Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BG5833

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
02-12-2008
Datum publicatie
02-12-2008
Zaaknummer
AWB 08/38986, 08/39104
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenbewaring / redelijk vermoeden van illegaal verblijf / detournement de pouvoir / rechtsbijstand / verlenging ophouding / zicht op uitzetting / Vw 50, 59, 106

Eiseres is opgehouden op grond van artikel 50, tweede lid, Vw na een strafrechtelijk voortraject en aansluitend in ophouding en bewaring genomen.

De rechtbank overweegt dat de bevoegdheid tot staandehouding als bedoeld in artikel 50, eerste lid, van de Vw niet is toegepast. Dit brengt met zich dat het vereiste dat ten tijde van een dergelijke staandehouding sprake moet zijn van feiten en omstandigheden die, naar objectieve maatstaven gemeten, een redelijk vermoeden van illegaal verblijf opleveren, zoals neergelegd in dit artikellid, niet gold. Eiseresses betoog dat ten aanzien van haar geen redelijk vermoeden van illegaal verblijf bestond, kan in zoverre dan ook niet slagen.

Voor zover eiseres heeft beoogd aan te voeren dat bij haar ophouding geen sprake was van (een redelijk vermoeden van) illegaal verblijf, overweegt de rechtbank, nu de identiteit van eiseres bij de strafrechtelijke aanhouding niet kon worden vastgesteld, dat verweerder daarin grond mocht vinden voor het verrichten van nader onderzoek en deswege tot ophouding mocht overgaan. De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling van 2 april 2007, JV 2007/232, en van 15 maart 2004, LJN: AO7160. In het onderhavige geval ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat deze gevolgen niet voor rekening van eiseres mogen worden gelaten. De rechtbank concludeert dat verweerder tot ophouding van eiseres mocht overgaan. Eiseresses enkele, niet nader onderbouwde stelling dat zij de Nederlandse nationaliteit heeft, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel.

Wat betreft eisersesses betoog dat verweerder misbruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid tot ophouding overweegt de rechtbank dat bij voormelde uitspraak van 2 april 2007 de Afdeling heeft geoordeeld dat de enkele omstandigheid dat een persoon de Nederlandse taal uitstekend beheerst, niet met zich brengt dat verweerder reeds daarom had moeten aannemen dat deze persoon de Nederlandse nationaliteit heeft en derhalve van uitzetting geen sprake kan zijn. De rechtbank sluit zich hierbij aan en voegt nog daaraan toe dat een ander oordeel tot het ongewenste gevolg zou kunnen leiden dat alleen personen die het Nederlands onvoldoende machtig zijn en/of een ‘niet-Nederlands’ uiterlijk hebben in het kader van de Vw hun vrijheid zou kunnen worden ontnomen. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat verweerder de bevoegdheid tot ophouding en inbewaringstelling heeft ingeroepen en heeft gebruikt zonder enig redelijk doel, dan wel voor een ander doel dan waarvoor deze is gegeven.

Ten aanzien van het bestreden zicht op uitzetting overweegt de rechtbank dat eiseres niet meewerkte aan de vaststelling van haar identiteit en nationaliteit. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat ten tijde van het opleggen van de maatregel van bewaring geen sprake zou kunnen zijn van zicht op uitzetting van eiseres. Pas nadat na ingesteld onderzoek is gebleken dat er onvoldoende aanwijzingen waren om eiseres als vreemdeling te beschouwen en er aldus ook geen sprake meer was van zicht op uitzetting bestond voor verweerder aanleiding om de maatregel op te heffen. Er zijn geen omstandigheden op grond waarvan kan worden geoordeeld dat verweerder de maatregel van bewaring ten aanzien van eiseres niet had mogen opleggen dan wel eerder had moeten beëindigen.

Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittinghoudende te Utrecht

Sector bestuursrecht

zaaknummers:

AWB 08/38986 VRONTN

AWB 08/39104 VRONTN

uitspraak op de beroepen tegen de maatregelen van ophouding en bewaring op grond van artikel 50 en 59 Vreemdelingenwet 2000 (Vw) van de meervoudige kamer d.d. 2 december 2008

inzake

[eiser], alias [alias 1], alias [alias 2], alias [alias 3], onbekende geboortedatum en nationaliteit,

eiseres,

gemachtigde: mr. drs. J. Hemelaar, advocaat te Leiden,

tegen een besluit van

de Staatssecretaris van Justitie, verweerder.

gemachtigde: mr. R. Jonkman, werkzaam bij de onder verweerder ressorterende Immigratie- en Naturalisatiedienst te Den Haag.

Inleiding

1.1 Verweerder heeft op 31 oktober 2008 aan eiseres de maatregel van ophouding ex artikel 50, tweede lid, van de Vw opgelegd.

1.2 Eiseres heeft hiertegen op 1 november 2008 op grond van het bepaalde in artikel 93 van de Vw beroep ingesteld bij deze rechtbank en verzocht om toekenning van schadevergoeding. Dit beroep is geregistreerd onder nummer Awb 08/38986. Deze maatregel is opgeheven op 3 november 2008.

1.3 Verweerder heeft aansluitend aan de ophouding op 3 november 2008 aan eiseres met het oog op de uitzetting de maatregel van bewaring ex artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw opgelegd.

1.4 Eiseres heeft hiertegen op 3 november 2008 beroep ingesteld bij deze rechtbank. Ingevolge

artikel 94, eerste lid, Vw strekt dit beroep tevens tot toekenning van schadevergoeding. Dit beroep is geregistreerd onder nummer Awb 08/39104. Deze maatregel is opgeheven op 5 november 2008.

1.5 De gedingen zijn behandeld ter zitting van 10 november 2008. Eiseres en verweerder hebben ter zitting bij monde van hun gemachtigden hun standpunten toegelicht. Na het sluiten van het onderzoek ter zitting heeft de rechtbank op 14 november 2008 het onderzoek heropend en de zaak verwezen naar de meervoudige kamer. Bij brieven van 15 november 2008 en van 19 november 2008 hebben partijen toestemming gegeven voor verdere afdoening buiten zitting. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek op 26 november 2008 gesloten.

Overwegingen

2.1 Eiseres heeft ten aanzien van de overgelegde stukken in deze zaak een beroep gedaan op artikel 8:29 van de Awb en de rechtbank verzocht om te bepalen dat uitsluitend zij kennis neemt van de in deze stukken door eiseres genoemde naam. Voor zover het bepaalde in artikel 8:29 van de Awb al ziet op een situatie als deze acht de rechtbank geen gewichtige redenen aanwezig om dit verzoek te honoreren. De rechtbank wijst eiseres erop dat haar gemachtigde ter zitting aan de rechtbank en aan verweerder pleitnota’s heeft overgelegd waarop de door eiseres opgegeven naam is vermeld, althans dat de gemachtigde van eiseres niet aan de rechtbank heeft meegedeeld dat verweerder een geanonimiseerde pleitnota is verstrekt. Nu verweerder aldus al over de door eiseres opgegeven naam beschikt ziet de rechtbank evenmin aanleiding om in deze zaak de door eiseres opgegeven naam niet in deze uitspraak op te nemen.

2.2 Nu de maatregelen zijn opgeheven heeft eiseres niet langer belang bij de rechterlijke toetsing van de vraag of de maatregelen dienen te worden opgeheven.

2.3 Ingevolge artikel 106, eerste lid, van de Vw, voor zover thans van belang, kan de rechtbank, indien een maatregel strekkende tot vrijheidsontneming reeds voor de behandeling van het verzoek om opheffing van die maatregel wordt opgeheven, aan de vreemdeling een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.

2.4 Daarvoor dient de vraag te worden beantwoord of de oplegging of tenuitvoerlegging van de maatregelen op enig moment in strijd met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is geweest.

