Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BG6274

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
08-12-2008
Datum publicatie
08-12-2008
Zaaknummer
09/757571-08 en 09/658406-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan opzettelijke brandstichting in twee panden in de binnenstad van Delft.

Verdachte heeft door zijn handelen tot tweemaal aan toe een zeer gevaarlijke situatie doen ontstaan waarbij niet alleen de betreffende panden en daarin aanwezige goederen ernstige brandschade hebben geleden, maar ook personen in (levens)gevaar zijn gebracht. Dat de gevolgen van de branden beperkt zijn gebleven tot materiële schade en slechts korte ziekenhuisopnames wegens (rook)klachten, terwijl er niemand om het leven is gekomen, is enkel te wijten aan de gelukkige omstandigheid dat de brandweer in beide gevallen snel ter plaatse was en alle bewoners op tijd kon evacueren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK'S-GRAVENHAGE

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Tegenspraak

Parketnummers: 091757571-08 en 09/658406-07 (tul)

Datum uitspraak: 8 december 2008

VONNIS(1)

De rechtbank 's-Gravenhage heeft op grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1980 te [geboorteplaats],

adres: [adres].

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Haaglanden, P.C.S. Unit 2 te Den Haag.

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 4 augustus 2008, 1 september 2008 en 24 november 2008.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. De Groot en van hetgeen door de raadsvrouw van verdachte mr. S.E.M. Hooijman, advocaat te Rotterdam, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 23 april 2008 te Delft, opzettelijk brand heeft gesticht in een hotel (Grand Canal)/gebouw gelegen aan de Breestraat (nummer 1), immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk in dat hotel/gebouw een brandende aansteker, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met een vuilniszak (zich bevindende in een electriciteitshok) en/of een stoelkussen, althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan goederen gelegen in dat electriciteitshok (te weten vuilniszakken en/of afval en/of kleding en/of papier) en/of een stoel geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in eik geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor dit hotel/gebouw en/of de in dit hotel/gebouw aanwezige inboedel en/of belendende pand(en), in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de (ten tijde van de brand) in het hotel/gebouw aanwezige gasten (18 personen) en/of in de beldendende pand(en) aanwezige perso(o)n(en), in eik geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was;

2.

hij op of omstreeks 8 april 2008 te Delft, opzettelijk brand heeft gesticht in een woning/gebouw gelegen aan de oude Delft (huisnummer 2), immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk in die woning een brandende aansteker, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met goederen zich bevindende in de keuken en/of de tuin van die woning, althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan (een) goed(eren) in die woning geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die woning en/of de in die woning aanwezige inboedel en/of belendende pand(en), in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de (9) bewoners van die woning, althans in die woning aanwezige perso(o)n(en), en/of in de beldendende pand(en) aanwezige perso(o)n(en), in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was;

3.

hij op of omstreeks 18 april 2008 te Delft opzettelijk brand heeft gesticht in een woning/gebouw gelegen aan de oude Delft (huisnummer 2), immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk in die woning een brandende aansteker, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met goederen zich bevindende in twee/een kamer(s) en/of de keuken van die woning, althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan (een) goed(eren) in die woning geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die woning en/of de in die woning aanwezige inboedel en/of belendende pand(en), in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor in die woning aanwezige perso(o)n(en), en/of in de beldendende pand(en) aanwezige perso(o)n(en), in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was;

art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 157 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

4.

hij op of omstreeks 21 april 2008 te Delft opzettelijk brand heeft gesticht in een woning/gebouw gelegen aan het adres Volgersgracht (huisnummer 17(a)), immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk in die woning een brandende aansteker, in eik geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met goederen zich bevindende in een (trap)kast van die woning, althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan (een) goed(eren) in die woning geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die woning en/of de in die woning aanwezige inboedel en/of belendende pand(en), in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de 9 bewoners van die woning, althans in die woning aanwezige perso(o)n(en), en/of in de beldendende pand(en) aanwezige perso(o)n(en), in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was;

art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 157 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

5.

hij op of omstreeks 21 april 2008 te Delft, althans in Nederland, opzettelijk, zonder dat daartoe de noodzaak aanwezig was, gebruik heeft gemaakt van een alarmnummer voor publieke diensten, namelijk van het nummer 112;

art 142 lid 2 Wetboek van Strafrecht

6.

hij op een of meer tijdstippen in de periode van 01 september 2007 tot en met 23 april 2008 te Delft [A] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte een mes op (daarbij) deze dreigend de woorden toegevoegd: "1 put a bullet in your head", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3. De dagvaarding, de bevoegdheid van de rechtbank, de ontvankelijkheid van de officier van justitie en schorsing van de vervolging

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. Het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte in april 2008 vier keer brand heeft gesticht in drie verschillende panden, gelegen in de binnenstad van Delft. Daarnaast is aan verdachte tenlastegelegd dat hij, nog geen half uur voor het ontstaan van de brand in het pand Voldersgracht 17(a) op 21 april 2008, een valse brandmelding heeft gedaan betreffende het pand Markt 61 te Delft. Tot slot wordt hem nog verweten dat hij zijn ex-vriendin [A] door middel van een voicemail-bericht op haar telefoon heeft bedreigd.

Wat betreft de onder 2. en 3. tenlastegelegde brandstichtingen, gepleegd ten aanzien van het pand Oude Delft 2, heeft de officier van justitie gesteld dat er onvoldoende bewijsmiddelen in het dossier voorhanden zijn om tot het oordeel te kunnen komen dat verdachte (ook) deze brandstichtingen heeft gepleegd. Hetzelfde geldt haars inziens voor wat betreft de onder 6 tenlastegelegde bedreiging, nu het desbetreffende voicemail-bericht niet door de politie kon worden uitgeluisterd.

