Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BG2360

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-10-2008
Datum publicatie
05-11-2008
Zaaknummer
AWB 07 / 41089
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2009:BH1316, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Burundi / artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn / binnenlands gewapend conflict

Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de door eiser overgelegde stukken geen aanleiding vormen om een categoriaal beschermingsbeleid ten aanzien van asielzoekers afkomstig uit Burundi te voeren.

Eiser heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat zich in Burundi ten tijde van het bestreden besluit een binnenlands gewapend conflict voordeed, zodat hij niet onder de reikwijdte van artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn valt. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-Gravenhage,

zittinghoudende te MAASTRICHT

Reg.nr: AWB 07 / 41089 ONBTDN

UITSPRAAK van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken in het geding tussen

[eiser], eiser,

en

de Staatssecretaris van Justitie, verweerder.

Datum bestreden besluit: 10 oktober 2007.

Kenmerk: [IND-nummer].

V-nummer: [V-nummer].

I. PROCESVERLOOP

In deze uitspraak wordt onder verweerder tevens verstaan de rechtsvoorgangers van de Staatssecretaris van Justitie, als het bevoegde bestuursorgaan in procedures als de onderhavige.

Tegen het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit is door eiser tijdig beroep ingevolge de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingesteld bij deze rechtbank.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en in zijn verweerschrift geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

Het beroep is behandeld ter zitting van de meervoudige kamer van deze rechtbank op 3 juli 2008, alwaar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde W. de Vilder, advocaat te Beek. Verweerder heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door M.F. van der Lubbe, in dienst van het Ministerie van Justitie. Tevens was aanwezig S. Mukankusi als tolk.

Aangezien de rechtbank het onderzoek ter zitting niet volledig achtte, heeft zij met toepassing van artikel 8:68, eerste lid, van de Awb het onderzoek heropend. Verweerder heeft desgevraagd ingevolge artikel 83, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) schriftelijk gereageerd op de door eiser ingebrachte stukken in verband met de veiligheidssituatie in Burundi.

De rechtbank heeft vervolgens, gelet op de daarvoor door partijen gegeven toestemming, bepaald dat de nadere zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek op 24 september 2008 gesloten.

II. OVERWEGINGEN

Eiser stelt te zijn geboren op [V-nummer] en bezit de Burundese nationaliteit. Hij heeft op 10 februari 2004 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Aan deze aanvraag heeft hij het volgende relaas ten grondslag gelegd. Eiser heeft zijn land van herkomst verlaten omdat hij door soldaten van de overheid ervan beschuldigd werd een rebel te zijn nu hij in opdracht van zijn baas, Sheikh Juma Bakari, een brief aan een vriend van zijn baas had gegeven. Eiser werd door soldaten van het regeringsleger aangehouden en in elkaar geslagen, omdat zij hem ervan verdachten samen te werken met de rebellen. In de nacht van 24 op 25 januari 2004 is de vader van eiser vermoord, omdat hij op 24 januari 2004 bij de soldaten verhaal is gaan halen. Eiser heeft in genoemde nacht kans gezien aan de soldaten te ontkomen en heeft met behulp van zijn baas in de nacht van 25 op 26 januari 2004 Burundi per bootje verlaten.

Verweerder heeft eisers asielaanvraag van 10 februari 2004 bij beschikking van 19 mei 2004 ingewilligd en eiser een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000, met ingang van 10 februari 2004, geldig tot 10 februari 2007. Op 1 december 2006 heeft eiser een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd in de zin van artikel 33 van de Vw 2000 aangevraagd.

Verweerder heeft eisers aanvraag bij het thans bestreden besluit afgewezen, omdat de grond voor verlening, bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000, is komen te vervallen. Bij brief van 19 juni 2006 heeft verweerder de Voorzitter van de Tweede Kamer namelijk bericht dat het kabinet heeft besloten het categoriaal beschermingsbeleid voor asielzoekers van Burundese nationaliteit te beëindigen. Daarnaast heeft eiser toerekenbaar geen documenten ter staving van zijn identiteit en/of nationaliteit en zijn reisroute overgelegd, mist het asielrelaas van eiser positieve overtuigingskracht en acht verweerder het relaas ongeloofwaardig, zodat eiser ook niet (alsnog) in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b of c van de Vw 2000.

