Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BG6361

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-12-2008
Datum publicatie
10-12-2008
Zaaknummer
AWB 08/41331
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenbewaring / door RC onrechtmatig geoordeeld strafrechtelijk voortraject / belangenafweging

Aan de vreemdelingenbewaring is een strafrechtelijk voortraject (aanhouding en inverzekeringstelling) voorafgegaan. Eiser heeft aangevoerd dat de RC dit voortraject onrechtmatig heeft geoordeeld. Eiser en verweerder beschikten allebei niet over de beslissing van de RC. De rechtbank oordeelt dat het in beginsel op verweerders weg lag om de beslissing van de RC aan het dossier toe te voegen, maar dat ook niet goed valt in te zien waarom in dit geval eiser niet met die beslissing op de proppen is gekomen. De rechtbank heeft, teneinde snel te kunnen beslissen en in het belang van de waarheidsvinding, terstond na de zitting met toepassing van artikel 8:45 van de Awb de beslissing van de RC opgevraagd.

Gebleken is inderdaad dat de RC de aanhouding en inverzekeringstelling onrechtmatig heeft geoordeeld. Bij beantwoording van de vraag welke gevolgen dit moet hebben voor de bewaring knoopt de rechtbank aan bij bestendige jurisprudentie inzake (formele) gebreken in voortrajecten. Uit die jurisprudentie volgt dat dergelijke gebreken de bewaring niet zonder meer onrechtmatig maken maar dat een belangenafweging dient te worden gemaakt.

De belangenafweging pakt in dit geval in eisers voordeel uit. Verweerder heeft geen belangen gesteld en ook niet is gebleken van belangen die maken dat het onrechtmatige strafrechtelijke voortraject niet zou moeten leiden tot de conclusie dat de bewaring onrechtmatig is. Weliswaar is de rechtbank gebleken dat verweerder eiser op zeer korte termijn uit wil zetten maar eisers belang om gevrijwaard te blijven van onrechtmatige want willekeurige aanwending van strafvorderlijke dwangmiddelen alsmede eisers belang bij herwinning van zijn vrijheid wegen zwaarder.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:45
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 59
Vreemdelingenwet 2000 106
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2009/68
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

enkelvoudige kamer vreemdelingenzaken

Uitspraak

op grond van artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 94 en artikel 106 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: 08/41331

V-nr.: 272.985.2432

inzake:

[eiser], geboren op [1967], van Nigeriaanse nationaliteit, verblijvende in het Uitzetcentrum te Schiphol, eiser,

gemachtigde: mr. I.M. Hagg, advocaat te Amsterdam,

tegen:

de staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. A.H. Kras, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Op 21 november 2008 is eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in bewaring gesteld.

Bij beroepschrift van 23 november 2008 heeft eiser beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel.

Ingevolge artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 strekt het beroep tevens tot een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Het beroep is behandeld ter openbare zitting van 2 december 2008. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig P.J. Kuiper als tolk in de Engelse taal.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst. Met instemming van partijen heeft de rechtbank met toepassing van 8:45, eerste lid, van de Awb, de griffier van het bureau van de rechter-commissaris strafzaken in de rechtbank Amsterdam verzocht om nadere stukken. Met toestemming van partijen heeft de rechtbank het onderzoek op 3 december 2008 zonder nadere zitting gesloten.

II. OVERWEGINGEN

Eiser heeft onder meer het volgende betoogd. Eiser is via een strafrechtelijk voortraject in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechter-commissaris (RC) heeft geoordeeld dat de strafrechtelijke aanhouding onrechtmatig is geweest.

Eiser kan hiervan op dit moment geen stuk overleggen, maar de gemachtigde van eiser heeft dit meegedeeld gekregen van de advocaat die eiser heeft bijgestaan tijdens het strafrechtelijke voortraject. Eiser meent dat de beslissing van de RC door verweerder aan het dossier had moeten worden toegevoegd.

De beslissing van de RC betekent dat sprake is geweest van een onrechtmatig strafrechtelijk voortraject en dat betekent dat de eiser via een onrechtmatig voortraject in de macht van verweerder is geraakt en in bewaring is gesteld. De vreemdelingenrechter dient hieraan gevolgen te verbinden, dat volgt ook uit de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS). Het gevolg moet zijn dat de op het onrechtmatige strafrechtelijk voortraject volgende vreemdelingenrechtelijke maatregel onrechtmatig moet worden geoordeeld. Los hiervan heeft de beslissing van de RC ook nog als consequentie dat de grond die verweerder aan de maatregel ten grondslag heeft gelegd dat eiser wordt verdacht van het plegen van een misdrijf, geen stand kan houden.