2.5 Eiseres heeft de rechtbank verzocht om schadevergoeding toe te kennen. Daartoe heeft zij onder meer aangevoerd dat ten aanzien van haar geen redelijk vermoeden van illegaal verblijf bestond, zodat de maatregelen van artikel 50 en 59 van de Vw niet ten aanzien van haar konden worden toegepast.

2.6 Verweerder heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van de beroepen en tot afwijzing van het verzoek om schadevergoeding.

De rechtbank overweegt als volgt.

2.7 Ingevolge artikel 50, tweede lid, van de Vw mag, indien de identiteit van de staande gehouden persoon niet onmiddellijk kan worden vastgesteld, hij worden overgebracht naar een plaats bestemd voor verhoor. Hij wordt aldaar niet langer dan gedurende zes uren opgehouden, met dien verstande, dat de tijd tussen middernacht en negen uur voormiddags niet wordt meegerekend.

2.8 Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat eiseres strafrechtelijk is aangehouden wegens het verstoren van een raadsvergadering van de gemeente Soest. Na afhandeling van het strafrechtelijk traject is eiseres op 31 oktober 2008 overgedragen aan de vreemdelingendienst ter vaststelling van haar identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie.

2.9 Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting stelt de rechtbank vast dat verweerder ten aanzien van eiseres de bevoegdheid tot staandehouding als bedoeld in artikel 50, eerste lid, van de Vw niet heeft toegepast. Dit brengt met zich dat het vereiste dat ten tijde van een dergelijke staandehouding sprake moet zijn van feiten en omstandigheden die, naar objectieve maatstaven gemeten, een redelijk vermoeden van illegaal verblijf opleveren, zoals neergelegd in dit artikellid, niet gold. Eiseresses betoog dat ten aanzien van haar geen redelijk vermoeden van illegaal verblijf bestond, kan in zoverre dan ook niet slagen.

2.10 Voor zover eiseres heeft beoogd aan te voeren dat bij haar ophouding, als bedoeld in artikel 50, tweede lid, van de Vw geen sprake was van (een redelijk vermoeden van) illegaal verblijf, overweegt de rechtbank als volgt. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuurs-rechtspraak van de Raad van State (hierna te noemen: de Afdeling) van 29 juni 2001, JV 2001/209 volgt dat, indien de politie bij de uitoefening van haar taken de persoonsgegevens van een burger verifieert, steeds controle van de persoonsgegevens in het Vreemdelingen Administratie Systeem (VAS) plaatsvindt. De rechtbank gaat er in de onderhavige zaak echter van uit dat dit niet is gebeurd, nu eiseres geen gegevens heeft verstrekt die in het VAS zouden kunnen worden gecontroleerd. Anders dan deze rechtbank heeft overwogen in haar uitspraak van 16 augustus 2007, kenmerk Awb 07/31057 en 07/31096, mocht verweerder, nu de identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie van eiseres bij de strafrechtelijke aanhouding niet konden worden vastgesteld, daarin naar het oordeel van de rechtbank grond vinden voor het verrichten van nader onderzoek en mocht verweerder deswege tot ophouding overgaan. De rechtbank verwijst hierbij naar hetgeen is overwogen in de uitspraken van de Afdeling van 2 april 2007, JV 2007/232, en van 15 maart 2004, LJN: AO7160. Voor zover de desbetreffende persoon medewerking aan de vaststelling van zijn identiteit en nationaliteit weigert, mogen de gevolgen daarvan in beginsel voor zijn rekening worden gelaten. In het onderhavige geval ziet de rechtbank, gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting, geen grond voor het oordeel dat deze gevolgen niet voor rekening van eiseres mogen worden gelaten. De rechtbank concludeert dat verweerder tot ophouding van eiseres mocht overgaan. Eiseresses enkele, niet nader onderbouwde stelling dat zij de Nederlandse nationaliteit heeft, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel.