Eiser doet een beroep op artikel 4, vierde en vijfde lid van de Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming (hierna: Definitierichtlijn). Voorts beroept eiser zich op artikel 15c van de Definitierichtlijn, welk artikel niet correspondeert met artikel 29, eerste lid, onder b van de Vw 2000. Eiser meent voor zijn standpunt steun te vinden in de jurisprudentie. Het oordeel in het bestreden besluit hieromtrent is prematuur gelet op de prejudiciële vragen die de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) in haar uitspraak van 12 oktober 2007, gepubliceerd in JV 2007/531, heeft gesteld.

Eiser stelt verder op plausibele wijze naar voren te hebben gebracht dat hij in een acute vluchtsituatie verkeerde en dat zijn identiteitskaart in een andere broek zat. Ten aanzien van het ontbreken van reisinformatie heeft verweerder onvoldoende rekening gehouden met zijn opgelopen trauma. In beroep heeft eiser een brief van G.G. Eiting, arts bij de Stichting Centrum ’45, aangaande zijn psychische situatie overgelegd.

Eiser stelt dat het wel degelijk geloofwaardig is dat hij door een groot sleutelgat heeft kunnen zien wat er met zijn vader gebeurde. De overweging dat eiser nog had moeten achterhalen of zijn vader daadwerkelijk dood was is van elk realiteitsgehalte ontbloot en houdt geen rekening met de acute vluchtsituatie waarin eiser zich bevond. Ook de overweging met betrekking tot het feit dat de soldaten het huis niet direct doorzocht hebben is gebaseerd op speculatie. Ook worden de verklaringen van eiser in het bestreden besluit onjuist weergegeven. Eiser heeft in het nader gehoor verklaard dat hij “misschien 3 minuten heeft gekeken, misschien korter” terwijl verweerder dit vertaalt als “ongeveer 3 minuten”. Ook wordt in het besluit de verklaring van eiser dat de soldaten na de moord op zijn vader rechtstreeks naar zijn vertrek kwamen opgevat als “direct” terwijl hij bedoelde te zeggen zonder omwegen. Eiser heeft een logische verklaring gegeven voor het feit dat de soldaten in de nacht terugkwamen, welke verklaring door verweerder ongemotiveerd wordt verworpen.

Eiser betoogt dat de waterscheiding asiel-regulier ten onrechte wordt gehandhaafd. Eiser heeft op basis van een rechtsgeldige verblijfstitel in Nederland een familie- en privéleven kunnen opbouwen. Eiser heeft ter zitting aangegeven dat hij zijn beroep op het familieleven niet langer handhaaft.

Tot slot stelt eiser dat het categoriale beschermingsbeleid voor Burundi ten onrechte afgeschaft is. Ter ondersteuning van dat standpunt en gelet op het beroep op artikel 15c van de Definitierichtlijn heeft eiser een afschrift van een brief van Vluchtelingenwerk Nederland van 13 mei 2008 met bijlagen overgelegd.

De rechtbank overweegt vooreerst als volgt.

Ingevolge artikel 33, aanhef en onder a, van de Vw 2000 is verweerder bevoegd de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd in te willigen, af te wijzen, dan wel niet in behandeling te nemen.

In artikel 34 van de Vw 2000 is onder meer bepaald dat de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 33 van de Vw 2000 slechts kan worden afgewezen, indien zich op het moment waarop de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, afloopt, een grond als bedoeld in artikel 32 van de Vw 2000 voordoet.

Derhalve kan ingevolge artikel 32, eerste lid en onder c, van de Vw 2000 de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd worden afgewezen, indien de grond voor verlening, als bedoeld in artikel 29 van de Vw 2000, is komen te vervallen.