De onder 1. en 4. tenlastegelegde brandstichtingen betreffende het hotel Grand Canal, gelegen aan de Breestraat, en het pand Voldersgracht 17(a), acht de Officier van Justitie, gelijk het aan verdachte onder 5 verweten misbruik van het alarmnummer 112, wel wettig en overtuigend bewezen.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich - zakelijk weergegeven - op het standpunt gesteld dat ten laste van verdachte, voor wat betreft de tenlastegelegde brandstichtingen, slechts kan worden bewezenverklaard dat hij de brand in het hotel Grand Canal heeft gesticht. Ten aanzien van de overige brandstichtingen dient verdachte te worden vrijgesproken wegens gebrek aan bewijs. Wat betreft de tenlastegelegde brandstichting in het pand Voldersgracht 17(a) heeft zij in het bijzonder het volgende aangevoerd. De enige aanwijzing die er volgens de verdediging op wijst dat verdachte mogelijkerwijs iets te maken heeft met de brandstichting in de nacht van 20 op 21 april 2008 betreft de valse 112-melding die hij een half uur voor de brand op de Voldersgracht deed uitgaan en die betrekking had op het pand Markt 61 te Delft. Die melding heeft verdachte, zoals hijzelf tegenover de politie en op de terechtzitting heeft verklaard, echter slechts gedaan omdat hij - na een eerder die avond in de Korenbeurs gevoerd gesprek met [B] - het vermoeden had dat deze in het pand aan de Markt 61 brand zou willen stichten. Verder heeft de raadsvrouw gewezen op het feit dat zowel verdachte als zijn broer hebben verklaard dat de toegangsdeur reeds openstond op het moment dat zij het pand ontvluchtten, hetgeen zijn bevestiging vindt in een foto in het dossier waarop te zien is dat er een elektronische keycard in het deurslot zit. Verdachtes toegangspas is echter op zijn kamer aangetroffen. Uit het voorgaande moet volgens de verdediging worden afgeleid dat de brand niet door verdachte is gesticht, doch door een ander die vlak voor de brand het pand heeft betreden.

Voor wat betreft feit 5, het zonder noodzaak gebruikmaken van het alarmnummer 112, heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De onder 6 tenlastegelegde bedreiging van [A], acht zij, gelijk de officier van justitie, niet bewezen wegens gebrek aan bewijs.

4.3 De beoordeling van de tenlastelegging(2)

Feit 1

Op grond van de voorhanden bewijsmiddelen en het onderzoek ter terechtzitting stelt de rechtbank met betrekking tot feit 1 het navolgende vast:

Verdachte heeft erkend de brandstichting op 23 april 2008 in het Hotel Grand Canal, gevestigd in het pand Breestraat 1 te Delft, te hebben gepleegd. Wat betreft de gang van zaken met betrekking tot die brandstichting heeft verdachte verklaard dat hij die avond/nacht erg dronken was, dat hij omstreeks 01.00 uur uit het bakje met sleutels achterin het restaurant La Terraza, gevestigd op de begane grond van de Voldersgracht 17(a) (3), het bosje sleutels van het hotel had weggenomen en naar het hotel Grand Canal is gelopen. Daar is hij, nadat hij eerst nog getuige [C] op de gang was tegengekomen (4), naar achteren gelopen en heeft in het berghok met een aansteker het plastic van de daar liggende vuilniszakken in brand gestoken. Toen het plastic begon te smeulen heeft verdachte de deur van het hok gesloten. Vervolgens, op weg richting de uitgang, heeft hij ter hoogte van de receptie het kussen van een rieten stoel in brand gestoken met diezelfde aansteker.(5) Omstreeks 01.20 uur zijn [D], [E] en [F] de hun bekende verdachte tegengekomen. Deze kwam op dat moment net uit het hotel Grand Canal naar buiten lopen. Tijdens het gesprek dat zij vervolgens voor de deur van voormeld hotel met verdachte hadden, zag [E] opeens in het hotel iets branden. Door het raam namen zij een gloed waar en vervolgens vlammen. [D] heeft 112 gebeld om de brand te melden, welke melding bij de alarmcentrale is ingekomen om 01.24.20 uur. De twee andere getuigen en verdachte bonkten tegen de ramen van het hotel, teneinde [C] te waarschuwen die zij op het balkon aan de binnenzijde van het pand op een laptop zagen werken. Toen [C] zich kennelijk bewust werd van de rook die inmiddels vanaf het einde van de gang af kwam, heeft hij de deur van het hotel geopend. Verdachte is vervolgens naar binnen gelopen en heeft de brandende stoel naar buiten gedragen. Deze stoel heeft verdachte uiteindelijk in de gracht gegooid, waaruit deze door duikers weer is opgedokene. Kort hierna zei verdachte tegen de groep dat hij geen zin had in gezeik en ondervragingen. Hij is vervolgens naar huis gelopen. De voor de brandstichting gebruikte aansteker heeft verdachte op weg naar huis, tussen de Oude Delft en de Korenmarkt, in een put gegooid.(7)