2.11 Wat betreft eiseresses betoog dat verweerder misbruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid als bedoeld in artikel 50, tweede lid, van de Vw overweegt de rechtbank voorts als volgt. Bij voormelde uitspraak van 2 april 2007 heeft de Afdeling geoordeeld dat de enkele omstandigheid dat een persoon de Nederlandse taal uitstekend beheerst, niet met zich brengt dat verweerder reeds daarom had moeten aannemen dat deze persoon de Nederlandse nationaliteit heeft en derhalve van uitzetting geen sprake kan zijn. De rechtbank sluit zich hierbij aan en voegt nog daaraan toe dat een ander oordeel tot het ongewenste gevolg zou kunnen leiden dat alleen personen die het Nederlands onvoldoende machtig zijn en/of een ‘niet-Nederlands’ uiterlijk hebben in het kader van de Vw hun vrijheid zou kunnen worden ontnomen. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat verweerder de bevoegdheid als bedoeld in artikel 50, tweede lid, van de Vw heeft ingeroepen en heeft gebruikt zonder enig redelijk doel, dan wel voor een ander doel dan waarvoor deze is gegeven. De rechtbank overweegt hierbij dat niet is gebleken dat een onderzoek naar de identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie van eiseres niet heeft plaatsgevonden.

2.12 Eiseres heeft betoogd dat haar recht op rechtsbijstand is geschonden omdat eerst op 3 november 2008 de piketcentrale is ingelicht. De rechtbank stelt vast dat het proces-verbaal van overbrenging en ophouding van 31 oktober 2008 vermeldt dat eiseres op 31 oktober 2008 voorafgaande aan het gehoor tijdens de ophouding om 10:15 uur een voorkeursadvocaat heeft genoemd, welke door de vreemdelingendienst op 31 oktober 2008 telefonisch en vervolgens per fax is ingelicht. De rechtbank is van oordeel dat onder deze omstandigheden niet kan worden gesteld dat het eerst op 3 november 2008 inlichten van de piketcentrale dient te leiden tot onrechtmatigheid van de opgelegde maatregel.

2.13 Eiseres heeft betoogd dat er onvoldoende redenen waren om haar ophouding te verlengen. De rechtbank overweegt hierover dat ten tijde van de verlenging van de ophouding van eiseres verweerder nog niet beschikte over voldoende gegevens ter vaststelling van de identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie van eiseres. Uit de stukken en verhandelde ter zitting blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat niet is gebleken dat verweerder gedurende de ophouding onvoldoende inspanningen heeft verricht die een verlenging van de ophouding niet kunnen rechtvaardigen. Hierbij weegt de rechtbank mee dat, voor zover de desbetreffende persoon medewerking aan de vaststelling van zijn identiteit en nationaliteit weigert, de gevolgen daarvan in beginsel voor zijn rekening worden gelaten.

2.14 Ten aanzien van de stelling van eiseres dat het besluit tot de verlenging van de ophouding onbevoegd is genomen, overweegt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van overbrenging en ophouding van 31 oktober 2008 blijkt dat het besluit is genomen door een inspecteur van politie, tevens hulpofficier van justitie. Voor zover al moet worden aangenomen dat de verlenging van de ophouding onbevoegd is genomen overweegt de rechtbank dat bij de afweging van alle belangen niet kan worden gesteld dat eiseres hierdoor zodanig in haar belangen is geschaad, dat de verlenging van de ophouding hierdoor onrechtmatig moet worden geacht. Hierbij overweegt de rechtbank nog dat, zoals hierboven is overwogen, er voldoende gronden voor de verlenging van de ophouding bestonden.

2.15 Gelet op het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat de toepassing noch tenuitvoerlegging van de maatregel van ophouding ten aanzien van eiseres in strijd is geweest met de Vw. Evenmin is gebleken dat bij afweging van alle daarbij betrokken belangen de toepassing of tenuitvoerlegging van deze maatregel in redelijkheid niet gerechtvaardigd was te achten. De stelling van eiseres dat verweerder met de oplegging van de maatregel heeft gehandeld in strijd met het verbod van willekeur is door eiseres niet nader onderbouwd.

