Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BG2970

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
24-10-2008
Datum publicatie
04-11-2008
Zaaknummer
09/755136-05; 09/862505-07 (ttz gev)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte en zijn medeverdachten hebben zich schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift en oplichting van de Ministeries van VWS en Financiën en de BNG en daardoor de Staat benadeeld voor een bedrag van € 21.921.459,- Zie inhoudsindicatie LJN BG1998. Naast [...] feiten ten aanzien van de valsheid en oplichting rekent de rechtbank verdachte voorts ernstig aan dat hij profijt heeft getrokken uit de verduistering van medeverdachte [verdachte 1] door in zijn woning een keuken te laten plaatsen terwijl hij wist dat deze werd betaald door de stichting [X].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE KAMER

(VERKORT VONNIS)

parketnummers 09/755136-05; 09/862505-07 (ttz gev)

's-Gravenhage, 24 oktober 2008

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaken van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte 2],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1947,

[adres].

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 3 februari 2006, 3 maart 2006, 31 mei 2006,

1 maart 2007 en van 6 tot en met 10 oktober 2008.

De verdachte, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. E.G.C. Groenendaal, advocaat te Amsterdam, is ter terechtzitting verschenen en gehoord.

De officier van justitie, mr. E.I. Schuijer, heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het hem bij (gewijzigde) dagvaarding met parketnummer 09/755136-05 (dagvaarding I) onder 3. en 4. en bij dagvaarding met parketnummer 09/862505-07 (dagvaarding II) onder 2. eerste alternatief/cumulatief, voor zover dit feit ziet op zaaksdossier 5, 2. tweede alternatief/cumulatief en 3. eerste alternatief/cumulatief tenlastegelegde wordt vrijgesproken en dat verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding I onder 1., 2., 5. en bij dagvaarding II onder 1., 2. eerste alternatief/cumulatief, overig, en 3. tweede alternatief/cumulatief tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

De tenlastelegging.

Aan de verdachte is tenlastegelegd, - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting met betrekking tot dagvaarding II - dat:

Dagvaarding I

1.

hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks

de periode van 22 februari 2001 tot en met 21 juni 2001 en/of de periode van

22 februari 2001 tot en met 28 mei 2002

althans in of omstreeks de periode van 21 juni 2001 tot en met 23 oktober 2005

te [P1] en/of [woonplaats] en/of elders in Nederland

(telkens) tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen,

meermalen, althans eenmaal (telkens) een of meerdere:

- aanvra(a)g(en) voor het verstrekken van leningen en/of

- verzoek(en) tot het afgeven van rijksgarantie(s) en/of

- geldleningsovereenkomst(en) en/of

- brief en/of brieven (minuut) en/of

- akte(n) van borgstelling en/of

- schuldbekentenis(sen)

(elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te

dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst en/of heeft laten opmaken en/of

vervalsen, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens)

valselijk - immers opzettelijk in strijd met de waarheid -

(inzake de aanvraag van rijksgarantie voor een bedrag van 20.239.750 euro, doc

346 en 585)

- in een brief met bijlage, gedateerd 22 februari 2001, opgenomen/ingevuld

en/of doen laten opnemen/invullen dat de Stichting [A] een verzoek

indient bij het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport om zijn

projecten (in de bijlage) te mogen financieren met de rijksgarantie voor een

totaalbedrag van 264 miljoen gulden en/of dat geschrift heeft (doen) voorzien

van een (valse/vervalste) handtekening(en) (zulks ter bevestiging van de

juistheid van de inhoud van dat/die geschrift(en)) en/of

- in een brief met bijlage, gedateerd 21 juni 2001, opgenomen/ingevuld en/of

doen laten invullen/opnemen dat de Stichting [A] een aanvraag indient

bij het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport tot het geven van een

rijksgarantie voor de in de bijlage genoemde projecten tot een bedrag van

20.239.750 euro en dat de voorzieningen genoemd in de bijlage eigendom zijn

van de Stichting en/of dat geschrift heeft voorzien van een (valse/vervalste)

handtekening(en) (zulks ter bevestiging van de juistheid van de inhoud van

dat/die geschrift(en))

zulks (telkens) met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en

onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken

en/of

hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 22

februari 2001 tot en met 21 juni 2001 en/of de periode van 22 februari 2001

tot en met 28 mei 2002

althans in of omstreeks de periode van 21 juni 2001 tot en met 23 oktober 2005

te [P1] en/of [P2] en/of elders in Nederland

(telkens) tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen,

meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk gebruik heeft gemaakt (van)

een of meer vals(e) en/of vervalst(e)

aanvra(a)g(en) voor het verstrekken van leningen en/of

- verzoek(en) tot het afgeven van rijksgarantie(s) en/of

- geldleningsovereenkomst(en) en/of

- brief en/of brieven (minuut) en/of

- akte(n) van borgstelling(en) en/of

- schuldbekentenis(en)

(elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te

dienen - als ware die/dat geschrift(en) (telkens) echt en onvervalst,

bestaande dat gebruikmaken hierin dat dat/die overeenkomst (en) en/of

geschrift(en) is/zijn overlegd bij het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn

en Sport en/of de Bank

Nederlandse Gemeenten en/of het Ministerie van Financiën en/of de Directie

Gehandicaptenbeleid van het ministerie van VWS en/of (een) andere (financiële)

instelling

en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat

(inzake de aanvraag van rijksgarantie voor een bedrag van 20.239.750 euro, doc

346 en 585)

- in een brief met bijlage, gedateerd 22 februari 2001, stond vermeld dat de

Stichting [A] een verzoek indient bij het Ministerie van

Volksgezondheid, Welzijn en Sport om zijn projecten (in de bijlage) te mogen

financieren met de rijksgarantie voor een totaalbedrag van 264 miljoen gulden

en/of

- in een brief met bijlage, gedateerd 21 juni 2001, stond vermeld dat de

Stichting [A] een aanvraag indient bij het Ministerie van

Volksgezondheid, Welzijn en Sport tot het geven van een rijksgarantie voor de

in de bijlage genoemde projecten tot een bedrag van 20.239.750 euro en dat de

voorzieningen genoemd in de bijlage eigendom zijn van de Stichting;

art 225 lid 2 Wetboek van Strafrecht

art 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 21 juni 2001

tot en met 23 oktober 2005 te [P1] en/of [woonplaats] en/of elders in

Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

meermalen, althans eenmaal (telkens),

met het oogmerk zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen,

(telkens) door gebruik te maken van (valse/vervalste) aanvra(a)g(en) voor het

verstrekken van leningen en/of verzoek(en) tot het afgeven van

rijksgarantie(s) en/of

geldleningsovereenkomst(en) en/of brief en/of brieven (minuut) en/of akte(n)

van borgstelling en/of

doordat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), het deden voorkomen dat

- de Stichting [B] (Transmurale en Semimurale Voorzieningen) eigenaar was

van, althans gerechtigd was tot het bezwaren van onroerend goed van (een)

zorginstelling(en) en/of

- de Stichting [B] (Transmurale en Semimurale Voorzieningen) projecten zou

financieren in de gezondheidszorg waarvoor een rijksgarantie kon worden

afgegeven,

het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en/of de Bank

Nederlandse Gemeenten en/of het Ministerie van Financiën en/of de Directie

Gehandicaptenbeleid van het ministerie van VWS en/of (een) andere

(financiële) instelling heeft bewogen tot het verstrekken van leningen onder

rijksgarantie en/of heeft opgelicht

hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) toen aldaar (telkens) met

vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en/of

listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid (telkens)

- (een) verzoek(en) tot het verstrekken van leningen onder rijksgarantie

gedaan, waarbij onjuiste gegevens werden opgegeven (waaronder de eigendom van

de voorzieningen en/of de bestemming van de te verstrekken gelden) en/of

- valse stukken overlegd (waaronder (een) (geantedateerde) aanvra(a)g(en)

voor het verstrekken van leningen en/of verzoek(en) tot het afgeven van

rijksgarantie(s) en/of geldleningsovereenkomst(en) en/of brief en/of brieven

(minuut) en/of akte(n) van borgstelling en of een of meer ander(e) stuk(ken)

en/of geschrift(en)) en/of

- door misbruik /gebruik/omkoping van (natuurlijke)contactpersonen binnen de

organisatie de administratieve procedure voor het verstrekken van leningen

niet gevolgd en/of (een) dossier(s) bij het Ministerie van Volksgezondheid

niet gecompleteerd met de aanvra(a)g(en) voor het verstrekken van leningen

en/of de gunningsbrief en/of gunningsbrieven en/of de hypotheekakte(n) en/of

de nota('s) van aflossing en/of de aanvra(a)g(en) niet gedaan en afgewikkeld

conform de voorgeschreven procedure(s) en/of

- in het digitale Garantie Registratie en Administratie systeem (GRAS) van

het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport de einddatum van de

leningen aangepast / laten aanpassen en/of

- (een) Stichting [B] opgericht, die uitsluitend diende als dekmantel voor

het verwerven van de onder rijksgarantie verstrekte leningen en/of die in

strijd handelde met de doelstelling(en) in artikel 2 van de oprichtingsakte

en/of een bankrekeningnummer behorend bij deze Stichting geopend

(67.47.49.219), dat nooit andere inkomsten heeft gekend dan de gelden van de

onder rijksgarantie verstrekte leningen (o.a. doc 172, 188) en/of

- de onder rijksgarantie verstrekte geldlening(en) niet heeft gebruikt en/of

aangewend voor de doelstelling(en) in de zorgsector, waarvoor de gelden

verstrekt zijn/worden en/of bestemd zijn

waardoor het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en/of de Bank

Nederlandse Gemeenten en/of het Ministerie van Financiën en/of de Directie

Gehandicaptenbeleid van het ministerie van VWS

(telkens) werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte;

art 326 Wetboek van Strafrecht

3.

