Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BG4430

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
31-10-2008
Datum publicatie
17-11-2008
Zaaknummer
AWB 08/36561
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenbewaring / China / geen zicht op uitzetting / afgifte tweede laissez passer

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) heeft in haar uitspraak van 5 september 2008 (LJN: BE9987) overwogen dat verweerder weliswaar de nodige inspanningen heeft verricht op diplomatiek niveau, doch dat hieruit niet blijkt van concrete aanknopingspunten die de verwachting rechtvaardigen dat thans op korte termijn zal kunnen worden overgegaan tot uitzetting van Chinese vreemdelingen naar China, ook als de vreemdeling de vereiste medewerking verleent. Ter zitting van 21 augustus 2008 bij de AbRS heeft verweerder noch over de inhoud van de met de Chinese autoriteiten gevoerde gesprekken noch over de termijn waarbinnen een verandering in de houding van de Chinese autoriteiten mag worden verwacht helderheid kunnen verschaffen. De AbRS stelt vast dat onder die omstandigheden zicht op uitzetting is komen te ontbreken.

Hoewel er, na de verstrekking van de eerste laissez-passer op 8 september 2008, op 21 oktober 2008 een tweede laissez-passer is verstrekt, is de rechtbank van oordeel dat dat vooralsnog geen sprake is van een verandering van feiten en/of omstandigheden welke de conclusie rechtvaardigt dat sprake is van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn. Uit het feit dat thans in een tweede individueel geval een laissez-passer is afgegeven kan niet worden afgeleid dat de recente contacten met de Chinese autoriteiten hebben geleid tot een structureel gewijzigde opstelling van deze autoriteiten, in de zin dat daarmee een trend is gezet.

Gezien het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt, zodat de inbewaringstelling van de vreemdelinge niet langer gerechtvaardigd is.

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring van de vreemdelinge vanaf 8 oktober 2008 onrechtmatig was. Het beroep is derhalve gegrond en de maatregel dient te worden opgeheven met ingang van heden, 31 oktober 2008.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Vreemdelingenkamer, enkelvoudige kamer

Reg.nr: AWB 08/36561 VRONTN

UITSPRAAK ingevolge artikel 8:77 Algemene wet bestuursrecht beroep vrijheidsontnemende maatregel

Inzake:

[A], V-nummer [V-nummer], thans verblijvende in het Detentiecentrum te Zeist, hierna te noemen de vreemdelinge, gemachtigde mr. G. Kloosterziel, advocaat te Amsterdam,

tegen:

de Staatssecretaris van Justitie, verweerder, gemachtigde mr. E. de Jong, ambtenaar ten departemente.

I PROCESVERLOOP

1 Op 13 oktober 2008 heeft de vreemdelinge een beroepschrift ingediend bij de rechtbank. In het beroepschrift is tevens verzocht om schadevergoeding.

2 De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 24 oktober 2008. De vreemdelinge is aldaar verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was aanwezig drs P.N. Kuiper, tolk in het Mandarijn.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting met toepassing van artikel 64, eerste lid, van de Awb geschorst om verweerder de mogelijkheid te geven nadere informatie te geven. Bij schrijven van 28 oktober 2008 heeft verweerder stukken ingestuurd. Bij schrijven van

30 oktober 2008 heeft de gemachtigde van de vreemdelinge een nadere reactie ingestuurd. Partijen hebben aangegeven akkoord te gaan met een nadere behandeling zonder zitting. Het onderzoek is daarop gesloten.

II OVERWEGINGEN

1 De vreemdelinge heeft gesteld te zijn geboren op [geboortedatum] 1956 en de Chinese nationaliteit te hebben. Het beroep is gericht tegen het besluit van verweerder van 8 oktober 2008 waarbij de vreemdelinge de vrijheidsontnemende maatregel is opgelegd.

2 Ingevolge artikel 94, vierde lid, Vreemdelingenwet (Vw) 2000 staat ter beoordeling of dit besluit in strijd is met deze wet, dan wel bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is te achten.

3 De gronden van de maatregel zijn niet betwist.

4 De vreemdeling heeft aangevoerd dat het zicht op uitzetting ontbreekt.

5 De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) heeft in haar uitspraak van 5 september 2008 (LJN: BE9987) overwogen dat verweerder weliswaar de nodige inspanningen heeft verricht op diplomatiek niveau, doch dat hieruit niet blijkt van concrete aanknopingspunten die de verwachting rechtvaardigen dat thans op korte termijn zal kunnen worden overgegaan tot uitzetting van Chinese vreemdelingen naar China, ook als de vreemdeling de vereiste medewerking verleent. Ter zitting van 21 augustus 2008 bij de AbRS heeft verweerder noch over de inhoud van de met de Chinese autoriteiten gevoerde gesprekken noch over de termijn waarbinnen een verandering in de houding van de Chinese autoriteiten mag worden verwacht helderheid kunnen verschaffen. De AbRS stelt vast dat onder die omstandigheden zicht op uitzetting is komen te ontbreken.

Hoewel er, na de verstrekking van de eerste laissez-passer op 8 september 2008, op 21 oktober 2008 een tweede laissez-passer is verstrekt, is de rechtbank van oordeel dat dat vooralsnog geen sprake is van een verandering van feiten en/of omstandigheden welke de conclusie rechtvaardigt dat sprake is van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn. Uit het feit dat thans in een tweede individueel geval een laissez-passer is afgegeven kan niet worden afgeleid dat de recente contacten met de Chinese autoriteiten hebben geleid tot een structureel gewijzigde opstelling van deze autoriteiten, in de zin dat daarmee een trend is gezet.

Gezien het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt, zodat de inbewaringstelling van de vreemdelinge niet langer gerechtvaardigd is.

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring van de vreemdelinge vanaf 8 oktober 2008 onrechtmatig was. Het beroep is derhalve gegrond en de maatregel dient te worden opgeheven met ingang van heden,

31 oktober 2008.

Voorts acht de rechtbank voldoende gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 23 dagen onrechtmatige bewaring ten bedrage van 2 x € 105,- + 21 x € 80,- = € 1890,-. (€ 105,-- politiecel, € 80.-- voor HvB).

De rechtbank ziet aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) te veroordelen in de door de vreemdelinge gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,-- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 322,-- en wegingsfactor 1). Aangezien ten behoeve van de vreemdelinge een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient de betaling van dit bedrag ingevolge artikel 8:75, tweede lid, Awb te geschieden aan de griffier van de rechtbank.

III BESLISSING

De rechtbank ’s-Gravenhage:

RECHT DOENDE:

- verklaart het beroep gegrond;

- beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring;

- wijst het verzoek om schadevergoeding toe en kent aan de vreemdelinge een schadevergoeding toe, groot € 1890,- ten laste van de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie), te betalen door de griffier van de rechtbank;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 644,- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie) als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier dient te vergoeden.

Aldus gedaan door mr. C. Fetter en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 31 oktober 2008, in tegenwoordigheid van de griffier.

RECHTSMIDDEL

Krachtens artikel 95 Vw 2000 staat tegen deze uitspraak voor partijen hoger beroep open.

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt één week na verzending van de uitspraak door de griffier.

Bij het beroepschrift dient een kopie van deze uitspraak te worden overgelegd.

Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet geadresseerd worden aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC Den Haag (nadere informatie: www.raadvanstate.nl).

Afschrift verzonden op: