Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BG5487

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-10-2008
Datum publicatie
27-11-2008
Zaaknummer
AWB 08/23515
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Art. 8 EVRM / ingangsdatum verblijfsvergunning / uitoefening gezinsleven

Het geschil spitst zich toe op de vraag of verweerder op grond van artikel 8 EVRM gehouden was de verblijfsvergunning te verlenen met als ingangsdatum de datum van onderhavige aanvraag. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend. Artikel 8 EVRM beschermt -kort gezegd- het recht op familieleven, maar noopt niet tot verlening van een verblijfstitel. Vanaf 22 augustus 1998 tot 5 juni 2008 heeft eiser in Nederland verbleven op grond van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, dan wel heeft hij rechtmatig verblijf genoten gedurende de onderhavige aanvraag- en bezwaarfase. Gedurende deze periode is eiser in staat geweest het gezinsleven uit te oefenen. Hierop is derhalve geen inbreuk gemaakt. De rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Haarlem

zaaknummer: AWB 08 / 23515

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 28 oktober 2008

in de zaak van:

[naam eiser],

geboren op [geboortedatum], van Nigeriaanse nationaliteit, verblijvende in de [locatie],

eiser,

gemachtigde: mr. A.G. Kleijweg, advocaat te Voorburg,

tegen:

de staatssecretaris van Justitie,

verweerder,

gemachtigde: mr. T.J.W. Visser, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te 's-Gravenhage.

1. Procesverloop

1.1 Eiser heeft op 4 augustus 2005 een aanvraag ingediend tot het wijzigen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, verleend onder de beperking 'studie' in de beperking 'verblijf bij partner [naam referente] (referente), onder gelijktijdige verlenging van de geldigheidsduur. Verweerder heeft de aanvraag bij besluit van 23 februari 2006 afgewezen. Eiser heeft tegen het besluit op 9 maart 2006 bezwaar gemaakt. Verweerder heeft het bezwaar bij besluit van 5 juni 2008 gegrond verklaard. Eiser heeft tegen dit besluit op 29 juni 2008 beroep ingesteld.

1.2 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 18 september 2008. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1 In beroep toetst de rechtbank het bestreden besluit aan de hand van de voorgedragen beroepsgronden op rechtmatigheid en ambtshalve aan voorschriften van openbare orde.

2.2 Ingevolge artikel 26, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000 (Vw) wordt de verblijfsvergunning regulier verleend met ingang van de dag waarop de vreemdeling heeft aangetoond dat hij aan alle voorwaarden voldoet, maar niet eerder dan met ingang van de dag waarop de aanvraag is ontvangen.

2.3 De rechtbank betrekt bij de beoordeling de volgende feiten. Op 23 november 1998 is eiser met ingang van 22 augustus 1998 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking 'studie HBO Economie te 's-Gravenhage', laatstelijk verlengd tot 1 oktober 2005. Op 4 augustus 2005 heeft eiser onderhavige aanvraag ingediend. Bij vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 25 juli 2007 is eiser veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaren.

2.4 In het bestreden besluit van 5 juni 2008 stelt verweerder zich op het standpunt dat eerst op 17 maart 2006 door eiser is aangetoond dat aan alle voorwaarden voor verlening van de verblijfsvergunning is voldaan. De verblijfsvergunning is derhalve met ingang van voormelde datum verleend, geldig tot 17 maart 2009.

2.5 Eiser heeft, samengevat, aangevoerd dat, gelet op zijn langdurig rechtmatig verblijf, zijn langdurige relatie met referent en het feit dat het niet mogelijk is het gezinsleven elders te beleven, verweerder ingevolge artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) eiser een vergunning had dienen te verlenen vanaf de datum van onderhavige aanvraag, zodat geen verblijfsgat kan ontstaan, dat bij een eventuele later besluit tot ongewenstverklaring een rol kan spelen. Verweerder had daarbij voorbij dienen te gaan aan het middelenvereiste. Eiser voldeed immers slechts niet aan het duurzaamheidvereiste.

2.6 De rechtbank overweegt als volgt.

2.7 Niet in geschil is dat eiser vanaf 17 maart 2006 heeft voldaan aan alle voorwaarden voor verlening van de gevraagde verblijfsvergunning. Eiser heeft bij brief van 16 maart 2006 als aanvulling op het bezwaarschrift een verklaring van werkgever [naam] overgelegd gedateerd 15 maart 2006, waarin onder meer wordt vermeld dat het dienstverband van referent na verloop van haar huidige contract (1 augustus 2006) overgaat in een vast dienstverband. Met dit vaste dienstverband is aangetoond dat sprake is van voldoende en duurzame middelen van bestaan.

2.8 Niet in geschil is voorts dat verweerder ingevolge artikel 26 Vw de gevraagde verblijfsvergunning terecht heeft verleend met ingang van de dag dat aan alle voorwaarden voor verlening van de gevraagde verblijfsvergunning was voldaan.

2.9 Het geschil spitst zich toe op de vraag of verweerder op grond van artikel 8 EVRM gehouden was de verblijfsvergunning te verlenen met als ingangsdatum de datum van onderhavige aanvraag.

De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend. Artikel 8 EVRM beschermt -kort gezegd- het recht op familieleven, maar noopt niet tot verlening van een verblijfstitel. Vanaf 22 augustus 1998 tot 5 juni 2008 heeft eiser in Nederland verbleven op grond van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, dan wel heeft hij rechtmatig verblijf genoten gedurende de onderhavige aanvraag- en bezwaarfase. Gedurende deze periode is eiser in staat geweest het gezinsleven uit te oefenen. Hierop is derhalve geen inbreuk gemaakt.

2.10 De rechtbank zal het beroep dan ook ongegrond verklaren.

2.11 Er is geen grond een van de partijen te veroordelen in de door de andere partij gemaakte proceskosten.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Janse van Mantgem, rechter, en op 28 oktober 2008 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van A.J. Vervoordeldonk, griffier.

Afschrift verzonden op:

Coll:

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC, 's-Gravenhage. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak.