Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BG6096

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-12-2008
Datum publicatie
04-12-2008
Zaaknummer
09/860346-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich, gedurende een lange periode, schuldig gemaakt aan het behulpzaam zijn bij de oplichtingspraktijken van zijn broer. De verdachte heeft deze meedogenloze praktijken van zijn broer ondersteund door de overeenkomsten die zijn broer met de slachtoffers was aangegaan op schrift te zetten en zijn kantoorruimte (daarvoor) beschikbaar te stellen. Werkstraf van 200 uren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2009, 21
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer 09/860346-06

's-Gravenhage, 4 december 2008

Verkort vonnis

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [plaats] op [datum] 1962,

adres: [adres].

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzittingen van 30 november 2007, 8 februari 2008, 22 april 2008, 10 juni 2008 en 20 november 2008.

De verdachte is ter terechtzitting van 20 november 2008 verschenen en gehoord.

Er hebben zich benadeelde partijen gevoegd.

De officier van justitie mr. N.M. Boersma heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding onder 1 en 2 primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis, alsmede tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 jaar met een proeftijd van 2 jaren.

De officier van justitie heeft voorts geconcludeerd tot:

* niet-ontvankelijkheidverklaring van de vordering van [A], nu de verdachte partieel dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde met betrekking tot [A];

* niet-ontvankelijkheidverklaring van de vorderingen van [B] en [C];

* toewijzing -hoofdelijk- van de vordering van [D] voor een bedrag van

€ 22.689,01 (fl. 50.000,-);

* gedeeltelijke toewijzing -hoofdelijk- van de vordering van [E] tot een bedrag van in totaal € 486.141,60 (inclusief kosten rechtsbijstand), en hem voor het overige niet-ontvankelijk verklaren;

* toewijzing -hoofdelijk- van de vordering van [F] voor een bedrag van in totaal € 183.391,62 (inclusief kosten rechtsbijstand);

* niet-ontvankelijkverklaring van de aanvullende vordering van [F];

* gedeeltelijke toewijzing -hoofdelijk- van de vordering van [G] tot een bedrag van € 10.000,-, zijnde de 1e investering en hem voor het overige niet-ontvankelijk verklaren.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank aan de verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 702.221,69, subsidiair 365 dagen vervangende hechtenis, ten behoeve van de benadeelde partijen genaamd [D], [E], [F] en [G].

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

De verdachte heeft ter terechtzitting aangevoerd dat zijn recht op rechtsbijstand mogelijk is geschonden. Hij voert hiertoe aan dat zijn huidige inkomen te hoog is om in aanmerking te komen voor gefinancierde rechtsbijstand, maar dat hij zich een raadsman op betalende basis niet kan veroorloven. Om die reden zou de verdachte genoodzaakt zijn om zijn zaak zelf te bepleiten. De verdachte doet in dit verband een beroep op hetgeen is bepaald in artikel 18 van de Grondwet en artikel 6 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM).

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.

De voorwaarden voor gefinancierde rechtsbijstand zijn zorgvuldig vastgesteld. Wanneer een persoon niet aan deze voorwaarden voldoet, wordt hij geacht zelf zijn raadsman te kunnen bekostigen. De omstandigheid dat zo iemand, zoals de verdachte, geen raadsman in de arm neemt omdat hij vindt dat hij daarvoor de financiële middelen niet heeft, levert geen schending op van het fundamentele recht op verdediging.

Voorts heeft de verdachte betoogd dat de redelijke termijn is overschreden, gelet op de aanzienlijke periode die is verstreken tussen het verhoor en de betekening van de dagvaarding.

De rechtbank verwerpt ook dit verweer, nu het een complexe zaak betreft. Na het eerste verhoor van de verdachte is onderzoek verricht, welk onderzoek veel tijd in beslag heeft genomen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft dat onderzoek niet onredelijk lang geduurd,.

De tenlastelegging.

Aan de verdachte is ten laste gelegd - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting - hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A, en van de vorderingen wijziging tenlastelegging, gemerkt A1 en A2.

Vrijspraak.

Feit 1

De rechtbank acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte bij dagvaarding onder 1 is ten laste gelegd, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken.

Voor bewezenverklaring van het oogmerk als bedoeld in artikel 225 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht is beslissend of de verdachte de bedoeling had de schriftelijke versies van de participatie- en beleggingsovereenkomsten te (doen) gebruiken als echt en onvervalst. Uit de inhoud van het dossier en hetgeen ter terechtzitting is verhandeld, is niet van enig daadwerkelijk of bedoeld gebruik gebleken. Het voornoemde oogmerk is naar het oordeel van de rechtbank daarom niet bewezen.