2.16 Voor wat betreft de oplegging van de maatregel van bewaring als bedoeld in artikel 59 van de Vw overweegt de rechtbank het volgende.

2.17 Ten aanzien van het bestreden zicht op uitzetting overweegt de rechtbank als volgt. Gelet op de omstandigheid dat eiseres niet meewerkte aan de vaststelling van haar identiteit en nationaliteit, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat ten tijde van het opleggen van de maatregel van bewaring geen sprake zou zijn geweest van zicht op uitzetting van eiseres. Pas nadat na ingesteld onderzoek is gebleken dat er onvoldoende aanwijzingen waren om eiseres als vreemdeling te beschouwen en er aldus ook geen sprake meer was van zicht op uitzetting bestond voor verweerder aanleiding om de maatregel op te heffen. De rechtbank is niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan kan worden geoordeeld dat verweerder de maatregel van bewaring ten aanzien van eiseres niet had mogen opleggen dan wel eerder had moeten beëindigen.

2.18 De rechtbank is voorts van oordeel dat de gronden de maatregel konden dragen. Deze gronden betreffen onder meer dat eiseres niet beschikte over een identiteitspapier als bedoeld in artikel 4.21 van het Vreemdelingenbesluit 2000, geen informatie had verstrekt over een vaste woon- of verblijfplaats, verdacht was van het plegen van een misdrijf en niet aannemelijk had gemaakt dat zij beschikte over voldoende middelen van bestaan.

2.19 Aldus is niet gebleken dat de procedure leidend tot de inbewaringstelling en de wijze van tenuitvoerlegging van de bewaring niet in overeenstemming zijn geweest met de wettelijke vereisten.

2.20 Gelet op het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat de toepassing noch tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring ten aanzien van eiseres in strijd is geweest met de Vw. Evenmin is gebleken dat bij afweging van alle daarbij betrokken belangen de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in redelijkheid niet gerechtvaardigd was te achten. Voor het oordeel dat verweerder de maatregel te lang heeft laten duren bestaat geen aanleiding, nu uit de stukken en hetgeen ter zitting is verklaard blijkt dat de maatregel is opgeheven zodra uit door verweerder ingesteld onderzoek was gebleken dat er onvoldoende aanknopingspunten waren om te veronderstellen dat eiseres een vreemdeling was.

2.21 De beroepen dienen derhalve ongegrond verklaard te worden. Er bestaat geen grond voor het toekennen van schadevergoeding, zodat het verzoek daartoe wordt afgewezen.

2.22 Van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de rechtbank niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart de beroepen ongegrond;

wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Dijksterhuis, voorzitter, en mr. M.P. Glerum, en mr. K.J. Veenstra, leden van de meervoudige kamer en in het openbaar uitgesproken op 2 december 2008.

De griffier: De voorzitter:

mr. P. Bruins-Langedijk mr. C.M. Dijksterhuis

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Ingevolge artikel 95 van de Vw staat tegen deze uitspraak binnen een week na de dag van bekendmaking hiervan voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 16113, 2500 BC Den Haag. Het beroepschrift dient één of meer grieven tegen deze uitspraak te bevatten.

Deze uitspraak van de rechtbank is bindend tussen partijen. Die binding heeft ook betekenis bij een eventueel vervolg van deze procedure, bijvoorbeeld indien het beroep gegrond wordt verklaard en verweerder een nieuw besluit moet nemen. Als een partij niet met hoger beroep opkomt tegen een oordeel van de rechtbank waarbij uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een standpunt van die partij is verworpen, staat de bestuursrechter die partij in beginsel niet toe dat standpunt in een latere fase van de procedure opnieuw in te nemen.