hij in of omstreeks de periode van 21 juni 2001 tot en met 23 oktober 2005 te

[P1] en/of [woonplaats] en/of elders in Nederland, heeft deelgenomen aan een

organisatie bestaande uit de (rechts)personen:

- [verdachte 1] en/of

- [verdachte 3] en/of

- [verdachte 5] en/of

- [verdachte 4] en/of

- [verdachte 6] en/of

- Stichting [B] (Transmurale en Semimurale Voorzieningen) en/of

- (Stichting) [C] Holding [P1] (BV) en/of

- (Beheer- en Exploitatiemaatschappij) [D] BV en/of

- een of meer ander(e) (rechts)perso(o)n(en),

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk

- het valselijk opmaken of vervalsen van geschriften die bestemd zijn om tot

bewijs van enig feit te dienen, met het oogmerk die als echt en onvervalst te

gebruiken of door anderen te doen gebruiken (artikel 225 lid 1 Wetboek van

Strafrecht) en/of

- het opzettelijk gebruik maken van valse of vervalste geschriften als ware

die echt en onvervalst (artikel 225 lid 2 Wetboek van Strafrecht) en/of

- het door het aannemen van een valse naam of van een valse hoedanigheid,

hetzij door listige kunstgrepen, hetzij door een samenweefsel van

verdichtsels, bewegen van iemand tot afgifte van een goed, het ter

beschikking stellen van gegevens met geldswaarde in het handelsverkeer, het

aangaan van een schuld en/of het tenietdoen van een inschuld met het oogmerk

om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen (artikel 326 Wetboek van

Strafrecht) en/of

- van een voorwerp de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de

vervreemding of de verplaatsing verbergen of verhullen, dan wel verbergen of

verhullen wie de rechthebbende op een voorwerp is of het voorhanden heeft dan

wel een voorwerp verwerven, voorhanden hebben, overdragen of omzetten of

ervan gebruikmaken, terwijl hij weet dat het voorwerp - onmiddellijk of

middellijk afkomstig is uit enig misdrijf (artikel 420 bis Wetboek van

Strafrecht);

art 140 lid 1 Wetboek van Strafrecht

4.

hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 28

augustus 1996 tot en met 23 oktober 2005 te [P1] en/of [woonplaats] en/of

elders in Nederland (telkens) tezamen en in vereniging met een of meer

ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal (telkens) een of meerdere

gift(en) en/of belofte(n) en/of dienst(en) aan heeft genomen, te weten

- een (lenings)bedrag van 28.000,-- euro, althans een [merk auto]

terwaarde van 26.265,-- euro en/of 28.355,-- euro, en/of

- provisiegelden voor een totaalbedrag van 11.480,-- euro en/of

- een geldbedrag van 4.000,-- euro en/of

- (contante) geldbedrag(en) voor een totaalbedrag van 19.245,-- euro (contante

stortingen op zijn rekening(en)) en/of

- vergoeding van de oprichtings- en/of notariskosten ter hoogte van een bedrag

van 4.522,-- euro bij de oprichting van zijn bedrijf [E] Finance BV en/of

[E] Holding BV en/of

- deelname (voor 2/7 deel) aan de bonuspot van [C] Finance BV en/of

- de toezegging van een functie bij een bedrijf van [verdachte 1] (voor een

aanmerkelijk hoger salaris), indien verdachte zijn baan bij het ministerie van

VWS zou verliezen en/of

- een geldbedrag van 37.781,63 euro (ten tijde van zijn dienstverband bij [C]

Finance BV)

met het oogmerk om hem te bewegen in zijn bediening, al dan niet in strijd met

zijn plicht, iets te doen of na te laten en/of

ten gevolge van of naar aanleiding van hetgeen door deze in zijn huidige of

vroegere bediening, al dan niet in strijd met zijn plicht, is gedaan of

nagelaten, te weten

- het antedateren van (een) brief/brieven van Stichting [A] en/of

Stichting [B] in verband met de aanvraag van leningen onder rijksgarantie

bij het ministerie van VWS en/of het opstellen van deze brief/brieven in

overleg met [verdachte 1] en/of

- het behandelen van (een) verzoek(en) en/of aanvra(a)g(en) tot verstrekking

van (een) rijksgarantie(s) en/of lening(en) van Stichting [B] en/of het

niet in acht nemen van de (interne) procedurele vereisten binnen het

ministerie van VWS van de behandeling van dergelijke verzoeken en/of

- zorgdragen voor het omzetten van de leningen in het Gras-bestand van het

ministerie van VWS naar nul (zonder de daartoe vereiste aflossingsnota's)

- het achterhouden van bescheiden voor de aanvraag van de leningen, die in de

administratie van het ministerie van VWS thuishoren en/of

- het verstrekken van informatie afkomstig van het ministerie van VWS over de

uitbesteding van het beheer van garantieverleningen en/of de juiste wijze om

een offerte in te dienen;

art 177 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

5.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 21 juni 2001

tot en met 23 oktober 2005 te [P1] en/of [woonplaats] en/of elders in

Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, van

het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers

heeft hij, verdachte, (telkens) van een voorwerp, te weten (telkens) een of

meer geldbedrag(en),

a) ter hoogte van 21.921.459,48 euro en/of 20.239.759,-- euro en/of

b) ter hoogte van 5.600.000,-- euro (doc 160 en 441) en/of

c) ter hoogte van 3.750.000,-- euro (doc 160 en 442) en/of

d) ter hoogte van 4.800.000,-- euro (doc 160 en 440) en/of

e) ter hoogte van 1.500.000,-- euro (doc 160 en 437) en/of

f) ter hoogte van 1.675.000,-- euro (doc 160 en 438) en/of

g) ter hoogte van 4.242.500,-- euro (doc 160 en 439) en/of

h) ter hoogte van 118.000,-- euro (doc 160 en 436),

althans enig geldbedrag afkomstig uit fraude gepleegd ten laste van het

ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en/of de Bank Nederlandse

Gemeenten

de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of

verplaatsing verborgen en/of verhuld, althans heeft hij verborgen en/of

verhuld wie de rechthebbende op dat/die geldbedrag(en) was of wie dat/die

geldbedrag(en) voorhanden had, terwijl hij wist dat dat/die bedrag(en) -

onmiddellijk of middelijk - afkomstig was/waren uit het misdrijf;

art 420ter Wetboek van Strafrecht

art 420bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

dagvaarding II

1.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks (ZD 6) de periode van april

2003 tot en met augustus 2005,

althans in of omstreeks de periode van augustus 1996 tot en met augustus

2005,

te [P1] en/of elders in Nederland, [P3], althans in België en/of [P4] en/of [P5], althans in Duitsland,

tezamen en in vereniging met (een)

ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal

(telkens) (van) een of meerdere

- (geld)leningsovereenkomst(en) en/of

- (een) ander(e) overeenkomst(en) en/of geschrift(en),

(elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te

dienen - (telkens) valselijk heeft opgemaakt en/of vervalst en/of heeft laten

opmaken en/of vervalsen, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s)

(telkens) valselijk - immers opzettelijk in strijd met de waarheid -

(inzake de bankrekening [nummer] van Stichting [X])

- in een overeenkomst van geldlening tussen Stichting [X] Nederland als

leninggever en [C] Real Estate als leningnemer, gedateerd 20 april 2003,

opgenomen/ingevuld en/of doen laten opnemen/invullen dat de Stichting

[X] voor een totaalbedrag van 750.000,-- euro een lening verstrekt aan

[C] Real Estate (doc.nr. 407) ) en/of dat geschrift voorzien van een

(valse/vervalste) handtekening(en) en/of para(a)f(en) (zulks ter bevestiging

van de juistheid van de inhoud van dat/die geschrift(en)) en/of

- in een overeenkomst van geldlening tussen Stichting [X] Nederland als

leninggever en [I] Promotion NV als leningnemer, gedateerd 23 april 2003,

opgenomen/ingevuld en/of doen laten opnemen/invullen dat de Stichting

[X] voor een totaalbedrag van 500.000,-- euro een lening verstrekt aan

[I] Promotion NV (doc.nr. 403) ) en/of dat geschrift voorzien van een

(valse/vervalste) handtekening(en) en/of para(a)f(en) (zulks ter bevestiging

van de juistheid van de inhoud van dat/die geschrift(en)) en/of

- in een overeenkomst van geldlening tussen Stichting [X] Nederland als

leninggever en [I] Promotion NV als leningnemer, gedateerd 15 februari 2004,

opgenomen/ingevuld en/of doen laten opnemen/invullen dat de Stichting

[X] voor een totaalbedrag van 100.000,-- euro een lening verstrekt aan

[I] Promotion NV (doc.nr. 404) en/of dat geschrift voorzien van een

(valse/vervalste) handtekening(en) en/of para(a)f(en) (zulks ter bevestiging

van de juistheid van de inhoud van dat/die geschrift(en)) en/of

- in een overeenkomst van geldlening tussen Stichting [X] Nederland als

leninggever en [I] Promotion NV als leningnemer, gedateerd 9 maart 2004,

opgenomen/ingevuld en/of doen laten opnemen/invullen dat de Stichting

[X] voor een totaalbedrag van 100.000,-- euro een lening verstrekt aan

[I] Promotion NV (doc.nr. 405) en/of dat geschrift voorzien van een

(valse/vervalste) handtekening(en) en/of para(a)f(en) (zulks ter bevestiging

van de juistheid van de inhoud van dat/die geschrift(en))

zulks (telkens) met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en

onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken

en/of

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks (ZD 6) de periode van april

2003 tot en met augustus 2005,

althans in of omstreeks de periode van augustus 1996 tot en met september

2005,

te [P1] en/of elders in Nederland, [P3], althans in België en/of [P4] en/of [P5], althans in Duitsland,

tezamen en in vereniging met (een)

ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal

(telkens) opzettelijk gebruik heeft gemaakt (van) een of meerdere vals(e)

en/of vervalst(e)