Feit 2, primair

De vraag die met betrekking tot feit 2 rijst, is of er sprake is van medeplegen van oplichting, zoals primair ten laste gelegd, dan wel medeplichtigheid bij oplichting, zoals subsidiair ten laste gelegd. Voor bewezenverklaring van medeplegen is vereist dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn broer [H] min of meer op voet van gelijkwaardigheid. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt van een dergelijke samenwerking niet uit de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting. Veeleer is sprake van een ondersteunende en ondergeschikte rol van verdachte bij de handelingen van zijn broer. De verdachte zal daarom van het primair onder feit 2 ten laste gelegde worden vrijgesproken.

Feit 2, subsidiair

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het subsidiair onder feit 2 ten laste gelegde (medeplichtigheid aan oplichting), met dien verstande dat de verdachte van dit feit zal worden vrijgesproken van de ten laste gelegde oplichting van [A], van [E] en, voorzover het hun betaling van € 35.000,-- betreft, van [G], [B] en [C].

De rechtbank overweegt in dit verband dat [A] heeft verklaard dat de verdachte een bijrol speelde in de zaken van de broer van de verdachte, [H]. De verdachte gaf zich uit voor advocaat, maar heeft geen rol van betekenis gespeeld ten behoeve van zijn, [A], zaken.

[E] heeft zich in soortgelijke zin uitgelaten met betrekking tot de rol van de verdachte in zijn ([E]) zaken. Zo heeft hij verklaard dat hem was gebleken dat de verdachte niets te zeggen had over de zaken (van zijn broer), dat hij vaak het gevoel had dat de verdachte als loopjongen werd gebruikt en dat het hem niet was voorgesteld alsof de verdachte optrad als de advocaat van zijn broer bij de investering.

Wat betreft de betaling van € 35.000,-- door [G], [B] en [C] overweegt de rechtbank dat niet is bewezen dat de verdachte daarbij betrokken was, aangezien niet is gebleken dat het desbetreffende contract door hem op schrift is gesteld noch dat hij enige rol heeft gespeeld bij de contractsbesprekingen.

De bewijsmiddelen.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist met de bewijsmiddelen, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit vonnis zal worden gehecht.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen - elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft - staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast. Op grond daarvan acht de rechtbank bewezen en is zij tot de overtuiging gekomen dat de verdachte het op de dagvaarding onder 2 subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht - en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de tenlastelegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering de verdachte niet in de verdediging is geschaad - de inhoud van de tenlastelegging, zoals deze is vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar. De verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.

Strafmotivering.

Na te melden straf en maatregel zijn in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts neemt de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking.

De verdachte heeft zich, gedurende een lange periode, schuldig gemaakt aan het behulpzaam zijn bij de oplichtingspraktijken van zijn broer, [H]. Laatstgenoemde deed voorkomen alsof hij een geroutineerd zakenman was die participeerde in onder andere de exploitatie van een aantal Griekse eilanden. Hij beloofde zijn slachtoffers enorme rendementen, wanneer zij zouden investeren in zijn projecten. Met een mooie prospectus en een goed verhaal wist hij het vertrouwen van zijn slachtoffers te winnen en hen over te halen tot investeringen. De voorgespiegelde winstbedragen zagen ze vervolgens nimmer terug.

Daarnaast deed [H] zich voor als weldoener, die personen met financiële problemen er met een financiële injectie wel weer bovenop zou helpen. Zo bracht hij het echtpaar [I - F] ertoe hun woning te verkopen en de overwaarde hiervan te investeren in zijn project. Het echtpaar zag het geld nooit meer terug en bleef berooid achter.

De verdachte heeft deze meedogenloze praktijken van zijn broer ondersteund door de overeenkomsten die zijn broer met de slachtoffers was aangegaan op schrift te zetten en zijn kantoorruimte (daarvoor) beschikbaar te stellen. De rechtbank neemt het de verdachte zeer kwalijk dat hij zijn hoedanigheid van advocaat heeft gebruikt, of in ieder geval door zijn broer heeft laten gebruiken, om het vertrouwen te winnen van de slachtoffers, waardoor deze slachtoffers bereid waren grote geldbedragen in beleggingsprojecten te investeren, waar ze achteraf niets van terug zagen. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte, mede gelet op zijn juridische achtergrond en zijn verklaring ter terechtzitting dat er liquiditeitsproblemen waren en dat er snel geld moest komen, niet erop mocht vertrouwen dat er enig rendement uit de beleggingen zou kunnen komen. De rechtbank neemt het de verdachte dan ook kwalijk dat hij heeft nagelaten de slachtoffers hierover in te lichten, en zonder meer zijn medewerking heeft verleend aan de praktijken van zijn broer. Voorts heeft de verdachte nagelaten zijn broer kritisch te bevragen over zijn handelwijze en is hij onverminderd doorgegaan met het faciliteren van oplichtingspraktijken, ook toen hem steeds meer signalen bereikten dat er iets niet in de haak was en hij zijn broer kent als iemand met een vlotte babbel en een grote overtuigingskracht.