Uit het dienst- en het wachtrapport van de brandweer volgt dat het hotel Grand Canal op het moment dat de brandweer omstreeks 01.26 uur arriveerde volledig onder de rook stond. Er lagen nog brandende resten op de plaats waar eerder de stoel had gestaan, verder werd een brand ontdekt in een elektriciteitshok annex vuilnishok. De aanwezige gasten, naar later bleek 18(8), zijn uit het pand geëvacueerd, het hele pand is geventileerd. Om 02.55 uur is de actie afgesloten.(9) Forensisch-technisch onderzoek heeft uitgewezen dat in het desbetreffende hotel, waar zich zowel op de begane grond als op de eerste etage hotelkamers bevinden, twee brandhaarden waren, beide gelegen op de begane grond van het hotel. Een daarvan bevond zich in de gang ter hoogte van de receptie, waar een stoel in brand bleek te hebben gestaan. De tweede werd verderop in het tweede gedeelte van de gang aangetroffen in een elektriciteits- annex vuilnishok van het hotel. De brand had in dit hok de beplating van de meterkast tot op een hoogte van 100 centimeter aangetast, verder was onder meer de kunststof beplating van de stoppenkast deels weggesmolten.(10) Verder volgt uit de verklaring van [G], adjunct hoofd brandmeester van de brandweer Delft-Rijswijk, ten aanzien van de brandhaard in het elektriciteitshok dat deze brand zich, gelet op de aanwezigheid van brandbare materialen in de directe omgeving zoals het opgestapelde vuil, binnen 3 à 5 minuten na het aansteken ervan dermate had kunnen ontwikkelen dat de aanwezige gasten in het hotel een serieus veiligheidsprobleem zouden hebben gehad. Nu de brand vroegtijdig is ontdekt heeft zich het vanwege de rook- en brandontwikkeling te duchten levensgevaar voor de gasten en het gevaar voor uitbranding van het pand niet gerealiseerd. (11)

Gelet op voormelde bewijsmiddelen acht de rechtbank dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 23 april 2008 opzettelijk brand heeft gesticht in Hotel Grand Canal, gelegen aan de Breestraat 1 te Delft.

Feiten 2 en 3

Ten aanzien van de tenlastegelegde feiten onder 2 en 3, te weten de brandstichtingen gepleegd op 8 en 18 april 2008 in het pand Oude Delft 2, is de rechtbank van oordeel dat op grond van de voorhanden bewijsmiddelen niet kan worden vastgesteld dat verdachte deze branden heeft gesticht. De rechtbank zal verdachte dan ook daarvan vrijspreken.

Feit 4

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de brandstichting, gepleegd op 21 april 2008 in het pand Voldersgracht 17(a) te Delft. Daartoe stelt zij op grond van de voorhanden bewijsmiddelen en het onderzoek ter terechtzitting het volgende vast:

Op 21 april 2008 om 01.23 uur heeft verdachte vanuit zijn kamer in het pand Voldersgracht 17(a) een valse 112-melding gedaan, inhoudende dat het pand Markt 61 te Delft in brand zou staan.(12) Vervolgens kwam om 01.56.26 uur bij de alarmcentrale de eerste melding binnen betreffende de brand in het pand Voldersgracht 17(a) te Delft, welke melding afkomstig was van [H].(13) Bij het uitluisteren van dit telefoongesprek is gebleken dat op de achtergrond reeds een brandalarm hoorbaar is. Slechts twee seconden later is bij de alarmcentrale een (eerste) brandmelding van verdachte aangaande het pand aan de Voldersgracht ingekomen.(14) De brandweer, die zich op het moment van de melding vanwege de eerdere, valse brandmelding nog in de directe nabijheid van de Voldersgracht bevond, was snel ter plaatse. Op het moment van arriveren van de brandweer stonden verdachte en zijn broer als enigen buiten voor het pand. Uiteindelijk werden uit het pand nog 7 andere bewoners gered. Bij twee personen was het gebruik van een vluchtmasker noodzakelijk, twee andere bewoners werden via de hoogwerker van het dak gered. Van de 9 uit het pand geëvacueerde bewoners zijn 4 personen wegens (rook)klachten naar een ziekenhuis vervoerd.(15) Forensisch-technisch onderzoek heeft uitgewezen dat de brand is ontstaan in een trapkast, gelegen onder de toegangstrap naar de tweede etage van het pand, op welke etage zich - net als op de eerste etage - kamers bevinden, die aan particulieren worden verhuurd. In voornoemde kast waren restanten zichtbaar van vuilniszakken gevuld met linnen- en beddengoed en ander textiel(16) en van een stellage met schoonmaakartikelen. Verder werd in voornoemde kast een geëxplodeerde brandblusser aangetroffen. Het pand had door de brand veel rook- en brandschade opgelopen. Brandstichting kon niet worden uitgesloten.(17)

Voor wat betreft het daderschap van verdachte overweegt de rechtbank in het bijzonder nog het volgende.

Verdachtes kamer, nr. 25, bevindt zich op de eerste etage van het pand Voldersgracht 17(a) en derhalve op dezelfde etage als de trapkast waarin de brand, in de nacht van 20 op 21 april 2008, is ontstaan.(18) Vast staat tevens dat verdachte zich ten tijde van het ontstaan van die brand op zijn kamer, en derhalve in de directe nabijheid van de brandhaard, heeft bevonden.