Eiser handhaaft in beroep zijn in de zienswijze ingenomen standpunt dat het categoriale beschermingsbeleid inzake Burundi ten onrechte afgeschaft is. Eiser heeft zich verder op het standpunt gesteld dat verweerder ten aanzien van Burundi (weer) een categoriaal beschermingsbeleid zou dienen te voeren nu de veiligheidssituatie aldaar is verslechterd. Ter onderbouwing van dit standpunt is namens eiser verwezen naar de brief van vluchtelingenwerk Nederland van 13 mei 2008 met als bijlagen:

1. Rapport van de United Nations High Commissioner for Refugees (hierna: UNHCR) van 3 maart 2008;

2. Rapport van de UNHCR van 12 maart 2008;

3. Artikel van het Investor Relations Information Network (IRIN) van 13 mei 2008;

4. Rapport van het United Nations Office for the Coordination of Humanitairian Affairs (OCHA) van 22 april 2008;

5. Artikel uit BBC News van 8 mei 2008;

6. Rapport van de UNHCR van 12 maart 2008;

7. Rapport van de United Nations van 24 april 2008;

8. Rapport van de UNHCR van 25 april 2008;

Ingevolge artikel 83, eerste lid, van de Vw 2000 houdt de rechtbank bij de beoordeling van het beroep rekening met feiten en omstandigheden die na het nemen van het bestreden besluit zijn opgekomen, tenzij de goede procesorde zich daartegen verzet of de afdoening van de zaak daardoor ontoelaatbaar wordt vertraagd. De hiervoor genoemde documenten worden bij het beroep betrokken nu zij als zodanig kunnen worden aangemerkt.

De rechtbank merkt op dat verweerder bij het instellen c.q beëindigen van een beleid van categoriale bescherming een ruime beoordelingruimte toekomt, waarbij de indicatoren voor het voeren van een categoriaal beschermingsbeleid zijn neergelegd in artikel 3.106 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000). Het beleid van categoriale bescherming wordt verder toegelicht in paragraaf C1/4.5.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000).

Verweerder heeft in het bestreden besluit aangegeven dat hij op grond van de informatie in het algemeen ambtsbericht van 31 maart 2006 van de Minister van Buitenlandse Zaken inzake Burundi terugkeer van afgewezen asielzoekers naar Burundi niet langer van bijzondere hardheid acht in de zin van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000. Voorts heeft verweerder er op gewezen dat uit het voornoemde ambtsbericht blijkt dat de veiligheidssituatie in grote delen van Burundi relatief rustig is, mede door aanwezigheid van de VN-vredesmacht ONUB. De aard van het geweld is in deze gebieden niet meer zodanig dat aldaar een categoriaal beschermingsbeleid is geïndiceerd. Alleen in de provincies Bujumbura Rurale, Bubanza en Cibitoke én in enkele wijken van de hoofdstad, waar de rebellengroepering FNL nog actief is, vinden nog regelmatig gevechten plaats tussen het regeringsleger en de FNL. De situatie in deze provincies wordt nog wel categoriaal beschermingswaardig geacht. De relatief rustige delen van Burundi zijn over het algemeen bereikbaar vanuit deze laatstgenoemde provincies. Verder blijkt uit het ambtsbericht dat verschillende VN-organisaties actief zijn in Burundi en dat de UNHCR oordeelt dat de veiligheidssituatie aldaar verbeterd is. Vrijwillige terugkeer wordt door de UNHCR gefaciliteerd. Daarnaast heeft verweerder er op gewezen dat gebleken is dat België, Denemarken, het Verenigd Koninkrijk en Zwitserland geen bijzonder toelatings- en terugkeerbeleid voor asielzoekers met betrekking tot Burundi kennen en de terugkeer van uitgeprocedeerde asielzoekers naar Burundi veilig genoeg achten. Gezien het vorenstaande is op 19 juni 2006 besloten het categoriaal beschermingsbeleid ten aanzien van personen afkomstig uit Burundi, dat sedert 26 maart 1996 werd gevoerd, te beëindigen. De Tweede Kamer heeft op 28 juni 2006 met deze beleidswijziging ingestemd.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder op grond van het vorenstaande in redelijkheid het categoriaal beschermingsbeleid ten aanzien van personen afkomstig uit Burundi heeft kunnen beëindigen.