Verweerder heeft in reactie op deze beroepsgrond het volgende meegedeeld. Ter zitting bij de rechtbank heeft verweerder aangevoerd dat de vreemdelingenrechter niet bevoegd is te oordelen over de rechtmatigheid van de aanwending van bevoegdheden die niet hun grondslag in de Vw 2000 vinden. Eiser heeft geen schriftelijk stuk van de RC overgelegd waaruit volgt dat de strafrechtelijke aanhouding onrechtmatig is bevonden. Het lag op de weg van eiser om hiermee te komen.

In het kader van de schorsing van het onderzoek ter zitting heeft verweerder bij nadere brief van 3 december 2008, in reactie op de door de rechtbank toegezonden beslissing van de RC, nog meegedeeld dat blijkens het proces-verbaal van bevindingen van 20 november 2008 de verbalisanten hebben geconstateerd dat eiser volledig voldeed aan het opgegeven signalement waarna zij eiser hebben staande gehouden, naar zijn identiteit hebben gevraagd en toen hij daar niet aan kon voldoen hebben zij hem aangehouden. Dit is naar verweerders mening rechtmatig geschied. De RC oordeelt ook niet anders, de RC heeft alleen geoordeeld dat na de aanhouding een confrontatie had moeten plaatsvinden en dat, nu deze achterwege is gebleven, de aanhouding onrechtmatig is geschied.

Na heenzending door de rechter-commissaris is eiser vervolgens terecht in vreemdelingenbewaring gesteld, aangezien is gebleken dat eiser niet rechtmatig in Nederland verblijft.

De rechtbank overweegt het volgende.

Partijen hebben ter zitting tegenovergestelde standpunten ingenomen met betrekking tot de vraag op wiens weg het ligt om een beslissing van de RC inzake het strafrechtelijk voortraject in het geding te brengen. Onder artikel 3.5.2 van de oude Procesregeling Vreemdelingenkamers diende verweerder in geval van een aan de inbewaringstelling voorafgegaan strafrechtelijk voortraject in ieder geval een proces-verbaal van aanhouding aan het dossier toe te voegen. De nieuwe Procesregeling bestuursrecht is op dit punt niet expliciet; er zijn evenwel geen aanwijzingen om aan te nemen dat met de nieuwe Procesregeling beoogd is een wijziging te bewerkstelligen. Op grond hiervan dient te worden geoordeeld dat het in beginsel aan verweerder is om, indien na een strafrechtelijke aanhouding en inverzekeringstelling ook een zogenoemde “toetsing” door de RC heeft plaatsgevonden van die aanhouding en inverzekeringstelling, een beslissing van de RC terzake van een dergelijke toetsing aan het dossier toe te voegen. Echter, eiser heeft zich in dit geval expliciet beroepen op de beslissing van de RC. Eisers gemachtigde heeft van de advocaat die eiser bijstond in het strafrechtelijke voortraject vernomen dat er een toetsing van de aanhouding en inverzekeringstelling door de RC had plaatsgevonden. De rechtbank ziet niet in waarom, bij constatering van ontbreken van de beslissing van de RC in het dossier, niet (intensiever) getracht is om de beslissing van de RC te bemachtigen via de advocaat die eiser bijstond in het strafrechtelijke voortraject.

De termijnen in bewaringszaken zijn krap bemeten, beide partijen werken onder grote tijdsdruk en er moet – mede gelet op artikel 5 van het EVRM – door de rechtbank snel worden beslist. Met het oog daarop, en in het belang van de materiële waarheidsvinding, heeft de rechtbank met instemming van partijen met toepassing van artikel 8:45 van de Awb de beslissing van de RC inzake de “toetsing” van het strafrechtelijke voortraject direct na de zitting opgevraagd bij het kabinet RC in deze rechtbank.

Het door de griffier van het bureau van de rechter-commissaris ingezonden proces-verbaal van verhoor ter toetsing van de inverzekeringstelling van eiser van 21 november 2008 vermeldt dat de RC de - aan de onderhavige inbewaringstelling voorafgegane - aanhouding en inverzekeringstelling van eiser onrechtmatig heeft geoordeeld; een redelijk vermoeden van schuld was niet gerechtvaardigd.