Verdachte heeft omtrent zijn gangen die avond/nacht telkens wisselende verklaringen afgelegd. In eerste instantie heeft verdachte, toen hij als getuige werd gehoord, gesteld dat hij vanaf 00.15 uur thuis was, omstreeks 00.45 uur in slaap is gevallen en vervolgens wakker werd van het brandalarm.(19) Geconfronteerd met de door hem gedane valse brandmelding betreffende het pand Markt 61 diezelfde nacht, heeft verdachte uiteindelijk als verklaring voor die melding gegeven dat [B] hem op 20 april 2008, in de middaguren bij [B] thuis, zou hebben verteld dat hij van plan was in de nacht van 20 op 21 april het pand Markt 61 in brand te steken. Verdachte zelf zou de avond van 20 april omstreeks 24.00 uur, na nog iets te hebben gedronken met [J] en diens familie in het restaurant op de begane grond van de Voldersgracht 17(a), naar zijn kamer zijn gegaan. Die op 25 juni 2008 afgelegde verklaring houdt verder in dat verdachte, teneinde [B] ervan te weerhouden voormelde brand te stichten, 112 heeft gebeld, waarop hij is gaan slapen en pas weer door het brandalarm wakker is geworden.(20) Ter terechtzitting heeft verdachte zijn verklaring nog in die zin aangepast dat hij omstreeks 23.30 uur eerst vanaf het restaurant naar boven zou zijn gegaan en vervolgens het pand zou hebben verlaten, teneinde naar de Korenbeurs te gaan, alwaar hij [B] tegenkwam. Na van [B] te hebben vernomen wat deze die nacht van plan zou zijn, zou verdachte rond 00.30 naar huis zijn gegaan, uiteindelijk 112 gebeld hebben en vrijwel direct na die melding in slaap zijn gevallen.(21)

De rechtbank komt tot de conclusie dat verdachte voormelde wisselende verklaringen heeft afgelegd teneinde zijn werkelijke handelingen gedurende die nacht te verdoezelen, te weten dat verdachte niet sliep op het moment van het uitbreken van de brand doch deze juist heeft aangestoken. Naar het oordeel van de rechtbank kan het niet anders zijn dan dat verdachte, middels de valse brandmelding, er voor heeft willen zorgen dat de brandweer na het plegen van de brandstichting snel ter plaatse zou zijn. De brand moet immers, gelet op de bij de alarmcentrale ingekomen brandmeldingen, binnen een half uur na het doen van voornoemde valse melding zijn aangestoken. Gelet op het feit dat de brand is gesticht in het pand waarin verdachte zelf woonachtig was, ligt de hiervoor gegeven reden voor de valse melding ook voor de hand. Niet aannemelijk is immers dat verdachte voorshands de bedoeling had zijn eigen woning geheel door brand te zien vernietigd worden. In dat kader kan ook verdachtes poging de brand te blussen(22) worden gezien, alsmede de omstandigheid dat ook hij op het moment dat het brandalarm in het pand afging 112 heeft gebeld om de brand aan de Voldersgracht 17(a) te melden.

Naast op de hierboven genoemde bewijsmiddelen grondt de rechtbank haar oordeel dat verdachte de brand in het pand Voldersgracht 17(a) heeft gesticht nog op hierna te noemen omstandigheden. Beide panden, zowel het pand aan de Breestraat 1 (waar verdachte heeft erkend brand te hebben gesticht) als de Voldersgracht 17(a), zijn panden die geëxploiteerd worden door de gebroeders [J] en [K] (23), terwijl verdachte heeft verklaard de brand in het hotel aan de Breestraat uit wraak op [K] te hebben gesticht.(24) Verdachte was woonachtig in het ene pand en heeft werkzaamheden verricht in het andere pand, te weten in hotel Grand Canal(25). Ook het pand ten aanzien waarvan verdachte een valse brandmelding heeft gedaan, Markt 61, betreft een pand dat werd verhuurd door [K].(26) Voorts kon verdachte beschikken over sleutels van beide locaties, nu deze in het restaurant van het pand waar hij woonde werden bewaard. Bovendien zijn de branden op een gelijksoortige wijze ontstaan. In beide gevallen is de (hoofd)brandhaard aangetroffen in een bergruimte, bevattende vuilniszakken met afval en/of andere goederen. Verder is de brand aan de Voldersgracht ontstaan op een locatie die voor verdachte de vluchtweg naar buiten openliet; hij en zijn broer waren tevens de enige bewoners van het pand die kans hebben gezien het pand zonder hulp van de brandweer te verlaten. Aangenomen moet derhalve worden dat verdachte, die zijn broer heeft gewaarschuwd(27), de eerste was die van de brand op de hoogte was. Tot slot heeft verdachte bij de politie, op het moment dat hem werd voorgehouden dat er (ook) in het pand aan de Voldersgracht sprake lijkt te zijn geweest van twee brandhaarden - hetgeen later door forensisch-technisch onderzoek werd uitgesloten - verklaard dat er volgens hem maar op één plek brand was.(28) Ook die omstandigheid wijst er naar het oordeel van de rechtbank op dat verdachte degene is geweest die de brand heeft gesticht.

Al deze omstandigheden tezamen, in onderling verband bezien, leiden er volgens de rechtbank dan ook toe dat als wettig en overtuigend bewezen kan worden beschouwd dat verdachte de brand aan de Voldersgracht 17(a) te Delft heeft gesticht.