Verweerder heeft, na daartoe op grond van artikel 83, derde lid, van de Vw 2000 in de gelegenheid te zijn gesteld, zijn standpunt kenbaar gemaakt omtrent het (opnieuw) voeren van een categoriaal beschermingsbeleid. Verweerder erkent dat de door eiser ingebrachte stukken de indruk geven dat er sprake was van een verslechtering van de veiligheidssituatie in Burundi in de eerste maanden van 2008 ten opzichte van de situatie zoals beschreven in het (meest recente) algemeen ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 17 september 2007. Verweerder stelt verder dat uit meer recente openbare bronnen blijkt dat de veiligheidssituatie in Burundi weer is verbeterd. De openlijke strijd tussen de regering en de laatst overgebleven rebellengroep FNL was tot een voorlopig einde gekomen door het staakt-het-vuren van september 2006. In juli 2007 liepen de onderhandelingen tussen de regering en de leiders van de FNL spaak en keerden de FNL-leiders terug naar hun manschappen in de bush. In de daarop volgende maanden namen de vijandelijkheden toe, culminerend in openlijke gevechten in de heuvels rond Bujumbura, medio april 2008, waarbij naar schatting honderd doden vielen. Op 26 mei 2008 meldde de BBC dat de regering en de FNL-top uiteindelijk toch een wapenstilstand hadden getekend, die een einde moest maken aan de vijandelijkheden. De ondertekening werd door rebellenleider Habimana betiteld als een stap waarmee de oorlog definitief tot een einde komt. Vervolgens meldde de BBC op 30 mei 2008 de terugkeer uit ballingschap van FNL- leider Agathon Rwasa. Sinds diens terugkeer zijn de gevechten tot een einde gekomen en leeft de hoop dat de hernieuwde onderhandelingen tussen regering en FNL zullen leiden tot een blijvend vredesakkoord.

Ten aanzien van de overige mensenrechtenschendingen die uit de overgelegde stukken naar voren komen en die los staan van de hierboven geschetste controverse tussen de regering en de FNL, merkt verweerder op dat in het algemeen ambtsbericht van september 2007 wordt vermeld dat ondanks de verbeterde veiligheidssituatie in grote delen van Burundi tijdens de verslagperiode mensenrechtenschendingen plaatsvonden, waaronder moord, door zowel leger, politie, inlichtingendienst als rebellengroeperingen. Veelal is de burgerbevolking het slachtoffer hiervan. Nu in het ambtsbericht – en het hierop gebaseerde landenbeleid Burundi, zoals vastgelegd in hoofdstuk C24 van de Vc 2000 – rekening is gehouden met dergelijke incidenten en mede in aanmerking genomen dat verweerder bij de beantwoording van de vraag of een categoriaal beschermingsbeleid geïndiceerd is ook betrekt de mate waarin het geweld voorkomt, de mate van geografische spreiding van het geweld, het beleid dat andere EU-landen voeren en de mate van bescherming die aanwezig is in Burundi, stelt verweerder geen grond te zien om voor asielzoekers uit Burundi opnieuw een beleid van categoriale bescherming te voeren.

De rechtbank ziet, gelet op het voorgaande, geen grond om te oordelen dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat voornoemde stukken geen aanleiding vormen om een categoriaal beschermingsbeleid ten aanzien van asielzoekers afkomstig uit Burundi te voeren.

In geschil is voorts de vraag of eiser (alsnog) in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van die wet, afgewezen, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen. Het is derhalve aan de vreemdeling om de door hem aan zijn aanvraag ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden tegenover verweerder aannemelijk te maken.

Ingevolge artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 wordt bij het onderzoek naar de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel mede betrokken dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen.

Zoals de Afdeling heeft overwogen, onder meer in haar uitspraak van 27 januari 2003, gepubliceerd in JV 2003/103, behoort de beoordeling van de geloofwaardigheid van de door de vreemdeling in zijn asielrelaas naar voren gebrachte feiten tot de verantwoordelijkheid van verweerder en kan die beoordeling slechts terughoudend door de rechter worden getoetst.

Als zich de omstandigheid voordoet, als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onder f, van de Vw 2000 mogen ingevolge artikel 31 van de Vw 2000, mede gelet op de geschiedenis van de totstandkoming van die bepaling (Memorie van Toelichting, Kamerstukken II 1998-1999, 26 732, p. 40/41) en volgens de ter uitvoering daarvan vastgestelde beleidsregels, in het relaas van de vreemdeling om het geloofwaardig te achten geen hiaten, vaagheden, ongerijmde wendingen en tegenstrijdigheden op het niveau van de relevante bijzonderheden voorkomen; van het asielrelaas moet dan een positieve overtuigingskracht uitgaan.

