Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BG5813

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-06-2008
Datum publicatie
03-12-2008
Zaaknummer
AWB 07/7307
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geloofwaardigheid relaas / verwijtbaarheid ontbreken reisdocumenten

Tijdens zijn eerste gehoor op 18 augustus 2001 heeft eiser verklaard dat hij nimmer in het bezit is geweest van enig reisdocument en dat hij niet in het bezit is van bescheiden waarmee hij zijn reisverhaal kan onderbouwen. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit niet op het standpunt gesteld dat deze verklaring ongeloofwaardig is of dat eiser kan worden verweten dat hij nimmer in het bezit is geweest van bewijsstukken met betrekking tot zijn reis. Blijkens de motivering van het bestreden besluit werpt verweerder eiser dan ook niet zozeer tegen dat hij geen bewijsstukken met betrekking tot zijn reis heeft overgelegd, maar vooral dat eiser weinig tot niets weet te vertellen over zijn reis. Ook als wordt uitgegaan van de juistheid van het standpunt van verweerder dat het reisverhaal van eiser onvoldoende gedetailleerd en verifieerbaar is, volgt daaruit naar het oordeel van de rechtbank nog niet logischerwijs dat eiser kan worden toegerekend dat hij geen reispapieren heeft overgelegd. In haar uitspraak van 25 april 2008 (LJN BD1536) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) overwogen dat verklaringen over de reisroute, gezien het ter zake door verweerder gevoerde beleid zoals dat thans is neergelegd in paragraaf C4/3.6.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000, slechts van belang zijn indien eerst is vastgesteld dat sprake is van het toerekenbaar niet overleggen van reisdocumenten. In dat geval kunnen gedetailleerde en verifieerbare verklaringen over de reisroute aanleiding geven de desbetreffende vreemdeling de omstandigheid dat hij geen reisdocumenten heeft overgelegd niettemin niet tegen te werpen. Gelet op deze uitspraak van de Afdeling en gezien het bepaalde in artikel 31, eerste lid, aanhef en onder f, Vw 2000, ingevolge welke bepaling ter beoordeling van verweerder staat of eiser toerekenbaar geen reisdocumenten heeft overgelegd – en dus niet, in ieder geval niet primair, of zijn reisverhaal overtuigend is – kan het standpunt van verweerder dat eiser toerekenbaar geen bewijsstukken met betrekking tot zijn reis heeft overgelegd naar het oordeel van de rechtbank niet uitsluitend worden gebaseerd op het argument dat zijn reisverhaal onvoldoende gedetailleerd en verifieerbaar is. De rechtbank komt tot de slotsom dat het standpunt van verweerder dat eiser toerekenbaar geen bewijsstukken met betrekking tot zijn reis heeft overgelegd niet berust op een deugdelijke motivering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Dordrecht

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer

procedurenummer: AWB 07/7307, V-nummer: [v-nummer] ,

uitspraak van de enkelvoudige kamer

inzake [eiser] , wonende te Amsterdam, eiser,

gemachtigde: mr. M.M. Polman, advocaat te Rotterdam,

tegen

de Minister van Justitie, thans de Staatssecretaris van Justitie, verweerder, gemachtigde: mr. M.A. Pruss, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

1. Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 23 januari 2007 heeft verweerder de aanvraag van eiser om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd afgewezen.

Tegen dit besluit heeft eiser bij faxbericht van 15 februari 2007 beroep ingesteld.

De zaak is op 6 mei 2008 ter zitting van een enkelvoudige kamer behandeld.

Eiser is niet verschenen.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 worden verleend aan de vreemdeling voor wie terugkeer naar het land van herkomst naar het oordeel van Onze Minister van bijzondere hardheid zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar.

Ingevolge artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, Vw 2000, gelezen in verband met het eerste lid van deze bepaling, wordt bij het onderzoek naar de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 mede betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen.

Ingevolge artikel 32, eerste lid, aanhef en onder c, Vw 2000 kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 worden ingetrokken dan wel de aanvraag voor verlenging van de geldigheidsduur ervan kan worden afgewezen indien de grond voor verlening, bedoeld in artikel 29, is komen te vervallen.

Ingevolge artikel 34 Vw 2000, zoals luidend op 18 augustus 2004, kan de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 33 van de vreemdeling die direct voorafgaande aan de aanvraag gedurende drie achtereenvolgende jaren rechtmatig verblijf heeft genoten als bedoeld in artikel 8, onder c, slechts worden afgewezen indien zich op het moment waarop de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28, afloopt, een grond als bedoeld in artikel 32 voordoet.

2.2. Het bestreden besluit strekt tot afwijzing van de aanvraag van eiser om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. Hiertoe heeft verweerder overwogen dat eiser op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw 2000 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is verleend, geldig tot 18 augustus 2004. De grond voor verlening is komen te vervallen en ten tijde van de verlening van de vergunning deden zich geen andere gronden, genoemd in artikel 29 Vw 2000, voor.

