het slachtoffer, [A], is naar het Westeinde Ziekenhuis vervoerd. Aldaar bleek hij onder meer een gebroken neusschot, twee blauwe ogen en een breuk in de rechterhand te hebben opgelopen. Daarnaast had hij op twee plaatsen in het gezicht snijwonden ( in zijn linkerwang en op het voorhoofd) en een steekverwonding in de rug, hetgeen een klaplong heeft veroorzaakt(3).

Op de avond voorafgaand aan dat tijdstip, waren verdachte en medeverdachte [verdachte 2] bij medevedachte [verdachte 1] in diens woning aan de [adres]. Er waren die avond meer mensen in de woning aanwezig en er was door de aanwezigen een aanzienlijke hoeveelheid alcohol gedronken. Verdachte is in de vroege ochtend van 15 mei 2008 uit de woning vertrokken. Kort hierna heeft hij medeverdachte [verdachte 1] op diens mobiele telefoon gebeld(4), welke is opgenomen door medeverdachte [verdachte 2]. Verdachte heeft [verdachte 2] in dit gesprek om hulp gevraagd, omdat hij zich bedreigd zou voelen(5). [verdachte 2] is direct daarop naar buiten gegaan, kort daarna gevolgd door medeverdachte [verdachte 1](6). Niet lang hierna zijn verdachte en zijn medeverdachten [verdachte 2] en [verdachte 1] gezamenlijk teruggegaan naar de woning van [verdachte 1].

Verdachte en zijn medeverdachten hebben, eenmaal binnengekomen, kleding uitgedaan en andere kleding aangetrokken(7).

De woning is omstreeks 04.28 uur door de politie doorzocht. Op het balkon is een keukenmes met daarop een bloedspoor gevonden. Dit keukenmes is afkomstig uit de woning van medeverdachte [verdachte 1]. Het bloedspoor is door het Nederlands Forensisch Instituut op DNA-kenmerken onderzocht. Daaruit is gebleken dat het bloedspoor celmateriaal bevat dat afkomstig is van slachtoffer [A](8). In de woning van [verdachte 1] zijn voorts diverse kledingstukken aangetroffen(9) welke eveneens bloedsporen van slachtoffer [A] bevatten(10). Ook in de binnentuin, aan de achterzijde van deze portiekwoning, zijn kledingstukken gevonden, waarop bloed van het slachtoffer is aangetroffen(11).

Gelet op het vorenstaande overweegt de rechtbank als volgt.

Vast staat dat slachtoffer [A] op 15 mei 2008 omstreeks 02.00 uur bij een incident op de Beresteinlaan te 's-Gravenhage ter hoogte van de bloemenkiosk ernstig lichamelijk letsel heeft opgelopen doordat hij tegen het hoofd en het lichaam is geschopt en geslagen en met een mes is gestoken en gesneden(12). Verdachte(13) en zijn medeverdachten(14) hebben bekend bij dit incident aanwezig te zijn geweest. Verdachte heeft verklaard dat hij heeft gezien dat medeverdachte [verdachte 1] het slachtoffer mishandelde. Over zijn eigen betrokkenheid bij het incident verklaart verdachte dat hij het slachtoffer één schop tegen de schouder heeft gegeven(15).

De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de verklaringen van de getuigen [B] en [C] die ieder voor zich vanuit hun woningen hebben gezien dat een groepje mannen ter hoogte van de bloemenkiosk een andere man hebben geschopt en geslagen. Beide getuigen verklaren expliciet dat zij mannen hebben zien slaan en schoppen en verder verklaart getuige [B] dat het om drie mannen ging en dat, nadat zij na enkele minuten terugliepen naar het portiek, een van hen terugliep naar het slachtoffer om hem nog een laatste schop te geven. Getuige [C] verklaart dat hij niet meer weet of hij drie of vier mannen bij het incident heeft gezien, en dat hij zich met name de "fatale schop" tegen het hoofd van het slachtoffer kan herinneren. Volgens beide getuigen zijn alle betrokken mannen vervolgens het portiek ingegaan(16). Nu verdachte volgens zijn eigen verklaring aanwezig is geweest bij het incident bij de bloemenkiosk, kan het niet anders dan dat verdachte deel uitmaakte van het groepje mannen die schoppend en slaand het slachtoffer hebben mishandeld. Bovendien wordt door geen van de getuigen verklaard dat gezien is dat één van de mannen een ander bij het incident wegtrok. Dat de betrokkenheid van verdachte meer heeft behelst dan de ene genoemde schop tegen de schouder, blijkt voorts uit het feit dat op de kleding van verdachte bloed van het slachtoffer is aangetroffen(17).