- (geld)leningsovereenkomst(en) en/of

- (een) ander(e) overeenkomst(en) en/of geschrift(en),

(elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te

dienen - als ware dat/die geschrift(en) (telkens) echt en onvervalst,

bestaande dat gebruikmaken hierin dat dat/die overeenkomst(en) en/of

geschrift(en) is /zijn overlegd bij Stichting [X] Nederland en/of ING

Bank

en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat

(inzake de bankrekening [nummer] van Stichting [X])

- in een overeenkomst van geldlening tussen Stichting [X] Nederland als

leninggever en [C] Real Estate als leningnemer, gedateerd 20 april 2003,

stond vermeld dat de Stichting [X] voor een totaalbedrag van 750.000,--

euro een lening verstrekt aan [C] Real Estate (doc.nr. 407) ) en/of

- in een overeenkomst van geldlening tussen Stichting [X] Nederland als

leninggever en [I] Promotion NV als leningnemer, gedateerd 23 april 2003,

stond vermeld dat de Stichting [X] voor een totaalbedrag van

500.000,-- euro een lening verstrekt aan [I] Promotion NV (doc.nr. 403) )

en/of

- in een overeenkomst van geldlening tussen Stichting [X] Nederland als

leninggever en [I] Promotion NV als leningnemer, gedateerd 15 februari 2004,

stond vermeld dat de Stichting [X] voor een totaalbedrag van

100.000,-- euro een lening verstrekt aan [I] Promotion NV (doc.nr. 404)

en/of en/of

- in een overeenkomst van geldlening tussen Stichting [X] Nederland als

leninggever en [I] Promotion NV als leningnemer, gedateerd 9 maart 2004,

stond vermeld dat de Stichting [X] voor een totaalbedrag van 100.000,--

euro een lening verstrekt aan [I] Promotion NV (doc.nr. 405);

art 225 lid 2 Wetboek van Strafrecht

art 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij , als feitelijk leidinggevende van [I] Promotions NV en/of in privé, op

een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van augustus 1996 tot en

met september 2005,

te [P1] en/of elders in Nederland, [P3], althans in België en/of [P4] en/of [P5], althans in Duitsland,

tezamen en in vereniging met (een)

ander(en), althans alleen van het plegen van witwassen een gewoonte heeft

gemaakt, immers

heeft hij, verdachte, (telkens) van een voorwerp, te weten (telkens) een of

meer geldbedrag(en) (ZD 3.7, 5 en 6), de werkelijke aard, de herkomst, de

vindplaats, de vervreemding en/of verplaatsing verborgen en/of verhuld,

althans heeft hij verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op dat/die

geldbedrag(en) was of wie dat/die geldbedrag(en) voorhanden had, terwijl hij

wist en/of redelijkerwijs moest vermoeden dat dat/die bedrag(en) -

onmiddellijk of middelijk - afkomstig was/waren uit het misdrijf;

en/of

hij, als feitelijk leidinggevende van [I] Promotions NV en/of in privé, op

een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van augustus 1996 tot en

met september 2005,

te [P1] en/of elders in Nederland, [P3], althans in België en/of [P4] en/of [P5], althans in Duitsland,

tezamen en in vereniging met (een)

ander(en), althans alleen

(telkens) (een) geldbedrag(en), te weten

- (ZD 3.7) 35.326,-- euro, op of omstreeks 27 januari 2005 van Stichting

[X] en/of

- (ZD 5) fl 5.000,--, op of omstreeks augustus 1996 van Stichting [X]

en/of

- (ZD 5) fl 50.000,--, op of omstreeks augustus 1997 van Stichting [X]

en/of

- (ZD 6) 500.000,-- euro, op of omstreeks 22 april 2003 van Stichting

[X] en/of

- (ZD 6) 100.000,-- euro, op of omstreeks 17 februari 2004 van Stichting

[X] en/of

- (ZD 6) 125.000,-- euro, op of omstreeks 9 maart 2004 van Stichting [X]

althans geld, althans enig goed,

heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen terwijl hij

ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van voornoemd(e)

geldbedrag(en), wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat het (een)

door misdrijf verkregen goed(eren) betrof(fen),

althans opzettelijk uit de opbrengst van (de) door misdrijf verkregen

geldbedrag(en), en/of (enig) goed(eren) voordeel heeft getrokken

en/of van het plegen van heling een gewoonte heeft gemaakt;

art 420 bis Wetboek van Strafrecht

art 420 ter Wetboek van Strafrecht

art 416 Wetboek van Strafrecht

art 417(bis) Wetboek van Strafrecht

art 420 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op een of meer tijdstip(pen) op en/of in of omstreeks (ZD6) april 2003 tot

en met augustus 2005,

althans op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van augustus

1996 tot en met september 2005,

te [P1] en/of elders in Nederland, [P3], althans in België en/of [P4] en/of [P5], althans in Duitsland,

tezamen en in vereniging met een of meer

ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal,

(telkens) opzettelijk

een geldbedrag van (totaal) 725.000,-- euro, althans een of meer

geldbedrag(en) van 500.000,-- euro en/of 100.000,-- euro en/of 125.000,--

euro

in elk geval enig(e) goed(eren), dat/die ten dele of geheel toebehoorde(n) aan

de Stichting [X] Nederland (Fonds), in elk geval een ander of anderen dan

verdachte en/of zijn mededader(s),

welk(e) geldbedrag(en) verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) anders dan

door misdrijf, te weten (in zijn functie en/of hoedanigheid) als

penningmeester en/of bestuurder van de Stichting [X] Nederland (Fonds),

althans een Stichting, onder zich had(den),

(telkens) wederrechtelijk zich heeft/hebben toegeeigend

door dit/deze geldbedrag(en) zonder medeweten en/of toestemming van het

bestuur en/of (een) (mede)bestuurslid/leden over te maken en/of weg te sluizen

naar (een) rekening(en) en/of (een) instantie(s), die in geen enkele relatie

tot Stichting [X] Nederland (Fonds) staan en/of waarvan verdachte en/of

zijn mededader(s) bestuurder en/of feitelijk) leidinggevende zijn en/of te

bestemmen voor doeleinden, die op geen enkele wijze gerelateerd zijn tot de

doelstelling(en) van Stichting [X] Nederland (Fonds);

art 322 Wetboek van Strafrecht

art 321 Wetboek van Strafrecht

art 323 Wetboek van Strafrecht

en/of

Hij, als feitelijk leidinggevende van [I] Promotions N.V. en/of in privé, op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van augustus 1996 tot en met september 2005

te [P1] en/of [woonplaats], althans in Nederland en/of [P3], althans in België en/of [P4] en/of [P5], althans in Duitsland,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal (telkens),

met het oogmerk zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen,

telkens door het aannemen van een valse naam en/of valse hoedanigheid en/of en/of door één of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

Stichting [X] Nederland (Fonds) en/of één of meer ander(e) instelling(en), (op valse gronden) heeft/hebben bewogen tot afgifte van (een) geldbedrag(en) in de vorm van een (girale en/of elektronische) overboeking en/of een (particuliere) (geld)lening, althans van enig goed, en/of heeft/hebben opgelicht,

hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) toen aldaar (telkens) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid (telkens) (een) valse of vervalste overboekingsopdracht(en) en/of (een) faxbericht(en) en/of (een) overeenkomst(en) en/of (een) factu(u)r(en), getekend, gebruikt en/of overgelegd, en/of zich voorgedaan als schuldeiser en/of als leningnemer en/of als gerechtigd tot het ontvangen van (een) geldbedrag(en), althans van enig goed,

(ZD 3.3,3.7,5 en 6)

waardoor die Stichting [X] Nederland (Fonds) en/of die andere instelling(en) (telkens) werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte

artikel 326 Wetboek van Strafrecht.

Geldigheid inleidende dagvaardingen

dagvaarding I

Valsheid in geschrift (feit 1)

Door de verdediging is aangevoerd - zakelijk weergegeven - dat de tenlastelegging onnodig omvangrijk, ingewikkeld, onduidelijk en daarom onbegrijpelijk is. Meer specifiek wordt door de verdediging over het volgende geklaagd:

- in de gedachtestreepjes onder a) van de tenlastelegging zou niet zijn terug te vinden dat het verwijt ziet op antedatering van de brieven van 22 februari 2001en 21 juni 2001, terwijl, als het verwijt daarop ziet, daarmee tegenstrijdig is dat, uitgaande van opstelling van die brieven in mei 2002, de ten laste gelegde periode vanaf 22 februari 2001 loopt;

- in het tweede gedachtestreepje onder a) is onduidelijk dat het verwijt ziet op de eigendom van de in de brief genoemde voorzieningen;

- van de overige genoemde documenten onder b)-h) is onduidelijk waaruit de valsheid zou bestaan;

- er is niet geconcretiseerd welk handelen nu verdachte en of zijn medeverdachten, wordt verweten.

De rechtbank overweegt als volgt.

Aan de verdediging kan worden toegegeven dat de tenlastelegging niet uitblinkt in duidelijkheid over waarin nu precies de valsheid is gelegen van de veelheid aan opgesomde documenten. Uit de tekst "valselijk - immers opzettelijk in strijd met de waarheid" boven de met a)-h) en gedachtestreepjes nader aangeduide documenten valt - tegen de achtergrond van het dossier - echter voldoende duidelijk af te leiden dat naast het verwijt dat de handtekeningen op de documenten vals of vervalst zouden zijn, tevens wordt tenlastegelegd dat de genoemde documenten een onware inhoud hebben, dat derhalve sprake is van zogenaamde intellectuele valsheid.

Met betrekking tot de antedatering kan verder nog worden opgemerkt dat dit verwijt ook expliciet volgt uit een logische lezing van de tenlastelegging: "in strijd met de waarheid (...) gedateerd 22 februari 2001 (...) gedateerd 21 juni 2002". Deze lezing is evenmin tegenstrijdig met de tenlastegelegde periode, nu kennelijk niet geheel duidelijk was wanneer de brieven zijn gemaakt; in ieder geval is duidelijk dat dit is gebeurd na de datum die op de brief is vermeld. Met dit een en ander strookt derhalve zeer wel dat de opsteller van de tenlastelegging de periode op die dag heeft willen laten aanvangen.