De rechtbank stelt vast dat eiser, na een door een daartoe bevoegde strafrechter onrechtmatig geoordeeld strafrechtelijk voortraject, in de macht is gekomen van verweerder, die bevoegd is tot het opleggen van de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 59 van de Vw 2000.

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdelingbestuursrechtspraak van de Raad van State kan, indien de onrechtmatigheid van de aanwending van andere dan bij of krachtens de Vw 2000 toegekende bevoegdheden door een daartoe bevoegde rechter is vastgesteld, de vreemdelingenrechter zich gesteld zien voor de vraag naar de gevolgen daarvan voor de rechtmatigheid van de inbewaringstelling.

De rechtbank ziet zich dan ook gesteld voor de vraag wat de gevolgen van het onrechtmatige strafrechtelijke voortraject moeten zijn voor de onderhavige bewaring. Bij de beantwoording van deze vraag knoopt de rechtbank aan bij de inmiddels bestendige jurisprudentie inzake (formele) gebreken in (al dan niet vreemdelingenrechtelijke) voortrajecten. Uit deze jurisprudentie volgt dat na constatering van een dergelijk gebrek (bijvoorbeeld een onrechtmatige staandehouding, een onrechtmatige ophouding of een onrechtmatige binnentreding) een belangenafweging dient plaats te vinden tussen de met de bewaring gediende belangen (verweerders belangen) enerzijds en de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen anderzijds (eisers belangen). Deze jurisprudentie als leidraad nemend is de rechtbank van oordeel dat de onrechtmatigheid van het aan de vreemdelingenbewaring voorafgaande strafrechtelijke voortraject de onderhavige maatregel van bewaring eerst onrechtmatig maakt, indien de met de bewaring gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen.

Verweerder heeft geen belangen gesteld op grond waarvan zou moeten worden gezegd dat het onrechtmatige strafrechtelijke voortraject niet aan de rechtmatigheid van de bewaring in de weg staat.

De rechtbank is van dergelijke belangen ook niet gebleken. De grond dat eiser wordt verdacht van het plegen van een misdrijf kan gelet op de beslissing van de RC geen stand houden en kan dus niet als zwaarwegend belang aan verweerders zijde gelden. De gronden van de maatregel die resteren kunnen niet worden aangewerkt als zwaarwegende belangen aan de kant van verweerder. Eiser is niet ongewenst verklaard en niet is gebleken van feiten en omstandigheden die de nationale veiligheid betreffen. De rechtbank is gebleken dat verweerder voornemens is eiser heden of in ieder geval op zeer korte termijn uit te zetten naar zijn land van herkomst. Dit dient weliswaar te worden aangemerkt als een zwaarwegend belang aan de kant van verweerder, maar de belangen van eiser - vrijwaring van onrechtmatige want willekeurige aanwending van strafvorderlijke dwangmiddelen en herwinning van zijn vrijheid - dienen naar het oordeel van de rechtbank zwaarder te wegen.

Hieruit volgt dat de toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel in strijd is met de wet en bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is te achten. Derhalve wordt het beroep gegrond verklaard en wordt de opheffing van de bewaring bevolen, ingaande 3 december 2008. Hetgeen overigens is aangevoerd kan onbesproken blijven.

De rechtbank ziet in het vorenstaande aanleiding eiser ten laste van de Staat der Nederlanden een vergoeding als bedoeld in artikel 106 van de Vw 2000 toe te kennen en wel tot een bedrag van € 105,-- per dag dat eiser vanaf 21 november 2008 op een politiebureau ten onrechte aan de vrijheidsontnemende maatregel onderworpen is geweest en € 80,-- per dag dat eiser vanaf

25 november 2008 in Uitzetcentrum ten onrechte aan de vrijheidsontnemende maatregel onderworpen is geweest, derhalve in totaal € 1060,--.

Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,-- als kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 322,--, wegingsfactor 1).

III. BESLISSING

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- beveelt dat de bewaring ingaande 3 december 2008 wordt opgeheven;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot vergoeding van de schade, groot € 1060,-- (zegge: duizend zestig euro), te betalen aan eiser;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag groot € 644,-- (zegge: zeshonderdvierenveertig), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier van deze rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan op 3 december 2008 door mr. H.J.M. Baldinger, voorzitter, in tegenwoordigheid van M.E. Sjouke, griffier, en bekendgemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

Afschrift verzonden op:

Conc.: MSj

Coll:

D: B

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt één week. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.