Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BG4631

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
25-03-2008
Datum publicatie
18-11-2008
Zaaknummer
305566 / KG 08/267
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Aanzegging ex art. 435 Sv door PG bij Hoge Raad verzonden naar niet bestaand adres eiser. Eiser had foutief adres eerder kunnen en moeten opmerken. Afwijzing staken tenuitvoerlegging straf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

sector civiel recht - voorzieningenrechter

Vonnis in kort geding van 25 maart 2008,

gewezen in de zaak met zaak- en rolnummer 305566 / KG 08/267 van:

[eiser]

wonende te [plaats A.] (België), thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting

[locatie]

eiser,

procureur mr. R.A. Kaarls,

advocaat mr. G.J.A. van de Grint te ’s-Hertogenbosch,

tegen:

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie),

zetelende te ’s-Gravenhage,

gedaagde,

procureur mr. A.Th.M. ten Broeke.

1. De procedure

Eiser heeft de Staat op 5 maart 2008 doen dagvaarden om op 14 maart 2008 te verschijnen ter terechtzitting van de voorzieningenrechter van deze rechtbank. De zaak is op 14 maart 2008 mondeling behandeld. Daarbij is de Staat in de gelegenheid gesteld om nadien nadere stukken in het geding te brengen. De Staat heeft bij faxberichten van 18 en 19 maart 2008 nadere stukken overgelegd, welke in afschrift aan de advocaat van eiser zijn gezonden. Laatstgenoemde heeft op die stukken niet meer gereageerd. Vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 14 maart 2008 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1. Sinds 30 mei 2006 staat eiser bij de gemeente [plaats A.] (België) ingeschreven op het [adres 1] in deze gemeente.

2.2. Eiser is bij arrest van 4 december 2006 van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (parketnummer 20-001240-06) bij verstek veroordeeld tot in totaal negen weken hechtenis. Daarbij is voorts de tenuitvoerlegging gelast van een door de kantonrechter te ’s-Hertogenbosch bij vonnis van 26 april 2004 voorwaardelijk opgelegde hechtenis van vier weken. Dit arrest en het proces-verbaal van de terechtzitting van 4 december 2006 vermelden als woonadres van eiser [adres 2] (België).

2.3. Bij akte cassatie van 15 december 2006 is namens eiser beroep in cassatie ingesteld. Deze akte vermeldt voormeld [adres 2] als woonadres van eiser. De akte is namens eiser ondertekend door diens toenmalige advocaat.

2.4. In een overzicht van de (Nederlandse) gemeentelijke basisadministratie van 14 mei 2007 staat voormeld adres te Brussel als huidig woonadres van eiser vermeld.

2.5. Op 14 mei 2007 heeft het Parket van de procureur-generaal bij de Hoge Raad de aanzegging ingevolge artikel 435 lid 1 Wetboek van Strafvordering (Sv) vanwege het ontbreken van een woon- of verblijfplaats in Nederland uitgereikt aan de griffie van de rechtbank ’s-Gravenhage en op de voet van artikel 588 lid 2 Sv in afschrift verzonden aan het adres in Brussel.

2.6. Bij arrest van 25 september 2007 (nummer S 00962/07) heeft de Hoge Raad eiser niet-ontvankelijk verklaard in zijn cassatieberoep, nadat door of namens eiser geen middel(en) van cassatie was (waren) ingediend.

2.7. In een e-mail van 12 maart 2008 heeft een medewerker van de Belgische [gemeente], die deel uitmaakt van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, aan de huidige advocaat van eiser verklaard dat het [adres 2] niet bestaat.

2.8. Op 19 maart 2008 heeft het hoofd van de afdeling Burgerzaken van de gemeente ’s-Hertogenbosch schriftelijk verklaard dat door zijn afdeling op 3 november 2005 een aangifte van verhuizing is verwerkt van eiser. De verklaring vermeldt verder dat eiser op het aangifteformulier naast zijn persoonsgegevens heeft ingevuld dat het [adres 2] Brussel België per 3 november 2005 zijn nieuwe adres is. Volgens het hoofd van de afdeling Burgerzaken is het aangifteformulier ondertekend en was er een kopie van het paspoort van eiser bijgevoegd.

3. De vordering, de gronden daarvoor en het verweer

Eiser vordert – zakelijk weergegeven – te bepalen dat de Staat de tenuitvoerlegging van de straffen die aan eiser zijn opgelegd door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch bij arrest van 4 december 2006 met onmiddellijke ingang dient te staken, in ieder geval voor de duur van de door eiser bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens aanhangig te maken klachtprocedure respectievelijk herzieningsprocedure bij de Hoge Raad. Daarnaast vordert eiser te bepalen dat eiser met onmiddellijke ingang in vrijheid dient te worden gesteld, op straffe van een dwangsom. Na ter zitting zijn eis te hebben vermeerderd, vordert eiser voorts om de tijd die hij vanaf 31 december 2007 uit hoofde van het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch is gedetineerd, te verrekenen met een nog ten uitvoer te leggen straf van veertien dagen ingevolge een veroordeling in een andere strafzaak.