Hetzelfde heeft te gelden voor de onjuiste voorstelling van zaken in de brief van 21 juni 2001 omtrent de eigendom van de voorzieningen. Deze aan verdachte verweten valsheid blijkt voldoende duidelijk uit de passage "in strijd met de waarheid (...) in eigendom zijn van de Stichting (waarbij "Stichting" vanzelfsprekend terugslaat op "Stichting [A]" daarvoor genoemd en daargelaten dat van onjuistheid van die passage niet is gebleken).

Bij de andere documenten is om dezelfde redenen evenzeer duidelijk dat verdachte in elk geval ook intellectuele valsheid wordt verweten. Het zou voorts leiden tot een schier onleesbare tenlastelegging indien per specifiek aangeduid document de eis zou worden gesteld dat wordt verfeitelijkt waar die onwaarheid precies in zou schuilen, zoals de verdediging kennelijk wenst. Dat is ook niet nodig nu het document dat dergelijke onwaarheden zou bevatten wel éénduidig onder verwijzing naar een specifiek documentnummer is aangeduid, terwijl - tegen de achtergrond van het dossier - onmiskenbaar is wat aan die documenten onwaar is, namelijk de eventuele mededeling dat de aanvrage voor de rijksgarantie tijdig zou zijn ingediend (al dan niet onder verwijzing naar de brieven van 22 februari 2001 of 21 juni 2001) of dat de voorzieningen eigendom zijn van de Stichting [B]. Voorts is bij de overige documenten steeds tenlastegelegd dat de handtekeningen vals zijn dan wel vervalst.

Volgens vaste jurisprudentie (bijvoorbeeld HR 6 juli 2004, NJ 2004, 443) is voorts niet vereist dat bij een (beweerdelijk) in vereniging gepleegd feit in de tenlastelegging wordt aangegeven welke handeling precies aan welk van de medeplegers kan worden toegeschreven.

Ook overigens vermag de rechtbank niet in te zien dat de tenlastelegging onvoldoende duidelijk zou zijn. Een ingewikkelde of uitgebreide tenlastelegging is niet reeds om die reden nietig. Het alternatief, namelijk elk gedachtestreepje opnemen als een apart feit, maakt het geheel niet overzichtelijker of duidelijker. Tot slot kan niet onvermeld blijven dat ook de verdediging er in het vervolg van haar betoog blijk van heeft gegeven te hebben begrepen waar de beschuldiging op ziet.

Dagvaarding I voor wat betreft feit 1 (eerste cumulatief/alternatief) is derhalve geldig. Ofschoon bij het tweede cumulatief/alternatief tenlastegelegde feit de passage "in strijd met de waarheid" ontbreekt, is ook voor dit feit - tegen de achtergrond van het dossier en gelezen in samenhang met het eerste cumulatief/alternatief waarop evident wordt voortgeborduurd - voldoende duidelijk dat de valsheid mede gelegen zou zijn in de hiervoor bedoelde onwaarheden in de documenten. Ook voor dit feit is deze dagvaarding geldig.

In zoverre verwerpt de rechtbank de ten aanzien van dit onderdeel van het tenlastegelegde verweren.

Oplichting (feit 2)

Volgens de verdediging is de dagvaarding voor wat betreft dit tenlastegelegde feit nietig omdat:

- zij innerlijk tegenstrijdig is aangezien ook feiten zijn opgenomen die ná de verstrekking van de leningen zijn voltrokken (uitgeven van geld buiten de zorg en de zogenaamde "nulstellingsbrief" van 8 april 2003;

- onduidelijk is wat met "dekmantel" wordt bedoeld.

De rechtbank overweegt als volgt.

Aan de verdediging kan worden toegegeven dat de tenlastelegging ook ten aanzien van dit feit niet uitblinkt in duidelijkheid. Niettemin acht de rechtbank na enige bestudering voldoende duidelijk wat verdachte wordt verweten.

In geen geval is er sprake van nietigheid om de enkele reden dat in de tenlastelegging handelingen zijn opgenomen die door de oplichter zijn gepleegd na de hem bevoordelende afgifte door de opgelichte. Wel leidt dit ertoe dat die handelingen de opgelichte niet kunnen hebben bewogen, zodat (partiële) vrijspraak voor wat betreft die latere handelingen dient te worden uitgesproken.

Voorts acht de rechtbank duidelijk dat met "dekmantel" bedoeld is het ophouden van een (valse) schijn. "Dekmantel" is een in het algemeen taalgebruik gehanteerde term die voldoende helder is. Dat de term een niet neutrale lading heeft maakt deze niet ongeschikt voor een tenlastelegging.

Zoals hiervoor reeds overwogen is niet vereist dat bij een (beweerdelijk) in vereniging gepleegd feit in de tenlastelegging wordt aangegeven welke handeling precies aan welk van de medeplegers kan worden toegeschreven.

Ook overigens vermag de rechtbank niet in te zien dat de tenlastelegging onvoldoende duidelijk zou zijn. Tot slot kan niet onvermeld blijven dat ook bij dit feit de verdediging er in het vervolg van haar betoog blijk van heeft gegeven te hebben begrepen waar de beschuldiging op ziet.

Dagvaarding I voor wat betreft feit 2 is derhalve geldig. Het hieromtrent gevoerde verweer wordt verworpen.

Witwassen (feit 5)

Volgens de verdediging is de dagvaarding voor wat betreft dit tenlastegelegde feit nietig omdat:

- onduidelijk is wat met "fraude" wordt bedoeld;

- zij inhoudelijk, grammaticaal en juridisch onbegrijpelijk is.

De rechtbank overweegt als volgt.

Aan de verdediging kan worden toegegeven dat de tenlastelegging ten aanzien van dit feit evenmin uitblinkt in duidelijkheid. Opvallend is bijvoorbeeld dat - anders dan op grond van het dossier kon worden verwacht - slechts "verhulling" van de aard, herkomst etc., kennelijk in de zin van lid 1 sub a van artikel 420bis wetboek van strafrecht, ten laste is gelegd maar niet het verwerven, voorhanden hebben en omzetten van voorwerpen afkomstig uit een misdrijf als bedoeld in sub b van voormeld artikellid. Niettemin acht de rechtbank na enige bestudering voldoende duidelijk wat verdachte wordt verweten, te weten het door het aangaan van (specifiek aangeduide) geldleenovereenkomsten de aard van die gelden, waaronder te begrijpen de bestemming ervan, aan het zicht onttrekken, terwijl verdere verfeitelijking van de verweten gedragingen in beginsel niet nodig is (HR 9 september 2008, NJ 2008, 496)

Door de verdediging is meer specifiek aangevoerd dat de aanduiding 'fraude', waarbij de herkomst van het witgewassen geld wordt bedoeld, in het tenlastegelegde onduidelijk is, aangezien de term 'fraude' niet in het wetboek van strafrecht voorkomt.

De omstandigheid dat een term of aanduiding, die niet in het wetboek van strafrecht voorkomt, in een tenlastelegging (voor witwassen) wordt gebezigd, maakt deze in het algemeen niet nietig. Wel zal een buitenwettelijke term in zoverre duidelijk dienen te zijn dat het bewezenverklaarde feit kwalificeerbaar is, bij gebreke waarvan ontslag van rechtsvervolging het gevolg kan zijn (doch geen nietigheid). Voorts ziet de aanduiding 'fraude' in het algemeen spraakgebruik op malversaties als valsheid in geschrift en bedrog. Dat in de onderhavige tenlastelegging de term 'fraude' ziet op dergelijk handelen, blijkt uit de context van de onderhavige tenlastelegging (waaronder de verdachte in feiten 1 en 2 verweten valsheid in geschrift en oplichting), waarbij nog van belang is dat, blijkens de bewoordingen aan het slot van de tenlastelegging, met de term 'fraude' een misdrijf is bedoeld.

De verdediging heeft niet nader gespecificeerd waarom zij de tenlastelegging inhoudelijk, grammaticaal en juridisch onbegrijpelijk acht, terwijl dit ook anderszins niet valt in te zien. Tot slot kan niet onvermeld blijven dat ook ten aanzien van dit feit de verdediging er in het vervolg van haar betoog blijk van heeft gegeven te hebben begrepen waar de beschuldiging op ziet.

Het beroep op nietigheid van dagvaarding I voor feit 5 wordt mitsdien verworpen.

dagvaarding II

Witwassen (feit 4)

De verdediging acht de dagvaarding voor wat betreft dit tenlastegelegde feit nietig omdat:

- niet is geconcretiseerd welke gelden zouden zijn witgewassen, door middel van welke gedragingen door eventuele medeplegers en waarom die gedragingen als witwassen kunnen worden gekenschetst;

- de tenlastegelegde periode zeer lang is (9 jaren).

De rechtbank overweegt als volgt.

Zoals reeds eerder overwogen is het niet vereist dat bij een (beweerdelijk) in vereniging gepleegd feit in de tenlastelegging wordt aangegeven welke handeling precies aan welk van de medeplegers kan worden toegeschreven. Dit door de verdediging opgeworpen bezwaar wordt dan ook gepasseerd.