In het bestreden besluit is uiteengezet dat eiser ter staving van zijn aanvraag geen bescheiden (ter zake zijn identiteit/nationaliteit en de reisroute) heeft overgelegd, die voor de beoordeling daarvan noodzakelijk zijn.

Er is geen grond voor het oordeel dat verweerder het ontbreken van genoemde documenten niet aan eiser heeft mogen toerekenen. Verweerder heeft in het voornemen aangegeven dat van eiser kon en mocht worden verwacht dat hij, nu hij om bescherming verzoekt bij de Nederlandse autoriteiten, voldoende vertrouwen stelt in voornoemde autoriteiten om alle relevante feiten en omstandigheden aan te voeren die hebben geleid tot zijn vertrek uit het land van herkomst en die van belang zijn bij de beoordeling van zijn aanvraag. Verweerder heeft daarbij kunnen stellen dat de verklaring van eiser dat hij zijn identiteitskaart niet mee kon nemen, omdat hij moest vluchten, onvoldoende is. De verklaring dat deze in een andere broek zat heeft verweerder niet hoeven overtuigen.

Verweerder heeft voorts daarbij kunnen betrekken dat eiser zijn reisverhaal niet heeft onderbouwd met het gebruikte grensoverschrijdingsdocument, noch met enig ander al dan niet indicatief bewijs in de zijn van de Verordening (EG) nr. 343/2003. De verklaring van eiser dat zijn reisagent alle reisbescheiden in handen had, heeft verweerder ongeloofwaardig kunnen achten. Niet aannemelijk is dat eiser bij paspoortcontroles niet zelf een reisdocument heeft moeten laten zien.

Daarnaast heeft verweerder niet aannemelijk hoeven achten dat eiser geen enkel indicatief bewijs van de reis kan overleggen, noch in staat is om gedetailleerde, coherente en verifieerbare verklaringen omtrent de reisroute te geven. Van het reizen per vliegtuig mag in redelijkheid worden verondersteld dat dit met documenten te staven zou zijn. Van een persoon die heeft verklaard per vliegtuig te hebben gereisd, mag in alle redelijkheid worden verwacht dat hij informatie kan verschaffen over eenvoudige zaken zoals de bestemming van de vlucht, de opstapplaats en de kleur van het vliegtuig. De verklaring van eiser dat hij aan het piekeren was, heeft verweerder als onvoldoende van de hand mogen wijzen.

Verweerder heeft kunnen stellen dat het verlies van zijn vriendin in 2000 en zijn kinderen in 1998 en 1999 geen afdoende reden is voor het ontbreken van gedetailleerde, coherente en verifieerbare verklaringen omtrent de reisroute. De gestelde moord op zijn vader heeft verweerder evenmin hoeven zien als een afdoende reden, nu deze gebeurtenis niet geloofwaardig is gemaakt. Voor zover eiser met het in beroep overleggen van een rapport van G.G. Eiting, arts, van Stichting Centrum ’45 zijn verklaringen heeft willen onderbouwen, is de rechtbank van oordeel dat aan dit rapport niet de waarde kan worden verbonden die eiser hieraan wenst te verbinden, aangezien de gestelde dood op zijn vader niet geloofwaardig wordt geacht.

Er is voorts geen grond voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid tot zijn standpunt heeft kunnen komen dat het asielrelaas van eiser de in het licht daarvan vereiste positieve overtuigingskracht mist en derhalve ongeloofwaardig is.