De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 17 januari 2008 betreffende de verdachte. Hieruit blijkt dat de verdachte niet eerder met justitie in aanraking is gekomen.

Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op het voorlichtingsrapport van de reclassering, d.d. 9 oktober 2007. Gezien de ernst en de complexiteit van het ten laste gelegde en gezien het feit dat verdachte ontkent, onthoudt de reclassering zich van het geven van advies.

In het licht van het voorgaande acht de rechtbank een werkstraf van na te melden duur passend en geboden.

De vorderingen van de benadeelde partijen.

[A], wonende te [adres], heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 2.500,--.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering tot schadevergoeding, aangezien de verdachte ten aanzien van het ten laste gelegde feit waarop de vordering betrekking heeft, is vrijgesproken.

[E], wonende te [adres], heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 1.458.131,24.

Ook hem zal de rechtbank niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering tot schadevergoeding, aangezien de verdachte ten aanzien van het ten laste gelegde feit waarop de vordering betrekking heeft, is vrijgesproken.

[C], wonende te [adres], heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 15.250,--.

De rechtbank zal ook hem niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering tot schadevergoeding, aangezien de verdachte ten aanzien van het ten laste gelegde feit waarop de vordering betrekking heeft, is vrijgesproken.

[F], wonende te [adres], heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 33.879,98.

De rechtbank acht de vordering van zo eenvoudige aard dat deze vordering zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Deze vordering is door de verdachte niet betwist en is voldoende met bescheiden onderbouwd door de benadeelde partij.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het onder 2 subsidiair bewezenverklaarde feit.

De rechtbank zal derhalve de vordering toewijzen tot een bedrag van (afgerond) € 33.880,--.

De rechtbank zal de verdachte tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

[D], wonende te [adres], heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot NLG 50.000,--.

De rechtbank acht de vordering van zo eenvoudige aard dat deze vordering zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Deze vordering is door de verdachte niet betwist en blijkt genoegzaam uit het dossier.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het onder 2 subsidiair bewezenverklaarde feit.

De rechtbank zal derhalve de vordering toewijzen tot een bedrag van NLG 50.000,--.

De rechtbank zal de verdachte tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

Met betrekking tot de vervangende hechtenis overweegt de rechtbank dat deze, zoals bepaald in artikel 36f, laatste lid, in verbinding met artikel 24c van het Wetboek van Strafrecht, beperkt dient te blijven tot een jaar.

Van [B] en [G] heeft de rechtbank geen voegingsformulieren in het dossier aangetroffen.

De toepasselijke wetsartikelen.

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

- 9, 22c, 22d, 24c, 36f, 48, 49, 57 en 326 van het Wetboek van Strafrecht;

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij dagvaarding onder 1 en 2 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het bij dagvaarding onder 2 subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

medeplichtigheid aan oplichting, meermalen gepleegd;

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte tot:

een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de tijd van 200 uren;

bepaalt dat de benadeelde partijen [A], [E], [C] niet-ontvankelijk zijn in hun vorderingen tot schadevergoeding;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de navolgende benadeelde partijen toe en veroordeelt verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan:

- [F], [adres], een bedrag van € 33.880,--;

- [D], [adres],een bedrag van NLG 50.000,--;

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door zijn mededader [H] aan de benadeelde partijen, zal zijn bevrijd tot de hoogte van de betaalde bedragen;

legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van de volgende slachtoffers:

- [F], [adres], een bedrag van € 33.880,--;

- [D], [adres],een bedrag van NLG 50.000,--;

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van de verschuldigde bedragen volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van (in totaal) een jaar;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichtingen aan de benadeelde partijen de betalingsverplichtingen aan de staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichtingen aan de staat de betalingsverplichtingen aan de benadeelde partijen in zoverre doet vervallen.

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partijen gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

Dit vonnis is gewezen door

mrs Van Rens, voorzitter,

Van Kooten en Rochat, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Top, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 4 december 2008.