In de tenlastelegging is een verwijzing naar specifieke zaaksdossiers opgenomen. Voor wat betreft zaaksdossiers 3.5, 3.7 en 5 acht de rechtbank daarmee voldoende duidelijk ten aanzien van welke gedragingen met betrekking tot welke bedragen het verwijt wordt gemaakt en ook waarom. Anders is dit echter voor zaaksdossiers 6 en 7. Hoewel verdere verfeitelijking van de begrippen verhullen, verbergen etc. in beginsel niet nodig is (HR 09 september 2008, NJ 2008, 496), betekent dit niet dat het verwijt ook in alle gevallen voldoende duidelijk en begrijpelijk is. Zonder nadere aanduiding, die ontbreekt, welke van de vele handelingen die in zaaksdossiers 6 en 7 staan beschreven als verhullend zouden moeten gelden met betrekking tot de aard, herkomst etc. van de gelden afkomstig van Stichting [X] Nederland, is niet duidelijk waar het verwijt op ziet. Voor wat betreft zaaksdossier 7 zijn diverse verhullende handelingen denkbaar, bijvoorbeeld het ten onrechte niet opnemen van een toelichting bij het verschil van € 500.000,- op blz. 10 (dossierpagina 105) en 16 (dossierpagina 111) van de jaarbalans. Denkbaar is ook dat verhullend wordt geacht dat het bedrag van € 500.000,- als "overlopende activa" op de balans is opgenomen. Tevens zou als verhullend kunnen worden aangemerkt dat verdachte de lening aan [I] Promotion van € 500.000,- op blz. 10 van de balans wel opvoert maar op blz. 19 niet. Het is ook de rechtbank onduidelijk welk van deze handelingen is bedoeld, zodat de tenlastelegging op dit punt nietig is. Hetzelfde heeft te gelden voor de verwijzing naar zaaksdossier 6. Ook hier is het de rechtbank niet duidelijk waarin de verhullende handelingen voor deze betalingen zouden zijn gelegen. In de eerste plaats moet worden opgemerkt dat feitelijk voor in ieder geval het bedrag van € 500.000,- zaaksdossier 7 kennelijk juist het verwijt van witwassen beoogt te onderbouwen. In zoverre is de verwijzing naar zaaksdossier 6 dan ook dubbelop. Wellicht dat de officier van justitie het oog had op de geldleenovereenkomsten tussen Stichting [X] Nederland en [I] Promotion. Die gedachte heeft de rechtbank echter verworpen omdat zij - zonder nadere toelichting, die ontbreekt - niet vermag in te zien wat daarmee zou worden verhuld noch waarom zulk handelen als verhullend zou zijn aan te merken. Hierbij merkt de rechtbank op dat, anders dan bij de door VWS gegarandeerde leningen, van de gelden afkomstig van Stichting [X] niet kan worden gezegd dat deze uitsluitend voor wat betreft de specifiek voorgedragen voorzieningen mochten worden aangewend zodat de verhulling niet die aard van het geld kan hebben betroffen. Stichting [X] Nederland belegde immers ook haar gelden buiten de gezondheidszorg.

Voor zover het tenlastegelegde witwassen ziet op de zaaksdossiers 6 en 7 is dagvaarding II dan ook nietig. Voor het overige wordt het beroep op nietigheid verworpen.

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

Door de verdediging is aangevoerd dat de wijze van verhoren van verdachte en de intensiteit en frequentie waarmee deze verhoren werden uitgevoerd dienen te leiden tot niet-ontvankelijk verklaring van de officier van justitie in de vervolging. Daartoe is gesteld dat de verhorende verbalisanten tegen verdachte, die zich op zijn zwijgrecht heeft beroepen en bleef beroepen, in strijd met de waarheid zouden hebben gezegd dat medeverdachte [verdachte 1] had verklaard en alle schuld op zich had genomen en deze verbalisanten zich voorts tijdens de verhoren intimiderend hebben gedragen. De verbalisanten hebben daarnaast getracht verdachte aan het twijfelen te brengen over de deskundigheid van zijn advocaat en de juistheid van diens advies te zwijgen. Ook is ten onrechte nagelaten de verhoren van verdachte audiovisueel vast te leggen. Door dit alles is doelbewust en met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte inbreuk gemaakt op diens recht op een eerlijk proces, aldus de verdediging.

De rechtbank overweegt het volgende.

Verdachte is op 24 oktober 2005 aangehouden. In de daarop volgende periode tot en met 08 december 2005 is verdachte op 11 afzonderlijke dagen gehoord. De verhoren hebben meermalen gedurende meerdere perioden in deze dagen plaatsgevonden, waarbij ook rustpauzes werden ingelast. Verdachte heeft zich, behoudens tijdens de eerste verhoren, op zijn zwijgrecht beroepen. De verhoren bieden dan ook een beeld van opsporingsambtenaren die aan verdachte documenten voorhielden die bezwarend werden geacht of die aanleiding vormden verdachte naar een verklaring te vragen, terwijl verdachte ieder antwoord achterwege liet. Bij de verhoren is de advocaat van verdachte vanaf het moment dat verdachte in voorlopige hechtenis verkeerde, in de gelegenheid gesteld aanwezig te zijn, van welke gelegenheid meestentijds ook gebruik is gemaakt.

Uit het verhoor van verbalisant [verbalisant], inspecteur van politie, als getuige bij de rechter-commissaris blijkt dat aan verdachte is medegedeeld dat medeverdachte [verdachte 1] had verklaard dat hij, [verdachte 1], zijn verantwoordelijkheid zou nemen. Deze mededeling aan verdachte is niet als onwaar aan te merken, nu uit het proces-verbaal van bevindingen inzake verhoren verdachte [verdachte 1] d.d. 3 november 2005, doc. 636, voortvloeit dat [verdachte 1] zich in deze zin had uitgelaten. Dat aan verdachte door verbalisanten in strijd met de waarheid gezegd of gesuggereerd zou zijn dat medeverdachte [verdachte 1] inhoudelijk verklaard zou hebben, is echter niet aannemelijk geworden. Dat de verhorende verbalisanten zich tijdens de verhoren ontoelaatbaar intimiderend zouden hebben gedragen en/of door uitlatingen over de advocaat van verdachte op ontoelaatbare wijze getracht zouden hebben verdachte tot verklaren te brengen zodat daardoor het recht van verdachte op een eerlijk proces zou zijn geschonden, is evenmin aannemelijk geworden.

De omstandigheid dat van de verhoren een belastend effect uitgaat, staat op zichzelf niet in de weg aan de rechtmatigheid ervan. Dat verdachte zich op zijn zwijgrecht heeft beroepen en heeft aangegeven dat te zullen blijven doen, maakt dit niet anders, nu blijkens de processen-verbaal aan verdachte steeds een opvolgend samenhangend geheel van documenten werd voorgehouden, met de uitnodiging zich daarover uit te laten. Dat de verhoren veelvuldig hebben plaatsgevonden en daar vele uren mee gemoeid zijn geweest, vindt zijn verklaring in de omvang van het dossier en de complexiteit van de feiten en vormen geen aanduiding van een ontoelaatbaar te achten druk op verdachte om zijn recht tot zwijgen op te geven. Dat de verhoren van verdachte niet met audiovisuele middelen zijn vastgelegd leidt evenmin tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie, nu er geen verplichting tot het maken van dergelijke opnamen bestond.

Ten aanzien van het (dagvaarding 1) onder 4 tenlastegelegde heeft de officier van justitie aangevoerd dat dit feit ten onrechte aan verdachte is verweten zodat verdachte van dit feit dient te worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt dat de systematiek van de wet met zich brengt dat wanneer een feit ten onrechte wordt tenlastegelegd en mitsdien ten aanzien van dit feit geen behandeling ter terechtzitting kan volgen, het openbaar ministerie ten aanzien van dit feit niet in zijn vervolging kan worden ontvangen. Dit brengt mee dat de rechtbank het openbaar ministerie ten aanzien van feit 4 niet-ontvankelijk zal verklaren.

Vrijspraak.

De rechtbank acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte bij dagvaarding I onder 3., 5. en bij dagvaarding II onder 1, 2. eerste alternatief/cumulatief, 2. tweede alternatief/cumulatief (met uitzondering van feit 3.7) en 3. is tenlastegelegd, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken.

Nadere overwegingen bij de vrijspraak

Ten aanzien van het (dagvaarding 1) onder 5 tenlastegelegde witwassen van de door de BNG verkregen leninggelden overweegt de rechtbank als volgt.

Nadat de rijksgarantie door het Ministerie van VWS aan de Stichting [B] was toegekend is door middel van deelaanvragen bij het Ministerie en de BNG zes maal verzocht om een geldlening met een totaalbedrag van 20.239.759,00 euro.

De door de BNG verkregen leninggelden zijn telkens gestort op de ING rekening van de Stichting [B] en doorgestort naar de bankrekening van de besloten vennootschap [D]. Voorafgaande aan iedere overboeking is door medeverdachte [verdachte 1] een leningovereenkomst opgemaakt tussen de Stichting [B] (getekend door een van de bestuurders van deze stichting) en [D] b.v. (getekend door medeverdachte [verdachte 1]). De rechtbank is van oordeel dat door het opstellen van deze leningovereenkomsten is getracht de werkelijke aard van deze gelden te verbergen of verhullen. Niet is gebleken dat verdachte betrokken is geweest bij of wetenschap heeft gehad van het opstellen van deze leningovereenkomsten.

Verdachte zal mitsdien van dit feit worden vrijgesproken.

Ten aanzien van de (dagvaarding 2) onder 1 tenlastegelegde valsheid in geschrift overweegt de rechtbank het volgende.

Medeverdachte [verdachte 1] heeft in zijn functie als penningmeester van de Stichting [X] Nederland in 2003 en 2004 geld van de Stichting [X] geleend aan [C] Real Estate en [I] Promotion NV. Aan deze leningen lagen leningovereenkomsten ten grondslag. Verdachte was weliswaar bestuurder van [C] Real Estate en verrichtte ook werkzaamheden voor [I] Promotion NV, echter niet is komen vast te staan dat verdachte - mede gelet op de functie en positie die medeverdachte [verdachte 1] bij de stichting [X] Nederland vervulde - kon weten dat de leningovereenkomsten waren opgemaakt zonder dat het bestuur van de Stichting [X] Nederland hierin was gekend, dan wel zonder dat hieraan een bestuursbesluit ten grondslag lag.