Verweerder heeft kunnen stellen dat niet aannemelijk is dat soldaten alleen eiser hebben aanhouden, nadat hij iemand een envelop had gegeven, en niet degene aan wie eiser die envelop had gegeven. De verklaring van eiser dat hij vermoedt dat die persoon een rebel was en dat de soldaten bang zijn voor rebellen heeft verweerder niet hoeven overtuigen. Voorts heeft verweerder het niet aannemelijk hoeven achten dat soldaten het huis van eiser zijn binnengevallen, zijn vader dodelijk hebben verwond maar eiser hebben laten ontsnappen. Verweerder heeft in redelijkheid niet aannemelijk hoeven achten dat eiser door het sleutelgat kon zien dat zijn vader niet meer bewoog en was overleden. Ongeloofwaardig is, aldus verweerder, dat eiser afgaat op wat hij door een sleutelgat heeft gezien en niet voor zijn vertrek uit Burundi heeft proberen te achterhalen of zijn vader daadwerkelijk was overleden. Voorts heeft verweerder kunnen stellen dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over de gebeurtenissen in de nacht van 24 op 25 januari 2004. Eiser heeft in het nader gehoor verklaard dat hij pas door het sleutelgat is gaan kijken gedurende ongeveer 3 minuten toen hij een geweerschot had gehoord, terwijl eiser tijdens het gehoor van 25 september 2007 heeft verklaard dat de soldaten na de moord op zijn vader rechtstreeks naar hem toe zijn gekomen. Ten aanzien van de verklaringen van eiser in het nader gehoor heeft verweerder kunnen overwegen dat het niet geloofwaardig is dat eiser na het horen van een geweerschot niet meteen is gevlucht, maar wilde afwachten of de soldaten naar zijn kamer zouden komen, en nog gedurende ongeveer 3 minuten door het sleutelgat gekeken zou hebben. Verweerder heeft kunnen stellen dat het niet aannemelijk is dat eiser, nadat hij zag dat de soldaten richting zijn kamer kwamen nog de gelegenheid had om een broek aan te trekken alvorens hij, naar zijn zeggen, via het raam naar buiten vluchtte.

Verweerder heeft voorts in het bestreden besluit kunnen stellen dat niet valt in te zien dat de soldaten eiser en diens vader in eerste instantie hebben laten gaan en hen enkele uren later alsnog wilden arresteren. Eisers verklaring dat de soldaten eerder niets hebben ondernomen, omdat zij bang waren dat zij niet gesteund werden door soldaten hoger in rang, wordt niet gevolgd. Evenmin heeft verweerder geloofwaardig hoeven achten dat de soldaten het huis van eiser zijn binnengevallen, zijn vader dodelijk hebben verwond maar niet onmiddellijk een huiszoeking hebben gedaan waardoor eiser zou hebben kunnen ontsnappen.

Eiser komt niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b van de Vw 2000.

Eisers beroep op artikel 4, vierde en vijfde lid van de Definitierichtlijn verwerpt de rechtbank nu eisers beroep hierop niet onderbouwd is.

In verband met eisers beroep op artikel 15c van de Definitierichtlijn refereert de rechtbank aan de uitspraak van de Afdeling van 29 februari 2008, gepubliceerd in JV 2008/168, en overweegt als volgt.

Volgens artikel 2, aanhef en onder e, van de Definitierichtlijn wordt in die richtlijn verstaan onder "persoon die voor de subsidiaire-beschermingsstatus in aanmerking komt": een onderdaan van een derde land of een staatloze die niet voor de vluchtelingenstatus in aanmerking komt, doch ten aanzien van wie er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat hij, wanneer hij naar zijn land van herkomst, of in het geval van een staatloze, naar het land waar hij vroeger gewoonlijk verbleef, terugkeert, een reëel risico zou lopen op ernstige schade als omschreven in artikel 15, en op wie artikel 17, eerste en tweede lid, niet van toepassing is, en die zich niet onder de bescherming van dat land kan of, wegens dat risico, wil stellen.

Volgens artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn bestaat ernstige schade uit ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict.

Van ernstige schade, als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn, kan slechts sprake zijn, indien zich in het land van herkomst van een vreemdeling willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict voordoet. Of een vreemdeling onder de reikwijdte van artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn valt, hangt daarom af van de vraag of de door hem gestelde schade in verband kan worden gebracht met een internationaal of binnenlands gewapend conflict. Aangezien in het land van herkomst van de vreemdeling ten tijde van het besluit van 10 oktober 2007 geen sprake was van een internationaal gewapend conflict, is daarvoor bepalend of de door de vreemdeling gestelde schade is terug te voeren op het bestaan van een binnenlands gewapend conflict. Indien zich in het land van herkomst van de desbetreffende vreemdeling ten tijde van het besluit een zodanig conflict niet voordeed, valt hij – zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 20 juli 2007, gepubliceerd in JV 2007/442, – reeds daarom niet onder de reikwijdte van artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn en kan hij aan die bepaling geen aanspraak op bescherming ontlenen.