Voor wat betreft het verweer van de verdediging dat in de toegangsdeur van de centrale hal van het pand een key-card is aangetroffen en verdachte nog in het bezit was van zijn eigen key-card, overweegt de rechtbank tot slot het volgende. De verdediging ziet hierin een duidelijke aanwijzing dat de brand door een buitenstaander moet zijn aangestoken. De rechtbank is evenwel van oordeel dat het enkele feit dat een dergelijke kaartsleutel is aangetroffen in voormelde deur, zich bevindende in de hal van het complex en wel links naast de ingang van het restaurant, nog niet met zich brengt dat de brand door een ander dan verdachte zal zijn gesticht. In dat kader verdient vermelding dat [J] aangaande de kaartsleutels heeft verklaard dat elke bewoner inderdaad een eigen key-card bezit waarmee voormelde centrale deur, die toegang geeft tot het trappenhuis naar de eerste en tweede etage, kan worden geopend, maar dat deze tevens heeft gezegd dat in het restaurant op de begane grond reservesleutels worden bewaard en dat verdachte daarvan op de hoogte was.(29) Verdachte heeft zelf ook toegegeven dat hij wist dat zich dergelijke sleutels in het restaurant bevonden.(30) Voorts heeft verdachte zich, wat betreft de brand aan de Breestraat 1 op 23 april 2008, ook bediend van sleutels die op die plek werden bewaard. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank in de enkele omstandigheid dat de centrale toegangsdeur open stond en dat zich in deze deur tevens een kaartsleutel bevond die niet aan verdachte (dan wet een andere bewoner) kan worden toegeschreven geen aanwijzing dat verdachte de brand op de Voldersgracht 17(a) niet heeft aangestoken.

Feit 5:

Op 21 april 2008 om 01.23 uur is via het alarmnummer 112 een brandmelding gedaan betreffende het pand Markt 61 te Delft. Ter plaatse werd door de brandweer, na onderzoek, geen brand geconstateerd. Het bleek om een valse melding te gaan.(31) Uit het proces-verbaal van bevindingen houdende de schriftelijke weergave van voormelde 112-melding volgt dat de melding is gedaan in de Engelse taal door een persoon zich noemende Stefanies (fonetisch), die meldt dat hij vlammen ziet bij de locatie Markt 61 en uiteindelijk het telefoonnummer [nummer 1] opgeeft. Bij terugbellen door de meldingkamer staat dit nummer op voice-mail.(32) Onderzoek heeft uitgewezen dat voornoemde melding is doorgebeld middels het telefoonnummer [nummer 2].(33) Bij de doorzoeking van verdachtes kamer in perceel Voldersgracht 17(a) is een simkaart inbeslaggenomen waaraan voormeld telefoonnummer gekoppeld bleek te zijn. Verdachte heeft verklaard dat hij inderdaad voornoemde valse brandmelding heeft gedaan.(34)

Feit 6:

[A] heeft op 8 april 2008 aangifte gedaan van bedreiging. Verdachte, haar exvriend, had op 4 april 2008 haar voice-mail ingesproken. De woorden die hij gebruikte waren: "Als je met de politie praat en je moet me via een 0800 nummer terugbellen 1 put a bullet in your head". Aangeefster voelde zich hierdoor bedreigd. Het telefoonnummer waarvan het voicemail-bericht afkomstig was luidde: [nummer 3].(35)

Verdachte heeft verklaard dat dit zijn telefoonnummer betreft .(36)

De rechtbank overweegt met betrekking tot voornoemde bewezenverklaring nog het volgende. Het enkele feit dat voornoemd voicemailbericht niet door de politieagenten kon worden beluisterd doet aan de bewezenverklaring niet af. De rechtbank acht de aangifte van [A] aangaande de bedreiging betrouwbaar en neemt daarbij voorts in aanmerking dat verdachte thans heeft erkend dat het telefoonnummer, dat volgens aangeefster voor de bedreiging werd gebruikt, (een van) zijn nummer(s) betreft.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van het voorgaande ten laste van verdachte wettig en overtuigend bewezen dat

1.

hij op 23 april 2008 te Delft, opzettelijk brand heeft gesticht in een hotel (Grand Canal)/gebouw gelegen aan de Breestraat nummer 1, immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk in dat hotel/gebouw een brandende aansteker in aanraking gebracht met een vuilniszak (zich bevindende in een electriciteitshok) en een stoelkussen, ten gevolge waarvan goederen gelegen in dat electriciteitshok (te weten vuilniszakken en/of afval en/of kleding en/of papier) en een stoel geheel of gedeeltelijk zijn verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor dit hotel/gebouw en de in dit hotel/gebouw aanwezige inboedel en belendende panden en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de ten tijde van de brand in het hotel/gebouw aanwezige gasten (18 personen) en in de belendende panden aanwezige personen te duchten was;

4.

hij op 21 april 2008 te Delft opzettelijk brand heeft gesticht in een woning gelegen aan het adres Voldersgracht huisnummer 17(a), immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk in die woning opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met goederen zich bevindende in een trapkast van die woning, ten gevolge waarvan goederen in die woning geheel of gedeeltelijk zijn verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die woning en de in die woning aanwezige inboedel en belendende panden en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de 9 bewoners van die woning en in de belendende panden aanwezige personen te duchten was;

5.

hij op 21 april 2008 te Delft opzettelijk, zonder dat daartoe de noodzaak aanwezig was, gebruik heeft gemaakt van een alarmnummer voor publieke diensten, namelijk van het nummer 112;

6. hij op een tijdstip in de periode van 01 september 2007 tot en met 23 april 2008 te Delft [A] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte deze dreigend de woorden toegevoegd: "1 put a bullet in your head".

5. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

6. De strafbaarheid van de verdachte

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft de rechtbank kennis genomen van de navolgende rapporten:

- het Pro Justitia rapport, psychiatrisch onderzoek, opgesteld en ondertekend door dr. B.A. Blansjaar, psychiater, uitgebracht d.d. 26 juni 2008;

het Pro Justitia rapport, nader psychiatrisch onderzoek, opgesteld en ondertekend door dr. B.A. Blansjaar, psychiater, uitgebracht d.d. 25 september 2008;

- het Pro Justitia rapport, psychologisch onderzoek, opgesteld en ondertekend door prof.dr. J.J. Baneke, klinisch & forensisch psycholoog, uitgebracht d.d. 4 november 2008;

In het nadere rapport van dr. B.A. Blansjaar wordt geconcludeerd dat er bij verdachte ten tijde van het begaan van de hem ten laste gelegde feiten sprake was van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens (in de vorm van een cluster B persoonlijkheidsstoornis met voornamelijk borderline en antisociale kenmerken). Het tenlastegelegde, voor zover verdachte dat heeft bekend, is volgens de rapporteur deels voortgekomen uit de persoonlijkheidsstoornis van verdachte, met name uit affectlabiliteit, beperkingen van de gewetensfuncties en roekeloosheid en uit misbruik van alcohol, waarvoor verdachte door zijn persoonlijkheidsstoornis ook kwetsbaar is. De rapporteur adviseert verdachte voor het (door hem bekende) feit als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.

Prof. dr. J.J. Baneke komt in zijn rapport tot de conclusie dat er bij verdachte ten tijde van het plegen van de hem ten laste gelegde feiten sprake was van een zodanige gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens (in de vorm van een persoonlijkheidsstoornis met borderline en antisociale trekken) en een ziekelijke stoornis (in de vorm van recidiverende depressieve en/of dysthyme stoornissen, althans stemmingsstoornissen) en afhankelijkheid van alcohol en mogelijk andere middelen, dat de feiten hem slechts in verminderde mate kunnen worden toegerekend.

Dr. B.A. Blansjaar is ter terechtzitting als getuige-deskundige gehoord en heeft aldaar zijn rapport nader toegelicht. Ter terechtzitting is hij bij zijn conclusie gebleven dat verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar dient te worden beschouwd.

De rechtbank neemt de bevindingen en de conclusies van de rapporteurs over en maakt deze tot de hare.

Gelet hierop en voorts in aanmerking genomen dat ten opzichte van verdachte geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht, acht de rechtbank verdachte strafbaar.

7. De straf/maatregel

7.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft primair gevorderd dat verdachte terzake van de hem bij dagvaarding onder 1., 4. en 5. tenlastegelegde feiten wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, en dat verdachte ter beschikking wordt gesteld met bevel tot verpleging van overheidswege. Subsidiair heeft zij gevorderd dat, indien de rechtbank terbeschikkingstelling met dwangverpleging niet noodzakelijk acht, verdachte terzake van voormelde feiten wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, waarbij behandeling van verdachte waar mogelijkheid dient plaats te vinden binnen het kader van de voorlopige invrijheidstelling.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft erop gewezen dat verdachte zich thans reeds acht maanden in voorlopige hechtenis bevindt. Gelet op het feit dat verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd en open staat voor behandeling, zou aan hem een groot voorwaardelijk strafdeel met de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht, ook indien dit inhoudt behandeling bij De Waag, dienen te worden opgelegd.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals van een en ander tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan opzettelijke brandstichting in twee panden in de binnenstad van Delft.

Verdachte heeft door zijn handelen tot tweemaal aan toe een zeer gevaarlijke situatie doen ontstaan waarbij niet alleen de betreffende panden en daarin aanwezige goederen ernstige brandschade hebben geleden, maar ook personen in (levens)gevaar zijn gebracht. De gevaarzetting was in beide gevallen groot nu de branden zijn gesticht op tijdstippen die het aannemelijk maken dat de bewoners van de panden sliepen, terwijl ook de locaties waar verdachte de brand aanstak met zich brachten dat vele bewoners in gevaar kwamen. De brand in Hotel Grand Canal is immers gesticht in een elektriciteits-/berghok op de begane grond, terwijl ook op de eerste verdieping hotelgasten verbleven. In het perceel Voldersgracht 17(a) is de brandhaard aangetroffen in een trapkast, gelegen onder de trap naar de tweede verdieping, waardoor tijdens de uitslaande brand de vluchtweg voor in ieder geval de bewoners van de tweede etage geblokkeerd was. Vier personen van dit pand restte geen andere uitweg dan op het dak van het pand op redding door de brandweer te wachten. Dat de gevolgen van voormelde branden beperkt zijn gebleven tot materiële schade en slechts korte ziekenhuisopnames wegens (rook)klachten, terwijl er niemand om het leven is gekomen, is enkel te wijten aan de gelukkige omstandigheid dat de brandweer in beide gevallen snel ter plaatse was en alle bewoners op tijd kon evacueren. Brandstichting is een zeer ernstig strafbaar feit. Naast gevoelens van angst en onveiligheid bij de rechtreeks betrokkenen en omstanders, veroorzaakt brandstichting in het algemeen gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving. Dit doet zich des te sterker gevoelen indien in een korte periode meerdere, dicht bij elkaar liggende panden in brand worden gestoken. Korte tijd voor de beide bewezenverklaarde brandstichtingen was immers reeds tweemaal in een ander pand in het centrum van Delft gedurende de nachtelijke uren brand gesticht. Verdachte heeft zich hiervan in het geheel geen rekenschap gegeven en heeft zich uitsluitend laten leiden door eigen frustraties.