Eiser heeft geen documenten of bescheiden overgelegd om zijn identiteit, nationaliteit, reisroute en asielrelaas te onderbouwen. Uit het algemeen ambtsbericht van 25 april 2005 van het Ministerie van Buitenlandse zaken blijkt dat in Sierra Leone vanaf augustus 2000 een nieuw systeem geldt, waarbij elke burger van zestien jaar en ouder verplicht is een identiteitskaart aan te vragen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat het ontbreken van nationaliteits- en identiteitspapieren niet aan hem is toe te rekenen. Eiser wordt niet gevolgd in zijn standpunt dat hij nooit in staat is geweest een identiteitskaart aan te vragen omdat hij op vijftienjarige leeftijd is meegevoerd door de rebellen. Eiser heeft een eigen verantwoordelijkheid ten aanzien van het overleggen van documenten waarmee hij zijn identiteit kan aantonen. Niet is gebleken dat eiser voor zijn vertrek uit Sierra Leone enige inspanning heeft verricht om identiteitsdocumenten te bemachtigen alvorens aan zijn reis te beginnen, hetgeen hem is aan te rekenen. Voorts heeft eiser onvoldoende meegewerkt aan de vaststelling van zijn reisroute. Eiser heeft zijn reisverhaal niet onderbouwd met bewijs en hij is niet in staat gebleken om gedetailleerde, coherente en verifieerbare verklaringen over de reisroute af te leggen. Van iemand die verklaart per boot naar Nederland te zijn gereisd, mag in alle redelijkheid verwacht worden dat hij informatie kan verschaffen over eenvoudige zaken als de kleur van de boot, de naam van de boot, onder welke vlag de boot voer, de naam van de haven van aankomst en vertrek en namen van personen die hem hebben bijgestaan tijdens zijn reis. Hiertoe is eiser niet in staat gebleken. Ook als rekening wordt gehouden met de belevingswereld van eiser en met de omstandigheid dat hij zich achteraf op het schip bevond, mag in alle redelijkheid van hem worden verwacht dat hij eenvoudige informatie verstrekt over zijn reis. Er is dan ook sprake van omstandigheden genoemd in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, Vw 2000. Dit betekent dat van het asielrelaas van eiser een positieve overtuigingskracht moet uitgaan om het geloofwaardig te achten en dat is niet het geval. Eiser heeft vage en summiere verklaringen afgelegd over zijn verblijf bij de rebellen, het wekt bevreemding dat de rebellen diamanten in bewaring zouden hebben gegeven aan eiser en hij zou op een bevreemdingwekkende, eenvoudige wijze zijn ontsnapt. Gelet hierop wordt geen geloof gehecht aan de verklaringen van eiser.

2.3. In beroep heeft eiser met name het volgende aangevoerd.

Verweerder gebruikt een standaardmotivering ter zake het ontbreken van documenten, hetgeen blijk geeft van een miskenning van de feitelijke situatie. Eiser is op vijftienjarige leeftijd ontvoerd door de rebellen en is dus niet in staat geweest een identiteitsbewijs aan te vragen. Eiser had geen idee welke reis hij aan het ondernemen was en verweerder heeft geen rekening gehouden met zijn belevingswereld. Eiser moest achteraf op het schip verblijven en hij kan dan ook geen concrete informatie verschaffen over het gebruikte vervoermiddel. Niet duidelijk is waarom eiser in staat zou moeten zijn zich alle details van de reis te herinneren.

Het asielrelaas van eiser komt overeen met de bekende algemene informatie over Sierra Leone en hij bestrijdt dan ook dat zijn asielrelaas ongeloofwaardig is. De nationaliteit van eiser staat vast en hij vreest nog immer voor vervolging door de rebellen.

2.4. De rechtbank oordeelt als volgt.

2.4.1. De beroepsgrond die is gericht tegen het standpunt van verweerder dat eiser toerekenbaar geen bewijs van zijn identiteit en nationaliteit heeft overgelegd slaagt.

Mede in reactie op verweerders verwijzing naar het algemeen ambtsbericht van 25 april 2005 heeft eiser aangevoerd dat hij op vijftienjarige leeftijd is ontvoerd door de rebellen en dat zij hem gevangen hebben gehouden, zodat hij geen identiteitspapieren heeft kunnen aanvragen. De stelling van verweerder dat eiser een eigen verantwoordelijkheid heeft om identiteitspapieren aan te vragen, maakt niet duidelijk wat eiser in de door hem geschetste situatie, waarvan verweerder in het kader van de toetsing van de aanvraag aan artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, Vw 2000 is uitgegaan, had kunnen en moeten doen om identiteitspapieren te verkrijgen. Hetzelfde geldt voor de tegenwerping dat eiser voorafgaand aan het begin van zijn reis niet heeft geprobeerd alsnog identiteitspapieren te verkrijgen. Ter zitting heeft de rechtbank de gemachtigde van verweerder gevraagd wat eiser volgens verweerder concreet had kunnen en moeten doen ter verkrijging van identiteitspapieren, waarop de gemachtigde van verweerder heeft geantwoord dat het bestreden besluit op dit punt gebrekkig is gemotiveerd. Een inhoudelijk antwoord op deze vraag van de rechtbank is uitgebleven.

De rechtbank komt tot de slotsom dat het standpunt van verweerder dat eiser toerekenbaar geen bewijs van zijn identiteit en nationaliteit heeft overgelegd niet berust op een deugdelijke motivering. Het bestreden besluit is in zoverre genomen in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

2.4.2. De beroepsgrond die is gericht tegen het standpunt van verweerder dat eiser toerekenbaar geen bewijsstukken met betrekking tot zijn reis heeft overgelegd en niet overtuigend heeft verklaard over zijn reisroute slaagt eveneens.

Tijdens zijn eerste gehoor op 18 augustus 2001 heeft eiser verklaard dat hij nimmer in het bezit is geweest van enig reisdocument en dat hij niet in het bezit is van bescheiden waarmee hij zijn reisverhaal kan onderbouwen. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit niet op het standpunt gesteld dat deze verklaring ongeloofwaardig is of dat eiser kan worden verweten dat hij nimmer in het bezit is geweest van bewijsstukken met betrekking tot zijn reis. Blijkens de motivering van het bestreden besluit werpt verweerder eiser dan ook niet zozeer tegen dat hij geen bewijsstukken met betrekking tot zijn reis heeft overgelegd, maar vooral dat eiser weinig tot niets weet te vertellen over zijn reis. Ook als wordt uitgegaan van de juistheid van het standpunt van verweerder dat het reisverhaal van eiser onvoldoende gedetailleerd en verifieerbaar is, volgt daaruit naar het oordeel van de rechtbank nog niet logischerwijs dat eiser kan worden toegerekend dat hij geen reispapieren heeft overgelegd. In haar uitspraak van 25 april 2008 (LJN BD1536) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) overwogen dat verklaringen over de reisroute, gezien het ter zake door verweerder gevoerde beleid zoals dat thans is neergelegd in paragraaf C4/3.6.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000, slechts van belang zijn indien eerst is vastgesteld dat sprake is van het toerekenbaar niet overleggen van reisdocumenten. In dat geval kunnen gedetailleerde en verifieerbare verklaringen over de reisroute aanleiding geven de desbetreffende vreemdeling de omstandigheid dat hij geen reisdocumenten heeft overgelegd niettemin niet tegen te werpen.

Gelet op deze uitspraak van de Afdeling en gezien het bepaalde in artikel 31, eerste lid, aanhef en onder f, Vw 2000, ingevolge welke bepaling ter beoordeling van verweerder staat of eiser toerekenbaar geen reisdocumenten heeft overgelegd – en dus niet, in ieder geval niet primair, of zijn reisverhaal overtuigend is – kan het standpunt van verweerder dat eiser toerekenbaar geen bewijsstukken met betrekking tot zijn reis heeft overgelegd naar het oordeel van de rechtbank niet uitsluitend worden gebaseerd op het argument dat zijn reisverhaal onvoldoende gedetailleerd en verifieerbaar is.

De rechtbank komt tot de slotsom dat het standpunt van verweerder dat eiser toerekenbaar geen bewijsstukken met betrekking tot zijn reis heeft overgelegd niet berust op een deugdelijke motivering. Ook in zoverre is het bestreden besluit genomen in strijd met artikel 3:46 Awb.

2.4.3. Gezien het voorafgaande staat niet vast dat verweerder het bepaalde in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, Vw 2000 terecht aan eiser heeft tegengeworpen. Het al dan niet tegenwerpen van deze bepaling is van belang voor de door verweerder aan te leggen toetsingsmaatstaf bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van het asielrelaas van eiser. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat het volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling aan verweerder en niet aan de rechtbank is om de geloofwaardigheid van een asielrelaas te beoordelen, komt de rechtbank niet toe aan een beoordeling van de andere beroepsgronden van eiser.

2.4.4. De rechtbank komt tot de slotsom dat het beroep gegrond is en dat het bestreden besluit moet worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:46 Awb.

De rechtbank ziet aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten in verband met de door een derde beroepsmatig verleende bijstand zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 322,-- (1 punt voor de indiening van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 322,-- en wegingsfactor 1). De rechtbank is niet gebleken dat eiser in beroep nog andere kosten heeft moeten maken die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.

Gelet op het vorenstaande beslist de rechtbank als volgt.

3. Beslissing

De rechtbank 's-Gravenhage,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten die eiser in verband met de behandeling van dit beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, welke kosten worden begroot op € 322,-- ter zake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die de proceskosten aan eiser moet vergoeden.

Aldus gegeven door mr. B. van Velzen, rechter, in tegenwoordigheid van mr. F. Reinhoudt Borghouts als griffier, en door de rechter ondertekend.

De griffier is buiten staat deze De rechter,

uitspraak mede te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op: 10 juni 2008

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet geadresseerd worden aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage. Men wordt verzocht een afschrift van de uitspraak mee te zenden.