Verdachte zal derhalve ook van dit feit worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het (dagvaarding 2) onder 2 (zd 5) tenlastegelegde witwassen van geldbedrag heeft de officier van justitie aangevoerd dat verdachte van dit feit dient te worden vrijgesproken nu witwassen pas sinds 14 december 2001 is strafbaar gesteld. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat voor dit feit vrijspraak dient te volgen echter op andere gronden. Gelet op de verklaring van getuige Wessels op 12 juli 2007 bij de rechter-commissaris, die erop neerkomt dat hij als bestuurslid toestemming heeft gegeven voor het toekennen van een lening aan verdachte, is onvoldoende vast komen te staan dat aan het verstrekken van de lening/gift van 50.000,00 gulden uit de fondsen van Stichting [X] Nederland aan verdachte, niet een bestuursbesluit ten grondslag heeft gelegen. Verdachte dient om deze reden te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder (dagvaarding 2) onder 2 (alternatief/cumulatief) (zaaksdossier 6) en de onder 3 tenlastegelegde oplichting overweegt de rechtbank als volgt.

Zoals hiervoor reeds naar voren is gekomen was medeverdachte [verdachte 1] degene die als penningmeester de gelden van de Stichting [X] Nederland beheerde, overboekte, uitleende en hiertoe geldleenovereenkomsten heeft opgesteld. Weliswaar zijn gelden van Stichting [X] Nederland geleend/overgemaakt aan vennootschappen waarbij verdachte was betrokken en heeft verdachte leningovereenkomsten namens [I] Promotions ondertekend, op geen enkele wijze is echter vast komen te staan dat verdachte de Stichting [X] Nederland zou hebben misleid, dan wel zou hebben bewogen tot afgifte van de geldbedragen.

Ook ten aanzien van dit feit zal verdachte worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis met de bewijsmiddelen vereist in een aan dit vonnis gehechte bijlage worden opgenomen.

Nadere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Ten aanzien van het (dagvaarding 1) onder 1 tenlastegelegde wordt verdachte valsheid in geschrift te hebben gepleegd door -kort gezegd- het tezamen en in vereniging met anderen opstellen van een tweetal brieven (met bijlagen) aan het Ministerie van VWS (gedateerd 22 februari 2001 en 21 juni 2001) waarin is verzocht om rijksgaranties ten bedrage van respectievelijk 264 miljoen gulden en 20.239.750 euro, ter financiering van panden genoemd in bij de brieven gevoegde bijlagen en het gebruikmaken van deze brieven door ze te overleggen bij de daartoe aangewezen instanties.

De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte van dit feit dient te worden vrijgesproken

De rechtbank overweegt het volgende.

Vaststaat dat de rijksgarantie waartoe in deze zogenaamde aanvraagbrieven is verzocht is gebaseerd op een regeling die met ingang van 1 juli 2001 is stopgezet.

Op voornoemde brieven, die zijn afgedrukt op briefpapier van stichting [A], is als kenmerk vermeld 'BPH'. Verdachte was tussen 16 februari 1998 en 1 september 2003 eerst als hoofd Bureau Planning en Bouw en later als directeur Bouwzaken, werkzaam bij Stichting [A]. Uit de getuigenverklaring van [directeur] (doc 408), directeur Bureau bedrijfsvoering bij [A] volgt dat verdachte contacten onderhield met [verdachte 1] en partners over privatisering van het Bureau Planning en Huisvesting en daarbij in zijn correspondentie als kenmerk de letters 'BPH' hanteerde.

Medeverdachte [verdachte 3] heeft omtrent de aanvragen rijksgarantie bij de rijksrecherche een verklaring afgelegd die de rechtbank aannemelijk acht. Ook de verdediging gaat kennelijk uit van de juistheid van de verklaring van [verdachte 3] bij de rijksrecherche (pleitnota p. 6). Deze verklaring (doc 558 mn vanaf p. 222 e.v, doc 559 p. 227 e.v. en doc 583, p. 246-247) komt er, kort gezegd, op neer dat hij, [verdachte 3], de brieven in overleg met medeverdachte [verdachte 1] heeft opgesteld, dat deze brieven zijn geantedateerd teneinde te kunnen profiteren van de rijksgarantieregeling omdat deze op het moment van opstellen van de brieven niet meer van toepassing was en dat de brieven vervolgens zijn afgedrukt op briefpapier van [A]. Medeverdachte [verdachte 1] heeft in zijn schriftelijke verklaring van april 2006 gesteld dat bij de aanvang van de aanvraag, het claimen van de garantie van de projecten en het antedateren van de correspondentie zowel medeverdachte [verdachte 3] als verdachte betrokken waren. Getuige [O], algemeen directeur bij [A] tot juni 2003, heeft bij de rijksrecherche op 7 oktober 2005 (doc 495) verklaard dat de brieven zijn opgesteld door verdachte. En ook verdachte zelf heeft in zijn eigen verklaring van 21 april 2006 vermeld (p. 15) dat de aanvraag rijksgarantie als conceptuitwisseling tussen [verdachte 3], [verdachte 1] en hemzelf is rondgegaan en uiteindelijk vanuit [A] is verstuurd met een andere datum en voorts dat de brief van 21 juni 2001 door hem is ondertekend (p. 16).

De originelen van voornoemde brieven zijn aangetroffen in de administratie van medeverdachte [verdachte 3] in diens woning (doc 346) en niet in de administratie van het Ministerie van VWS. De bijlagen bij deze brieven zijn daarentegen wél aangetroffen in de administratie van het Ministerie (ambtelijk verslag zaakdossier 1, p. 6).

Medeverdachte [verdachte 3] heeft hieromtrent bij de rijksrecherche verklaard (doc 583 p. 4) de brieven thuis te hebben bewaard, nu hij ze niet als post kon laten registreren in verband met de datum op de postregistratiestempel en dat 'het doel van de hele brievenschrijverij het creëren was van een stukje correspondentie op basis waarvan later eenvoudig de garantieaanvragen door de procedure op het Ministerie van VWS konden worden geloodst' (doc 583, p, 3).

Getuige [O] heeft bij de rijksrecherche (doc 495) en de rechter-commissaris op 6 juli 2006 verklaard dat verdachte degene was die voorstelde gebruik te maken van de oude rijksgarantieregeling en deze een lijst heeft opgesteld van de in aanmerking komende panden. [O] heeft aangegeven de aanvraagbrief van 22 februari 2001 te hebben ondertekend, maar de brief van 21 juni 2001 nimmer te hebben gezien. Hij heeft ontkend dat verdachte toestemming had om deze brief te ondertekenen. Hoe het zou zijn afgelopen met de aanvraag rijksgarantie voor een bedrag van 264 miljoen gulden zou verdachte niet aan hem hebben teruggekoppeld, aldus [O].

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat vast is komen te staan dat de brieven gedateerd 22 februari 2001 en 21 juni 2001 op een later tijdstip zijn opgemaakt en derhalve zijn geantedateerd, dat de inhoud van deze brieven in strijd met de waarheid is opgemaakt en dat verdachte een actieve rol heeft gespeeld bij het opmaken van deze brieven en de bijlagen daarbij. De rechtbank overweegt voorts dat deze brieven zijn opgesteld om een basis te leggen waarop zou kunnen worden teruggevallen indien bij het Ministerie van VWS vragen zouden rijzen omtrent de uiteindelijk toegekende rijksgarantie van 20.239.750 euro.

Verdachte heeft zich mitsdien schuldig gemaakt aan het tezamen en in vereniging plegen van valsheid in geschrift.

Met betrekking tot het gebruikmaken van deze geschriften overweegt de rechtbank het volgende.

Vast staat dat de originele brieven van 22 februari 2001 en 21 juni 2001 zijn aangetroffen in de administratie van medeverdachte [verdachte 3] in diens woning en dat kopieën van deze brieven ontbreken in de administratie van het Ministerie van VWS. De bijlage bij de brief van 21 juni 2001 (doc 11) is wel aldaar in de administratie aangetroffen (zie onder meer de eigen verklaring van [verdachte 3] bij de rijksrecherche, doc. 583, p. 4 en voorts ambtelijk verslag zaakdossier 1, p. 16). In deze bijlage wordt verwezen naar de brief van 21 juni 2001. De rijksgarantie is uiteindelijk afgegeven ter financiering van de panden in deze bijlage genoemd. Ook in de later aan het ministerie verzonden deelaanvragen tot rijksgarantie ter financiering van de in de bijlage genoemde panden is telkens verwezen naar de brief van 21 juni 2001.

Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de brief van 21 juni 2001 en de bijlage daarbij in samenhang moeten worden bezien. De rechtbank overweegt dat weliswaar strikt genomen de brief van 21 juni 2001 niet bij het Ministerie van VWS is overgelegd en dat deze diende als 'achtervang', maar dat het (ook bij iedere deelaanvraag) verwijzen naar de bijlage bij deze brief ertoe leidt dat de verwevenheid tussen deze geschriften dusdanig nauw is dat kan worden bewezen dat brief en bijlage als geschrift zijn gebruikt voor het verzoek tot afgifte van de rijksgarantie.

Van de brief met bijlage staat vast dat deze door verdachte in vereniging is ingediend bij VWS. Nu voorts dit gebruik erop zag om VWS te misleiden is het gebruik tevens opzettelijk te achten. Daarmee is ook het cumulatief/alternatief tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen zoals in de bewezenverklaring nader is omschreven.

Oplichting,

Verdachte wordt verweten dat hij tezamen en in vereniging met anderen -kort gezegd- het ministerie van VWS en de BNG/het ministerie van Financiën heeft opgelicht door deze instanties te bewegen tot afgifte van rijksgegarandeerde leningen.

Door de verdediging is betoogd dat verdachte ook van dit feit dient te worden vrijgesproken nu hij geen rol speelde bij de totstandkoming van de aanvragen rijksgarantie noch enige betrokkenheid heeft gehad bij de Stichting [B] die de rijksgegarandeerde leningen verstrekt heeft gekregen.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

Uit hetgeen hiervoor met betrekking tot de valsheid in geschrift is overwogen volgt dat de rechtbank van oordeel is dat verdachte betrokken is geweest bij de valse aanvragen tot rijksgegarandeerde leningen.

De rechtbank overweegt voorts het volgende.

In de bijlage bij de aanvraagbrief van 21 juni 2001 zijn panden vermeld op grond waarvan de rijksgarantie aan de Stichting [B] is toegekend. Deze panden komen voor een deel overeen met de bijlage bij de aanvraag rijksgarantie van 22 februari 2001. Getuige [O] heeft bij de rijksrecherche verklaard dat laatstgenoemde lijst is opgesteld door verdachte. De bijlage behelst voorts het kenmerk 'BPH'. De rechtbank acht het aannemelijk dat deze lijst is opgesteld door of in overleg met verdachte. Uit onderzoek bij het kadaster is gebleken dat deze panden eigendom waren van de Stichtingen [J], [K] en [A] (doc 297, 307, 337, 454 en 460). In de periode juli tot november 2002 zijn onder verwijzing naar de brief van 21 juni 2001 meerdere malen verzoeken gedaan tot het onder rijksgarantie financieren van in de bijlage bij de brief van 21 juni 2001 genoemde panden. Deze deelaanvragen zijn afgedrukt op briefpapier van de Stichting [B] Transmurale en Semimurale Voorzieningen (hierna ook 'Stichting [B]') en voorzien van het kenmerk 'BPH'. Zoals hiervoor is aangegeven gebruikte verdachte dit kenmerk bij zijn correspondentie vanuit Stichting [A]. De aanvraagbrieven zijn verstuurd aan het Ministerie van VWS en gericht aan medeverdachte [verdachte 3].

Stichting [B] is opgericht op 13 mei 2002, ingeschreven bij de KvK op [datum] 2002 (doc 74) en gevestigd op het adres van medeverdachte [verdachte 1]. Blijkens de akte van oprichting zijn de doelstellingen van de stichting zorggerelateerd en is er geen winstoogmerk (doc 75). De stichting is niet ingeschreven bij het College van Zorgverzekeringen te Diemen, hetgeen voor het in aanmerking komen voor de rijksgarantieregeling een vereiste is (doc 932).

De enige inkomsten op de bankrekening van de Stichting [B] zijn de gelden van de BNG geweest (doc 188). De afgifte van de rijksgegarandeerde leningen door de BNG heeft plaatsgevonden in de periode van 15 juli 2002 tot 20 januari 2003. De gelden zijn alle overgemaakt op de rekening van Stichting [B] (doc 384). Uit onderzoek naar de geldstromen vanuit Stichting [B] (doc 384) volgt dat in de periode januari 2003 tot begin januari 2004 een deel van de door Stichting [B] verkregen gelden rechtstreeks is overgemaakt naar [C] Holding [P1] BV (€248.578,00) en terwijl de rest door Stichting [B] naar [D] BV werd overgemaakt (€ 21.665.500,00).

Medeverdachte [verdachte 1] stelt in zijn schriftelijke verklaring (p. 8), overgelegd bij brief van diens raadsman van 28 april 2006, dat de Stichting [B] en [D] BV in overleg met verdachte zijn opgericht om de rijksgaranties 'veilig te stellen'. Verdachte zou toetreden in het bestuur van Stichting [B] en beslissingbevoegd zijn en zou daarnaast voor 1/3 deel eigenaar worden van [D] BV. Volgens medeverdachte [verdachte 1] mochten er geen besluiten worden genomen binnen Stichting [B] en [D] BV zonder toestemming van verdachte.

De notulen van de vergaderingen van Stichting [B] vermelden dat verdachte wordt aangezocht om deel te nemen aan het bestuur (notulen 10 juni 2002, doc 320) en dat de toetredingverklaring van verdachte ter beoordeling ligt bij de advocaat (notulen 6 september 2002, document 382). Daarnaast bevinden zich bij de stukken een niet-ondertekende verklaring inzake aandeelhoudersovereenkomst Beleggings- en Advies [L], gedateerd 27 juni 2002 (bijlage bij doc 320) en een ondertekende verklaring inzake Stichting [B] (doc 322) waaruit volgt dat verdachte voorafgaande zijn feitelijke toetreding tot de stichting tot een derde van de stemmen zeggenschap zou kunnen uitoefenen. Ook in de door hem opgestelde verklaring geeft verdachte toe dat hem is gevraagd toe te treden tot het bestuur van Stichting [B] (p. 17).

Ten slotte volgt uit de stukken dat verdachte per 25 april 2003 door aandeelhouderschap gelieerd was aan de besloten vennootschap [C] Holding Finance (als tweede bestuurder van [C] Finance BV via zijn eigen besloten vennootschap [R] Holding). De stichting [C] Holding [P1] stond bij de KvK ingeschreven als enig aandeelhouder in de besloten vennootschappen [C] Holding [P1] en [C] Holding Finance (doc 565, doc 638). Dit brengt mee dat verdachte als aandeelhouder, dan wel bestuurder betrokken was bij rechtspersonen die van de BNG afkomstige gelden hebben ontvangen. Bovendien heeft verdachte vanuit [D] BV een bedrag van € 107.100,- overgeboekt gekregen naar zijn eigen vennootschap [R] Holding BV.

De rechtbank is van oordeel dat het hiervoor overwogene meebrengt dat verdachte tezamen met anderen het Ministerie van VWS en de BNG heeft bewogen tot afgifte van rijksgegarandeerde leningen. De andersluidende door hemzelf opgeschreven verklaring van verdachte dat hij niet wist dat in feite de (geantedateerde) aanvragen uit naam van Stichting [A] waren voortgezet door Stichting [B] en dat hij bij het misleidende aanvraagproces van de rijksgegarandeerde leningen nadien niet betrokken zou zijn geweest, acht de rechtbank niet geloofwaardig gelet op al het voorgaande, waaruit de betrokkenheid van verdachte zonder meer blijkt. Blijkens de door hemzelf opgeschreven verklaring verweert verdachte zich - kort gezegd - tegen de beschuldiging van oplichting met de stelling dat hij weliswaar bij het begin van het (misleidende) aanvraagproces voor de rijksgegarandeerde leningen betrokken was, waarbij hij zich - zoals hiervoor is overwogen - in vereniging met anderen heeft schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift, maar niet bij de nadien gepleegde malversaties. Dat verweer acht de rechtbank niet aannemelijk op grond van het hierboven gememoreerde bewijs van zijn betrokkenheid. De onaannemelijkheid van zijn verweer wordt nog versterkt door de omstandigheid dat de verdachte weigert te antwoorden op nadere vragen met betrekking tot deze door hem gestelde gang van zaken.

Met het oprichten van de Stichting [B] is een valse hoedanigheid te weten een stichting gecreëerd die het deed voorkomen een zorggerelateerd doel te hebben en die de garanties en gelden van het Ministerie van VWS en de BNG heeft ontvangen. Verdachte is betrokken geweest bij de oprichting van deze stichting. Door het in de bijlage verwijzen naar de brief van 21 juni 2001, het vermelden van het kenmerk BPH en het verzoeken om financiering van panden die geen eigendom waren van de Stichting [B] is door verdachte tezamen met anderen bewust de schijn gewekt dat de aanvragen zouden zijn gedaan door Stichting [A] dan wel dat de Stichting [B] gerechtigd was de rijksgegarandeerde leningen te ontvangen. Medeverdachte [verdachte 3] heeft listiglijk en bedrieglijk bewerkstelligd dat de toekenning van de rijksgarantie zonder deugdelijke controle binnen het Ministerie van VWS aan de Stichting [B] is toegekend. De gelden zijn na ontvangst door de Stichting [B] overgeboekt naar besloten vennootschappen waarin verdachte belangen had.

Mitsdien acht rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de onder 2 tenlastegelegde oplichting, een en ander zoals nader te omschrijven in de bewezenverklaring.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen - elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft - staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast. Op grond daarvan is de rechtbank tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig bewezen, dat de verdachte de op de dagvaarding I onder 1. eerste alternatief/cumulatief, 1. tweede alternatief/cumulatief, 2. en dagvaarding II onder 1. eerste alternatief/cumulatief, 1. tweede alternatief/cumulatief, tenlastegelegde feiten heeft begaan, met dien verstande, dat:

Dagvaarding I

1.

hij in

de periode de periode van

22 februari 2001 tot en met 28 mei 2002

in Nederland

telkens tezamen en in vereniging met anderen

telkens:

- verzoeken tot het afgeven van rijksgaranties en

- brieven (minuut)

elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te

dienen - valselijk heeft opgemaakt,

immers hebben verdachte en zijn mededaders telkens

valselijk - immers opzettelijk in strijd met de waarheid -

(inzake de aanvraag van rijksgarantie voor een bedrag van 20.239.750 euro,

doc 346 en 585)

- in een brief met bijlage, gedateerd 22 februari 2001, opgenomen

dat de Stichting [A] een verzoek

indient bij het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport om zijn

projecten in de bijlage te mogen financieren met de rijksgarantie voor een

totaalbedrag van 264 miljoen gulden en dat geschrift heeft doen voorzien

van een handtekening zulks ter bevestiging van de

juistheid van de inhoud van dat geschrift en

- in een brief met bijlage, gedateerd 21 juni 2001, opgenomen

dat de Stichting [A] een aanvraag indient

bij het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport tot het geven van een

rijksgarantie voor de in de bijlage genoemde projecten tot een bedrag van

20.239.750 euro en

dat geschrift heeft voorzien van een

handtekening zulks ter bevestiging van de juistheid van de inhoud van

dat geschrift

zulks (telkens) met het oogmerk om die geschriften als echt en

onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken

en

hij in de periode van 22 februari 2001

tot en met 28 mei 2002

in Nederland

telkens tezamen en in vereniging met anderen

telkens opzettelijk gebruik heeft gemaakt van

een vals

- verzoek tot het afgeven van rijksgaranties

- brieven minuut

zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te

dienen - als ware dat geschrift echt en onvervalst,

bestaande dat gebruikmaken hierin dat dat geschrift is

overgelegd bij het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn

en Sport

en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat

(inzake de aanvraag van rijksgarantie voor een bedrag van 20.239.750 euro,

doc 346 en 585)