Naast voornoemde brandstichtingen heeft verdachte op 21 april 2008 een valse brandmelding gedaan via het alarmnummer 112. Het misbruik maken van een noodnummer zoals 112 vormt een aanzienlijke verstoring van de openbare orde en kan leiden tot ernstige gevolgen, vooral in situaties waarin acute hulp geboden is. Misplaatste meldingen frustreren de beoogde inzet van dergelijke nooddiensten.

Tot slot heeft verdachte op 4 april 2008 zijn ex-vriendin bedreigd door een voice-mailbericht met dreigende taal op haar telefoon in te spreken, waardoor hij bij haar gevoelens van angst heeft teweeggebracht.

Ten aanzien van de persoon van verdachte het de rechtbank, naast de hiervoor reeds genoemde rapportages van de gedragskundigen, kennis genomen van de navolgende stukken:

- een uittreksel Justitiële documentatie d.d. 24 april 2008 betreffende verdachte, waaruit blijkt dat verdachte reeds vele malen voor met name diefstal in aanraking is gekomen met justitie;

- een voorlichtingsrapport van Palier forensische en intensieve zorg, opgesteld en ondertekend door [reclasseringsmedewerker], reclasseringsmedewerker, uitgebracht op 19 november 2008.

Uit het rapport van dr. Blansjaar komt samengevat naar voren dat de kans op herhaling van strafbare feiten bij verdachte is verhoogd vanwege zijn persoonlijkheidsstoomis in combinatie met de afhankelijkheid van roesmiddelen. De kans op herhaling van soortgelijke en andere strafbare feiten kan waarschijnlijk het best worden verlaagd door psychiatrische behandeling van de persoonlijkheidsstoornis en de verslaving van verdachte in een verplicht kader. Daartoe komt, afhankelijk van bewezenverklaring en strafmaat, eventueel een deels voorwaardelijke straf met proeftijd onder toezicht van de reclassering en met bijzondere voorwaarden in aanmerking, dan wel de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden. Mocht verdachte onvoldoende meewerken om aanmelding, opname en behandeling in een APZ of verslavingskliniek mogelijk te maken, kan het opleggen van een terbeschikkingstelling met dwangverpleging worden overwogen, aangezien naar het oordeel van de rapporteur het opleggen van een vrijheidsstraf de recidivekans slechts voor beperkte duur zou verlagen.

Ter terechtzitting van 24 november 2008 heeft dr. Blansjaar dit strafadvies in zoverre nader toegelicht dat hij heeft verklaard dat naar zijn inzicht het verhoogde recidivegevaar ook betrekking heeft op brandstichting. Voorts heeft hij verduidelijkt dat zijn advies betreffende de sanctiemodaliteit slechts betrekking heeft op een geval van bewezenverklaring van uitsluitend het door verdachte bekende onder 1. bedoelde feit.

Prof. dr. Baneke heeft in zijn rapport geconcludeerd dat de bij verdachte vastgestelde problematiek zowel de kans op verergering van de psychische desintegratie en de verslavingsproblematiek versterkt, als ook de kans op het plegen van delicten. Het feit dat er - voor zover bekend - eerder geen brandstichtingen door verdachte zijn gepleegd, maakt de kans daarop kleiner, zeker indien slechts één brandstichting bewezen wordt geacht. Prof. dr. Baneke adviseert de rechtbank een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met als bijzondere voorwaarde een behandeling door een verslavingskliniek zoals de Piet Roorda Kliniek of een soortgelijke instelling.

Bij het bepalen van de sanctiemodaliteit en de duur van de sanctie houdt de rechtbank rekening met de door de rechtbank met de gedragskundigen vastgestelde verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte ten tijde van het plegen van de feiten.

De rechtbank overweegt het volgende.

Uit de ter beschikking staande rapporten blijkt geen eenduidig standpunt bij de gedragskundigen met betrekking tot een TBS met dwangverpleging. Duidelijk is echter dat beide gedragskundigen tot de conclusie zijn gekomen dat verdachte lijdt aan een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, te weten een cluster B persoonlijkheidsstoornis, en dat prof dr. Baneke daarnaast een ziekelijke stoornis (in de vorm van recidiverende depressieve en/of dysthyme stoornissen, althans stemmingsstoornissen) heeft vastgesteld. De rapporteurs achten, gelet op het verhoogde recidivegevaar dat mede bestaat ten aanzien van brandstichtingen, tevens behandeling van verdachte in een verplicht kader noodzakelijk. Hoewel dr. Blansjaar TBS met dwangverpleging slechts geïndiceerd acht in het geval verdachte uiteindelijk niet meewerkt aan behandeling in een (verplicht) kader in een APZ of verslavingskliniek - hetgeen een sanctiemodaliteit zou opleveren die het Wetboek van Strafrecht niet kent - acht de rechtbank termen aanwezig om aan verdachte toch een dergelijke maatregel op te leggen. Die beslissing vindt zijn grondslag in het bijzonder in het gegeven dat de rechtbank bewezen acht dat verdachte zich aan meer dan één brandstichting schuldig heeft gemaakt. De rechtbank heeft daarbij gelet op de buitengewone ernst van deze feiten en de omstandigheid dat verdachte reeds herhaaldelijk wegens misdrijven veroordeeld is. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de algemene veiligheid van personen en/of goederen tegen verdachte dient te worden beschermd. Deze algemene veiligheid van personen en/of goederen eist evenzeer de gedwongen verpleging van verdachte. Uit de rapportages van de gedragskundigen blijkt immers ondubbelzinnig dat behandeling van verdachte noodzakelijk is. Uit de duur van de door de rechtbank op te leggen gevangenisstraf volgt dat verplichte behandeling anders dan in het kader van een terbeschikkingstelling niet mogelijk is. Daarbij bestaat bij de rechtbank de hoop dat verdachte, na de noodzakelijk geachte behandeling, op enig moment zal kunnen terugkeren in de maatschappij.