Daartoe voert eiser het volgende aan.

In het door eiser ingestelde cassatieberoep heeft het Parket van de procureur- generaal bij de Hoge Raad de aanzegging ex artikel 435 Sv verzonden aan een niet bestaand adres in Brussel (België). Eiser woont al geruime tijd in [plaats A.]. Daardoor is hij niet in de gelegenheid gesteld om tijdig één of meer middelen van cassatie in te dienen, tengevolge waarvan zijn cassatieberoep niet-ontvankelijk is verklaard. Door deze schending van zeer fundamentele (proces)rechtelijk beginselen heeft eiser geen fair trial gehad. Voor zover al geen sprake zou zijn van substantiële nietigheid, is een onverkorte tenuitvoerlegging van het arrest van het gerechtshof apert onredelijk en ontoelaatbaar.

De Staat voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4. De beoordeling van het geschil

4.1. Na ontvangst van de stukken van het geding door de griffier van de Hoge Raad wordt op grond van artikel 435 Sv door de procureur-generaal aan de verdachte aangezegd dat de stukken van het geding bij de Hoge Raad zijn ingekomen onder mededeling dat de zaak door de Hoge Raad in behandeling zal worden genomen na verloop van de betreffende termijn voor het indienen van een schriftuur met de middelen van cassatie. De uitreiking van deze aanzegging aan de geadresseerde van wie de woon- of verblijfplaats in het buitenland bekend is, geschiedt op grond van artikel 588 lid 2 Sv door toezending van de aanzegging door het openbaar ministerie, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomst van de bevoegde buitenlandse autoriteit of instantie en, voor zover een verdrag van toepassing is, met inachtneming van dat verdrag.

4.2. De Staat heeft betoogd dat het voorschrift van artikel 588 lid 2 Sv in acht is genomen en dat het Parket van de procureur-generaal bij de Hoge Raad daarom kon uitgaan van de juistheid van het (kennelijk niet bestaande) adres in Brussel bij het verzenden van de voor eiser bestemde aanzegging als bedoeld in artikel 435 Sv.

4.3. Dit betoog treft doel. Indien een verdachte volgens opgave van de gemeentelijke basisadministratie naar een ander land is vertrokken, moet bij de gemeente navraag worden gedaan of de verdachte bij diens vertrek de voor de uitreiking van gerechtelijke mededelingen benodigde adresgegevens heeft opgegeven en of die gegevens zijn geadministreerd (Hoge Raad 8 juni 1999, NJ 1999, 617). Uit het overzicht van de gemeentelijke basisadministratie van 14 mei 2007 volgt dat navraag is gedaan. De verklaring van het hoofd van de afdeling Burgerzaken van de gemeente Den Bosch van 19 maart 2008 bevestigt dat eiser zelf bij diens vertrek uit Nederland naar België de voor de uitreiking van gerechtelijke mededelingen benodigde adresgegevens heeft opgegeven en dat deze gegevens door deze gemeente zijn geadministreerd. Van belang is voorts dat eiser zelf in cassatie is gekomen en kennelijk prijs stelde op berechting op tegenspraak. In dit licht bezien kon van eiser redelijkerwijs worden verwacht dat hij de in het maatschappelijk verkeer gebruikelijke maatregelen had genomen om te voorkomen dat de aanzegging hem niet zou bereiken of de inhoud daarvan niet te zijner kennis zou komen, zeker nu hij ten tijde van het instellen van beroep in cassatie volgens de door hem gedane opgave bij de afdeling burgerzaken van de gemeente ’s-Hertogenbosch geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland had maar woonachtig was op het adres in Brussel (vergelijk Hoge Raad 15 september 1997, NJ 1998, 115). Het had dus voor de hand gelegen dat eiser in elk geval de akte cassatie van 15 december 2006 had aangegrepen om het hierin opgenomen foutieve adres te Brussel te doen corrigeren. Dat hij dit heeft verzuimd, behoort voor zijn rekening te blijven. De voorzieningenrechter merkt nog op dat hetzelfde adres in Brussel ook vermeld is in het aan het arrest van het gerechtshof Den Bosch voorafgaande vonnis van 15 maart 2006. Tijdens de zitting die leidde tot dat vonnis, is eisers advocaat verschenen. Ook de akte van beroep van dat vonnis, dat namens eiser getekend is, vermeldt meergenoemd adres in Brussel. Het gegeven dat in een andere strafprocedure van eiser wel diens adres in [plaats A.] gebruikt is, doet aan het voorgaande niet af.

4.4. Deze uitkomst moet leiden tot afwijzing van de vorderingen met veroordeling van eiser, als de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten van dit geding.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

wijst af het gevorderde;

veroordeelt eiser in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van de Staat begroot op € 1.070,--, waarvan € 816,-- aan salaris procureur en € 254,-- aan griffierecht;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. Paris en uitgesproken ter openbare zitting van 25 maart 2008 in tegenwoordigheid van de griffier.

mlh