De rechtbank oordeelt dat aldus vast staat dat zowel verdachte als zijn beide medeverdachten het slachtoffer meerdere malen geschopt en geslagen hebben, zowel tegen het lichaam als tegen het hoofd, en daarmee zijn doorgegaan toen het slachtoffer al op de grond lag. Volgens vaste jurisprudentie(18) is reeds het meermalen stompen en met geschoeide voet trappen tegen het lichaam en het hoofd van het slachtoffer, terwijl die op de grond ligt, op zichzelf genomen voldoende voor bewezenverklaring van een poging tot doodslag. Het gedurende langere tijd met kracht schoppen en slaan op nagenoeg alle delen van het menselijk lichaam, waaronder het hoofd van een slachtoffer, kan er immers toe leiden dat aan het slachtoffer zodanig letsel wordt toegebracht dat deze hierdoor komt te overlijden. Derhalve komt de rechtbank tot het oordeel dat verdachte met het plegen van dit geweld tegen het slachtoffer, samen met anderen, welbewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard en op de koop toegenomen dat het slachtoffer daardoor zou komen te overlijden en acht de rechtbank bewezen dat de verdachte door het slachtoffer meermalen te schoppen en te slaan heeft gehandeld met het voor poging tot doodslag vereiste (voorwaardelijk) opzet.

Met betrekking tot het tenlastegelegde medeplegen overweegt de rechtbank als volgt.

In de jurisprudentie(19) is bepaald dat voor medeplegen ten minste vereist is dat:

(i) verdachte deel uitmaakt van een groep en niet enkel toevallig aanwezig is terwijl

(ii) hij zich niet distantieert van die groep als er foute en strafbare dingen gebeuren, die niet onvoorzienbaar, onverwacht of plotseling waren en

(iii) hij niet ingrijpt, door mededaders te beletten strafbare feiten te plegen, wanneer voorzienbaar wordt dat nieuwe strafbare feiten gepleegd gaan worden.

De rechtbank oordeelt dat verdachte deel heeft uitgemaakt van de groep, die welbewust op straat het slachtoffer heeft mishandeld. Verdachte heeft immers, toen hij meende in de problemen te zijn geraakt, zijn vriend [verdachte 2] gebeld die hem, samen met zijn broer [verdachte 1], onmiddellijk te hulp geschoten zijn. Buiten gekomen hebben ze zich gezamenlijk, als groep, tegen het slachtoffer gekeerd. Van een poging zich te distantiëren of een poging om in te grijpen teneinde het geweld dat jegens het slachtoffer werd gepleegd te beëindigen is niets gebleken. Uit de twee eerder aangehaalde verklaringen van de getuigen [B] en [C], blijkt dat door alle betrokkenen juist een actieve bijdrage is geleverd aan het gepleegde geweld.

Met betrekking tot het tenlastegelegde steken of snijden met een mes overweegt de rechtbank als volgt. Vast staat dat het slachtoffer driemaal met een mes is gestoken, dat afkomstig is uit de woning van medeverdachte [verdachte 1]. Na het incident is bij de doorzoeking op het balkon van de woning een mes gevonden, met daarop bloedsporen van het slachtoffer. Verdachte en beide medeverdachten ontkennen het slachtoffer te hebben gestoken of gesneden en alle drie ontkennen ze ook tijdens het incident een mes te hebben gezien.