In het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om, gelijk door de officier van justitie primair gevorderd, naast een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke tijd de maatregel van terbeschikkingstelling (TBS), alsmede een bevel tot dwangverpleging op te leggen.

8. De vordering tenuitvoerlegging

8.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gepersisteerd bij de schriftelijke vordering tot tenuitvoerlegging van de aan verdachte bij vonnis van de Politierechter in deze rechtbank van 7 januari 2008 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 1 maand.

8.2 Het standpunt van de verdediging

Wat betreft de vordering tenuitvoerlegging heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

8.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht termen aanwezig voor toewijzing van de vordering van de officier van justitie van 28 april 2008 tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf, waartoe verdachte werd veroordeeld bij onherroepelijk geworden vonnis van de Politierechter in deze rechtbank d.d. 7 januari 2008, nu uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat verdachte de algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, doordat deze zich voor het einde van de proeftijd die bij voormeld vonnis was opgelegd wederom heeft schuldig gemaakt aan strafbare feiten.

9. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en de maatregel zijn gegrond op de artikelen:

- 14g, 37a, 37b, 57, 63, 142, 157 en 285 van het Wetboek van Strafrecht.

10. De beslissing

De rechtbank

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij dagvaarding onder 2. en 3. tenlastegelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding onder 1., 4., 5. en 6. tenlastegelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feiten 1 en 4:

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 5:

opzettelijk, zonder dat daartoe de noodzaak aanwezig is, gebruik maken van een alarmnummer voor publieke diensten;

ten aanzien van feit 6:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

in verzekering gesteld op: 23 april 2008,

in voorlopige hechtenis gesteld op: 25 april 2008,

gelast voorts de terbeschikkingstelling van verdachte;

beveelt dat de ter beschikking gestelde van overheidswege zal worden verpleegd;

gelast de tenuitvoerlegging van de door de Politierechter te 's-Gravenhage aan verdachte bij vonnis van 7 januari 2008 onder parketnummer 09/09/658406 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 maand.

Dit vonnis is gewezen door

mrs. Rabbie, voorzitter,

Brinkman en Meessen, rechters,

in tegenwoordigheid van V.R.G.D. Boel, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 8 december 2008.

1Promis vonnis

2 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar

wordt verwezen naar dossierpagina's betreffen dit de pagina's van het doorgenummerde proces-verbaal met het nummer 1581/2008/9454-31 van politie Haaglanden, d.d. 24 april 2008, met bijlagen.

3 Proces-verbaal van bevindingen, p. 279

4 Processen-verbaal van verhoor getuige [C], p. 46 en 52.

5 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 657-658 en de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 24 november 2008.

6 Proces-verbaal van bevindingen, p. 35.

7 Proces-verbaal van verhoor getuige [E] p. 48, proces-verbaal verhoor getuige [D], p. 41-42, proces

verbaal getuige [F], p. 69-71 en de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 24 november 2008.

8 Proces-verbaal technisch onderzoek met bijlagen, p. 876 ev.

9 Dienstrapport officier van Dienst Zuid, p. 139 en wachtrapport, p. 141.

10 Proces-verbaal Forensisch technisch onderzoek met (foto)bijlagen, p. 876 ev.

11 Proces-verbaal verhoor getuige [G], p. 65-57.

12 Zie ten aanzien van deze melding de voor de bewezenverklaring van feit 5 gebezigde bewijsmiddelen.

13 Proces-verbaal verhoor getuige [H], p. 319.

14 Proces-verbaal van bevindingen, p. 270-271.

15 Wachtrapport, p. 275, Officier van dienst rapportage, p. 276.

16 Zie ook het proces-verbaal van getuige [L], p. 1047.

17 Proces-verbaal Forensisch technisch onderzoek met (foto)bijlagen, p. 1021 ev.

18 Proces-verbaal van verhoor getuige, p. 291 en proces-verbaal Forensisch technisch onderzoek, p. 1022.

19 Proces-verbaal van verhoor verdachte p. 291.

20 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 948.

21 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 24 november 2008.

22 Proces-verbaal van verhoor getuige [L] en verklaring verdachte ter terechtzitting van 24 november 2008.

23 Proces-verbaal van verhoor getuige, p. 446.

24 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 85.

25 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 658.

26 Proces-verbaal van verhoor getuige [M], p. 265.

27 Proces-verbaal van verhoor getuige [L], p. 287.

28 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 602.

29 Proces-verbaal verhoor [J], p. 335,

30 Proces-verbaal van verhoor getuige, p. 291.

31 Officier van dienst rapportage, p. 276 en proces-verbaal van bevindingen, p. 261 en mutatie p. 262. Voorzover in laatstgenoemd proces-verbaal is vermeld dat het zou gaan om het pand Markt 63 is sprake van een kennelijke verschrijving.

32 Proces-verbaal van bevindingen, p. 255 en proces-verbaal van bevindingen, p. 256.

33 Proces-verbaal van bevindingen, p. 597 en proces-verbaal van bevindingen p. 609.

34 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 24 november 2008.

35 Proces-verbaal van aangifte p. 211 en proces-verbaal verhoor aangever, p. 689.

36 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 24 november 2008.