Eiser dient zijn stelling dat er in Burundi sprake is van een binnenlands gewapend conflict te onderbouwen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat zich in Burundi ten tijde van het bestreden besluit een zodanig conflict voordeed, zodat hij niet onder de reikwijdte van artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn valt. De enkele verwijzing naar de in de zienswijze genoemde rapporten van International Crisis Group van 30 november 2006 en van United Nations van 19 september 2006 – zo deze al bedoeld waren ter onderbouwing van het beroep op artikel 15c van de Definitierichtlijn – maken niet aannemelijk dat op de datum van het bestreden besluit zich een zodanig conflict voordeed. Dit geldt evenzeer voor de informatie van Vluchtelingenwerk Nederland van 13 mei 2008 inclusief voornoemde bijlagen. Eiser heeft volstaan met een enkele verwijzing naar genoemde rapporten, zonder concreet aan te geven uit welke van de daarin genoemde stukken blijkt van een zodanig conflict. Gezien de aard en de omvang van de rapporten had dit wel op zijn weg gelegen.

De verwijzing naar de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 29 april 2008, leidt niet tot een ander oordeel, reeds omdat de voorzieningenrechter zich niet inhoudelijk heeft uitgelaten over de vraag of op grond van de in dat geding ingebrachte stukken in Burundi sprake is van een binnenlands gewapend conflict.

Eisers stelling dat verweerder prematuur heeft beslist gelet op de prejudiciële vragen die de Afdeling heeft gesteld, behoeft geen bespreking, omdat – wat hiervan ook zij – verweerder, in het licht van het vorenstaande, terecht heeft geoordeeld dat de vreemdeling geen aanspraak op bescherming kan ontlenen aan artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn.

Verweerders standpunt dat eiser geen geslaagd beroep kan doen op artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn reeds omdat eiser ongeloofwaardige verklaringen heeft afgelegd volgt de rechtbank overigens niet. De rechtbank verwijst voor haar oordeel naar de uitspraak van de Afdeling van 12 oktober 2007, gepubliceerd in JV 2007, 531.

Voor zover eiser met het in beroep ingebrachte rapport van G.G. Eiting, arts bij de Stichting ’45, een beroep heeft willen doen op artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 is de rechtbank van oordeel dat dit niet kan slagen reeds omdat eisers relaas ten aanzien van de dood van zijn vader ongeloofwaardig is.

Ten aanzien van eisers beroep op het in artikel 8 van het EVRM beschermde privéleven overweegt de rechtbank, onder verwijzing naar een uitspraak van de Afdeling van 1 februari 2008, gepubliceerd in JV 2008/136, als volgt.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, onder meer in haar uitspraak van 6 augustus 2003, gepubliceerd in JV 2003/433, leidt de strikte scheiding tussen asiel en regulier die uit de systematiek van de Vw 2000 volgt ertoe dat de beoordeling van aanspraken op toelating die aan artikel 8 van het EVRM worden ontleend, behoudens in het kader van de vraag of een vergunning, als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e en f, van de Vw 2000, moet worden verleend, dient plaats te vinden in de procedure omtrent de verlening van een verblijfsvergunning regulier. Eisers beroep op artikel 8 van het EVRM kan naar het oordeel van de rechtbank reeds hierom dan ook niet slagen.

Het beroep is derhalve ongegrond.

Mitsdien wordt, mede gelet op artikel 8:70 van de Awb, beslist als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door M. Hillen als voorzitter en R.M.M. Kleijkers en R.J.G.H. Seerden als leden van de meervoudige kamer, in tegenwoordigheid van T.M. Horsten-Kuijpers als griffier en in het openbaar uitgesproken op 23 oktober 2008

w.g. T. Horsten-Kuijpers

w.g. M. Hillen

Voor eensluidend afschrift:

De wnd. griffier:

Verzonden op: 24 oktober 2008

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage.

De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak. Ingevolge artikel 85 van de Vw 2000 dient het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. In artikel 6:5 van de Awb is onder meer bepaald dat bij het beroepschrift een afschrift van de uitspraak moet worden overgelegd. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing.

Indien hoger beroep is ingesteld kan ingevolge het bepaalde in artikel 88 van de Vw 2000 juncto artikel 8:81 van de Awb de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.