Met betrekking tot de vraag wie van de verdachten het mes heeft meegenomen en gebruikt heeft medeverdachte [verdachte 1] verklaard dat verdachte het mes uit de woning van [verdachte 1] heeft meegenomen teneinde daarmee een fiets te verkrijgen(20). De rechtbank acht dit niet aannemelijk. Het is immers niet waarschijnlijk dat verdachte naar medeverdachte [verdachte 2] gebeld zou hebben om hem om hulp te vragen als hij zelf een mes bij zich zou hebben gehad. In dat geval zou er voor hem geen reden geweest zijn om zich bedreigd te voelen. Veel waarschijnlijker acht de rechtbank het dat het mes naar aanleiding van het hulpverzoek van verdachte door medeverdachte [verdachte 2] dan wel door medeverdachte [verdachte 1] uit de woning is meegenomen en vervolgens ook door een van hen is gebruikt. Immers, verdachte heeft verklaard zich bedreigd te hebben gevoeld door twee mannen, van wie er één een koevoet bij zich zou hebben. Dat wetende, ligt bewapening door een van beide broers [medeverdachten 1 en 2] meer voor de hand.

Voorts staat vast dat bij het steken en snijden van het slachtoffer een aanzienlijke hoeveelheid bloed is vrijgekomen(21). Verdachte heeft verklaard tijdens het incident geen bloed te hebben gezien maar bleek bij terugkeer in de woning bloed op zijn broek en T-shirt te hebben(22). De rechtbank acht het dan ook onaannemelijk dat verdachte, terwijl hij het incident van zo nabij heeft meegemaakt dat er bloed van het slachtoffer op zijn kleding terechtgekomen is, niet heeft gezien dat het slachtoffer met een mes is gesneden en gestoken of dat hij de daardoor ontstane snijwonden in het gezicht niet heeft gezien. Ook al zou verdachte bij aanvang van het incident geen wetenschap hebben gehad van het mes, dan moet verdachte op enig moment tijdens het incident het mes hebben gezien. Niettemin heeft hij zich vervolgens niet gedistantieerd van de groep en ook heeft hij niet geprobeerd om het gebruik van het mes te beletten. Verdachte wordt door de rechtbank dan ook medeverantwoordelijk geacht voor het toebrengen van de snij- en steekwonden.

Daarenboven overweegt de rechtbank dat verdachte midden in de nacht een vriend of vrienden, medeverdachten [verdachte 1] en [verdachte 2], heeft gevraagd hem te komen helpen, omdat hij zich bedreigd voelde. Door medeverdachten [verdachte 1] en [verdachte 2], waarvan verdachte wist dat zij geweld niet schuwden, te hulp te roepen heeft verdachte ook de aanmerkelijke kans aanvaard dat tijdens dat incident een wapen door hen zou worden meegenomen.

Tot slot is belastend te noemen, dat geen van de verdachten een aannemelijke verklaring heeft afgelegd over de aanwezigheid van het mes met daarop bloed van het slachtoffer, dat bij medeverdachte [verdachte 1] thuis is aangetroffen.

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat sprake is van medeplegen van een poging tot doodslag.

3.4 De bewezenverklaring

Ten aanzien van verdachte wordt bewezen verklaard dat

hij op 15 mei 2008 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met

anderen, opzettelijk [A] van het leven te beroven, met

dat opzet

- die [A] met een mes (meermalen) in het gezicht heeft gesneden en

- die [A] met een mes in de rug heeft gestoken en

- die [A] in/tegen het gezicht en het hoofd en het lichaam heeft

geschopt en geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf

niet is voltooid.

Nu de rechtbank tot een bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde komt, komt zij niet toe aan het verweer van de raadsman ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde.

4. De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

5. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is eveneens strafbaar, omdat niet is gebleken van omstandigheden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6. De straf/maatregel

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van de in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat in geval van een veroordeling bij de straftoemeting in aanmerking moet worden dat verdachte bekend heeft bij het incident betrokken te zijn geweest, maar dat zijn rol zich heeft beperkt tot het geven van één schop tegen de schouder van het slachtoffer. Verder voert de raadsman nog aan dat verdachte erkent dat hij een alcoholprobleem heeft en daarvoor zelf een oplossing heeft gezocht door zich bij Palier en De Waag aan te melden voor behandeling. Om die reden dient de straf te bestaan uit een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf. Dat verdachte nu reeds langer dan zes maanden in voorarrest zit, staat daaraan niet in de weg.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft samen met twee vrienden een hem geheel onbekende man ernstig mishandeld, waarbij dit slachtoffer is geschopt, geslagen en meermalen met een mes is gestoken in zijn gezicht en in zijn rug. Opmerkelijk is dat verdachte, die verklaard redelijk dronken te zijn geweest, maar wel te hebben geweten wat hij deed, zonder enige begrijpelijke aanleiding tot deze gedraging is gekomen. Deze zeer ernstige en volstrekt zinloze daad heeft enorme impact op zowel de lichamelijke als de geestelijke gesteldheid van het slachtoffer gehad, hetgeen ook duidelijk is gebleken uit de ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaring van slachtoffer [A]. Hij heeft daarin beschreven dat hij nog altijd veel lichamelijke en psychische klachten heeft en dat hij nog niet kan werken. Ook nu nog, meer dan 6 maanden later, slaapt hij vanwege genoemde klachten nog steeds slecht.