- in een brief met bijlage, gedateerd 21 juni 2001, stond vermeld dat de

Stichting [A] een aanvraag indient bij het Ministerie van

Volksgezondheid, Welzijn en Sport tot het geven van een rijksgarantie voor de

in de bijlage genoemde projecten tot een bedrag van 20.239.750 euro

2.

hij in de periode van 21 juni 2001

tot en met 31 oktober 2005 in Nederland, tezamen en in

vereniging met anderen, meermalen,

telkens,

met het oogmerk zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen,

telkens door gebruik te maken van valse aanvragen voor het

verstrekken van leningen en verzoeken tot het afgeven van

rijksgaranties en

brieven minuut

doordat hij, verdachte, en zijn mededaders, het deden voorkomen dat

- de Stichting [B] (Transmurale en Semimurale Voorzieningen) eigenaar was

van onroerend goed van

zorginstellingen en

- de Stichting [B] (Transmurale en Semimurale Voorzieningen) projecten zou

financieren in de gezondheidszorg waarvoor een rijksgarantie kon worden

afgegeven,

het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Bank

Nederlandse Gemeenten en het Ministerie van Financiën

heeft bewogen tot het verstrekken van leningen onder

rijksgarantie

hebbende verdachte en zijn mededaders toen aldaar telkens met

vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en/of

listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

- verzoeken tot het verstrekken van leningen onder rijksgarantie

gedaan, waarbij onjuiste gegevens werden opgegeven waaronder de eigendom van

de voorzieningen en de bestemming van de te verstrekken gelden en

- valse stukken overgelegd waaronder verzoeken tot het afgeven van

rijksgaranties en brieven minuut

- de administratieve procedure voor het verstrekken van leningen

niet gevolgd en dossiers bij het Ministerie van Volksgezondheid

niet gecompleteerd met

gunningsbrieven en hypotheekakten

en

- (een) Stichting [B] opgericht, die diende voor

het verwerven van de onder rijksgarantie verstrekte leningen

waardoor het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en/of de Bank

Nederlandse Gemeenten en/of het Ministerie van Financiën

telkens werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte;

Dagvaarding II

2.

hij, in privé

in Nederland

- (ZD 3.7) omstreeks 27 januari 2005 van Stichting [X]

enig goed,

heeft verworven terwijl hij

ten tijde van het verwerven

wist dat het een

door misdrijf verkregen goed betrof

zulks met verbetering van eventueel in de telastlegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering de verdachte niet in de verdediging is geschaad

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.

Ten aanzien van de als feit 2 tenlastegelegde en bewezenverklaarde oplichting overweegt de rechtbank ambtshalve het volgende.

In de tenlastelegging wordt niet met zoveel woorden aangeduid welk oplichtingmiddel als bedoeld in artikel 326 WvSr naar het inzicht van de officier van justitie door verdachte is gehanteerd. Immers, niet is vermeld of het handelen van verdachte het aannemen van een valse naam of van een valse hoedanigheid, listige kunstgrepen, dan wel een samenweefsel van verdichtsels oplevert.

Ten eerste overweegt de rechtbank dat zij het bewezenverklaarde doen voorkomen van de Stichting [B] als eigenaar van het betrokken onroerend goed en als (legitieme) instelling die bedoelde projecten zou gaan financieren, het aannemen van een valse hoedanigheid oplevert.

Voorts is het handelen dat in het vervolg van de bewezenverklaring staat beschreven, gepleegd door verdachte en zijn mededaders, te weten het gebruik maken van valse aanvragen voor de rijksgaranties en andere valse documenten, het niet volgen van de voorgeschreven administratieve procedure, het bewegen van personen binnen de diverse organisaties tot het zetten van handtekeningen en de oprichting van de Stichting [B] voor de verwerving van de gelden, naar het oordeel van de rechtbank aan te merken als het hanteren van listige kunstgrepen. Bij dit oordeel betrekt de rechtbank dat in de bewezenverklaarde nadere uitwerking van dit handelen door verdachte (en zijn mededaders) wordt aangegeven dat hij (respectievelijk zij) dat handelen 'valselijk, listiglijk, bedrieglijk en in strijd met de waarheid' heeft (hebben) verricht.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar.

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.

Strafmotivering.

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte en zijn medeverdachten hebben zich schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift en oplichting van de Ministeries van VWS en Financiën en de BNG en daardoor de Staat benadeeld voor een bedrag van € 21.921.459,- Onder vigeur van de stichting waarbij verdachte werkzaam was werden (geantedateerd) aanvragen bij het ministerie van VWS ingediend tot verstrekking van rijksgaranties voor leningen bij de Bank Nederlandse Gemeenten voor de financiering van projecten in de gehandicaptenzorg. Een van verdachten was als ambtenaar werkzaam op het betreffende ministerie en heeft aldaar middels valse documenten en door na te laten voorgeschreven procedures te volgen bewerkstelligd dat de rijksgaranties werden verleend, op basis van een regeling die reeds was afgeschaft. Middels een stichting die de schijn wekte gerechtigd te zijn de rijksgegarandeerde leningen te ontvangen zijn verdachte en zijn mededaders erin geslaagd de betreffende gelden onder hun bereik te krijgen.

De door de BNG afgegeven rijksgegarandeerde leningen zijn via voornoemde stichting direct doorgesluisd naar besloten vennootschappen waarin verdachte belangen had. Deze gelden zijn vervolgens gestoken in allerlei -niet zorggerelateerde- investeringen. Doordat de afbetalingen aan de BNG niet meer konden worden gedaan, is het Ministerie op zijn garantstelling aangesproken. Op geen enkele wijze is in te zien dat verdachten, zoals zij hebben aangevoerd, op enig moment hebben gedacht de gelden aan de zorg ten goede te laten komen.

De rechtbank neemt het verdachte en zijn medeverdachten zeer kwalijk dat zij misbruik hebben gemaakt van een regeling die was bedoeld om voorwaarden te scheppen voor financiering zorginstellingen en zij hierdoor het Ministerie en uiteindelijk de samenleving hebben benadeeld voor dit enorme bedrag.

Naast eerdergenoemde feiten ten aanzien van de valsheid en oplichting rekent de rechtbank verdachte voorts ernstig aan dat hij profijt heeft getrokken uit de verduistering van medeverdachte [verdachte 1] door in zijn woning een keuken te laten plaatsen terwijl hij wist dat deze werd betaald door de stichting [X].

Nu niet is gebleken van onrechtmatigheden bij de verhoren van verdachte zal de rechtbank hiermee bij de strafoplegging geen rekening houden.

De rechtbank is van oordeel dat de ernst van deze feiten met zich brengt dat in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur is gerechtvaardigd. De eis van de officier van justitie zal de rechtbank niet volgen, reeds omdat de rechtbank in afwijking van de conclusie van de officier van justitie, verdachte niet zal veroordelen terzake van het bij dagvaarding I tenlastegelegde witwassen, alsmede terzake van de bij dagvaarding II tenlastegelegde valsheid in geschrift en oplichting.

De rechtbank zal bij de strafoplegging rekening houden met de omstandigheid dat verdachte niet eerder terzake van strafbare feiten is veroordeeld.

Ook houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat sedert het begaan van de feiten inmiddels geruime tijd is verstreken, en verdachte door oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf die de duur van de ondergane voorlopige hechtenis overstijgt, in zijn maatschappelijk bestaan ernstig zal worden getroffen.

Tenslotte neem de rechtbank in aanmerking dat krachtens de wet (art. 56 lid 2 WvSr) de bewezenverklaarde valsheid in geschrift en het bewezenverklaarde gebruik maken van ditzelfde geschrift als voortgezette handeling moeten worden aangemerkt, waardoor te dien aanzien slechts een strafbepaling wordt toegepast.

De rechtbank ziet geen aanleiding te bepalen dat, zoals de officier van justitie heeft gevorderd, de schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen. De rechtbank is van oordeel dat de gronden die tot dat bevel hebben geleid, zich thans niet meer voordoen en bepalen dat voornoemd bevel wordt opgeheven.

De toepasselijke wetsartikelen.

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen: 47, 56, 57, 225 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart de inleidende dagvaarding II onder 2. eerste alternatief/cumulatief, voor zover dit feit ziet op zaaksdossier 6, nietig;

verklaart de officier van justitie met betrekking tot dagvaarding I onder 4. niet ontvankelijk in zijn vervolging;

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij dagvaarding I onder 3., 5., en bij dagvaarding II onder 1, 2. eerste alternatief/cumulatief,,2. tweede alternatief/cumulatief voor zover dit feit ziet op zaaksdossier 5 en 6 en 3. tenlastegelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding I onder 1. eerste alternatief/cumulatief, 1. tweede alternatief/cumulatief, 2., en bij dagvaarding II 2, tweede alternatief/cumulatief, voor zover dit feit ziet op zaaksdossier 3.7 heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

dagvaarding I

1. eerste alternatief/cumulatief

Medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd,

1. tweede alternatief/cumulatief

Medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd,

Verstaat dat het eerste en tweede alternatief/cumulatief bewezenverklaarde is begaan als voortgezette handeling;

2.

Medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd.

Dagvaarding II

2. tweede alternatief/cumulatief (zaaksdossier 3.7)

Opzetheling

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is telastgelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van TWEE (2) JAREN;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de eventuele tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

in verzekering gesteld op: 24 oktober 2005,

in voorlopige hechtenis gesteld op: 27 oktober 2005,

welke voorlopige hechtenis werd geschorst met ingang van: 31 mei 2006,

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit vonnis is gewezen door

mr. P.A.M. Hoek, voorzitter,

mr. E.F. Brinkman en H.J.M. Smid-Verhagen, rechters,

in tegenwoordigheid van V.R.G.D. Boel, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 oktober 2008.