Vanwege de ernst en het zeer gewelddadige karakter van het bewezen verklaarde feit en de maatschappelijke verontrusting die een dergelijk feit met zich brengt, kan niet worden volstaan met een andere of lichtere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van de na te melden duur. De rechtbank heeft in haar oordeel ten nadele van verdachte meegewogen dat verdachte, blijkens een uittreksel justitiële documentatie, reeds eerder ter zake van meerdere feiten (waaronder diverse vermogens- en geweldsdelicten) is veroordeeld en dat hij zich niettemin opnieuw aan een ernstig gewelddadig feit heeft schuldig gemaakt.

Tevens heeft de rechtbank kennis genomen van de inhoud van een voorlichtingsrapportage van Palier terzake verdachte.

7. De vordering benadeelde partij

7.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 5.245 en tot afwijzing van de vordering van de benadeelde partij voor het overige, met bepaling dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door zijn mededader(s) aan de benadeelde partij, dan wel bij gehele of gedeeltelijke voldoening van de, aan de mededader(s) opgelegde, verplichting tot betaling aan de Staat, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank aan verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 5.245, subsidiair 56 dagen hechtenis ten behoeve van het slachtoffer genaa[A].

7.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering, omdat verdachte van het hem ten laste gelegde feit waarop de vordering betrekking heeft, dient te worden vrijgesproken.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

Het slachtoffer, [A], heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 6.245,=.

De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op de post 5. fooien ter grootte van € 1.000,=, de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering tot schadevergoeding, aangezien dit onderdeel van de vordering niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor behandeling in deze strafzaak. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank acht de vordering, voor zover deze betrekking heeft op de posten 1. jas, 2. overhemd, 3. broek en 4. schoenen respectievelijk ter grootte van € 120,=, € 25,=, € 35,= en € 65,=, (in totaal € 245,=), van zo eenvoudige aard dat dit deel van de vordering zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Dit deel van de vordering is, hoewel niet met bewijsstukken onderbouwd, wel voldoende aannemelijk gemaakt door de benadeelde partij. Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het bewezen verklaarde feit.

De rechtbank acht voorts de vordering, voor zover deze betrekking heeft op een bedrag van € 5.000,=, als voorschot op een vergoeding ter zake van immateriële schade, tot dat bedrag naar billijkheid toewijsbaar en in zoverre eenvoudig vast te stellen, nu vast is komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden als gevolg van het bewezen verklaarde feit.

De rechtbank zal derhalve de vordering toewijzen tot een bedrag van € 5.245,=.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

De rechtbank zal voorts bepalen dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door zijn mededader(s) aan de benadeelde partij, dan wel bij gehele of gedeeltelijke voldoening van de, aan de mededader(s) opgelegde, verplichting tot betaling aan de Staat, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag.

Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde strafbare feit is toegebracht en verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 5.245,=, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [A].

8. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 36f, 45, 47 en 287 van het Wetboek van Strafrecht;

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9. De beslissing

Verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder primair ten laste gelegde feit heeft begaan en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

POGING TOT DOODSLAG, GEPLEEGD DOOR TWEE OF MEER VERENIGDE PERSONEN;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

GEVANGENISSTRAF VOOR DE DUUR VAN ZESENDERTIG (36) MAANDEN;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

in verzekering gesteld op: 15 mei 2008;

in voorlopige hechtenis gesteld op: 19 mei 2008;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [A], een bedrag van vijfduizend tweehonderd vijfenveertig Euro (€ 5.245,=);

met bepaling dat verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door zijn mededader(s) aan de benadeelde partij, dan wel bij gehele of gedeeltelijke voldoening van de, aan de mededader(s) opgelegde, verplichting tot betaling aan de Staat, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

verklaart de benadeelde partij voor het overige deel niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat hij dit deel van de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot vijfduizend tweehonderd vijfenveertig Euro (€ 5.245,=) ten behoeve van het slachtoffer genaamd [A];

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van zesenvijftig (56) dagen;

bepaalt dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. P. van Essen, voorzitter,

mr. H.N. Pabbruwe, rechter,

en mr. E.E. Schotte, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. B.J. Dekker, griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 10 december 2008.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt -tenzij anders vermeld- bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar dossierpagina's, betreft dit de pagina's van het doorgenummerde (pagina's 1 t/m 497) proces-verbaal van de politie Haaglanden, bureau Beresteinlaan met het nummer PL1532/2008/26473 met fotobijlage met nummer PL151503/2008/26473 afzonderlijk genummerd 1 t/m 62.

2 Proces-verbaal aanhouding, pagina 27, vierde alinea

3 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 113, zevende alinea en pagina 170, vierde alinea van onder

4 Proces-verbaal, pagina 248, vijfde alinea van onder en proces-verbaal uitlezen mobiele telefoon, bijlage Device Report, pagina 297 5 Proces-verbaal van verhoor verdachte [ verdachte 3], pagina 394, derde alinea van onder en proces-verbaal terechtzitting d.d. 29 oktober 2008 (parketnummer: 09/757660-08 ([verdachte 2])), pagina 5, laatste alinea

6 Proces-verbaal terechtzitting d.d. 29 oktober 2008 (parketnummer: 09/757661-08 ([verdachte 1])), pagina 6, vijfde en zesde regel

7 Proces-verbaal terechtzitting d.d. 29 oktober 2008 (parketnummer: 09/757661-08 ([verdachte 1])), p. 6, laatste regel; proces-verbaal terechtzitting d.d. 29 oktober 2008 (parketnummer: 09/757658-08 ([verdachte 3]), p. 7, derde alinea

8 Deskundigenrapport Nederlands Forensisch Instituut d.d. 22 oktober 2008, pagina 22

9 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 109, tweede alinea van onder

10 Deskundigenrapport Nederlands Forensisch Instituut d.d. 22 oktober 2008, pagina 22

11 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 99, eerste alinea

12 Proces-verbaal van aangifte, pagina 92 en proces-verbaal van bevindingen, pagina 113

13 Proces-verbaal terechtzitting d.d. 29 oktober 2008 (parketnummer: 09/757658-08 ([verdachte 3]), pagina 6

14 Proces-verbaal terechtzitting d.d. 29 oktober 2008 (parketnummer: 757660-08 ([verdachte 2])), pagina 5 en 6 en proces-verbaal terechtzitting d.d. 29 oktober 2008 (parketnummer: 09/757661-08 ([verdachte 1])), pagina 6

15 Proces-verbaal terechtzitting d.d. 29 oktober 2008 (parketnummer: 09-727658-08 ([verdachte 3]), pagina 6, tweede alinea, derde en vierde regel

16 Proces-verbaal van verhoor getuige [B], pagina 152 en 153; verhoor getuige [B] bij rechter-commissaris d.d. 18 september 2008, onder punt 5; proces-verbaal van verhoor getuige [C], pagina 212 en 213; verhoor getuige [C] bij rechter-commissaris d.d. 18 september 2008, onder punt 4 en 11

17 Deskundigenrapport Nederlands Forensisch Instituut d.d. 22 oktober 2008, pagina 22

18 Zie onder andere Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 16 oktober 2002, LJN AE8936

19 Zie onder andere HR 18 maart 2008, LJN BC6157

20 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte 1], p. 402, tweede alinea

21 Proces-verbaal forensisch technisch onderzoek, foto's 28 t/m 35

22 Proces-verbaal terechtzitting d.d. 29 oktober 2008 (parketnummer: 09-757660-08 ([verdachte 2])), pagina 6, zevende regel