Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BG2324

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-10-2008
Datum publicatie
04-11-2008
Zaaknummer
AWB 08/13296
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verblijfsvergunning bepaalde tijd regulier, intrekking met terugwerkende kracht datum verlening, valse identiteit en documenten / Art. 8 EVRM, geen inmenging, geen positieve verplichting

Eisers verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd is na jaren, met terugwerkende kracht tot datum verlening, ingetrokken omdat hij onjuiste gegevens heeft verstrekt.

Ten aanzien van artikel 8 van het EVRM is rechtbank van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft geoordeeld dat er geen sprake is van inmenging in het recht op familie- of gezinsleven, nu eiser met de intrekking van de aan hem op basis van een valse identiteit en valse documenten verleende verblijfsvergunning, met terugwerkende kracht moet worden geacht nimmer in het bezit te zijn geweest van een verblijfsvergunning die hem (feitelijk) tot uitoefening van dat gezinsleven in staat stelde. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat het niet aanvaardbaar is dat een betrokkene zichzelf op onrechtmatige wijze een sterkere positie zou kunnen verschaffen dan die hij gehad zou hebben indien hij geen onjuiste gegevens zou hebben verstrekt. De rechtbank acht het dan ook onaanvaardbaar dat eiser in een gunstigere positie zou worden geplaatst dan vreemdelingen die geen valse identiteit en/of documenten gebruiken en nimmer in het bezit zijn geweest van een verblijfsvergunning, bij wie geen inmenging wordt aangenomen, terwijl bij eiser juist (enkel) vanwege het gebruiken van valse identiteit en documenten inmenging zou worden aangenomen. Bij haar oordeel heeft de rechtbank, naast de voornoemde argumenten, tevens in aanmerking genomen de uitspraak van de voormalige REK van 25 september 1997, AWB 97/5074, RV 1997, 23. Geen sprake van positieve verplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 08/13296

Uitspraak van de meervoudige kamer van 23 oktober 2008

inzake

[eiser],

geboren op [1975],

nationaliteit Congolese,

verblijvende te Amersfoort,

eiser,

gemachtigde mr. P.L.M. Stieger,

tegen

de staatssecretaris van Justitie,

te Den Haag,

verweerder,

gemachtigde mr. M.M. van Asperen.

Procesverloop

In deze uitspraak wordt waar nodig onder verweerder tevens verstaan de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie dan wel de minister van Justitie.

Bij besluit van 11 april 2007, heeft verweerder de aan eiser verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, onder de beperking "verblijf bij partner [partner]" met terugwerkende kracht tot aan de datum van vergunningverlening ingetrokken.

Het hiertegen door eiser gemaakte bezwaar is door verweerder bij besluit van 26 maart 2008 ongegrond verklaard. Daarbij heeft verweerder eiser medegedeeld dat hij de behandeling van een in te dienen beroepschrift niet in Nederland mag afwachten.

Eiser heeft op 11 april 2008 tegen laatstgenoemd besluit beroep ingesteld.

Tevens heeft eiser de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen die er (thans) toe strekt dat uitzetting van eiser achterwege wordt gelaten totdat uitspraak zal zijn gedaan op het beroep.

De zaak is behandeld op de zitting van de meervoudige kamer van 9 september 2008, waar eiser is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Overwegingen

1. Aan de orde is de vraag of het besluit van 26 maart 2008, waarbij verweerder de intrekking van de aan eiser verleende verblijfsvergunning heeft gehandhaafd, in rechte stand kan houden.

2. Bij de beantwoording van die vraag gaat de rechtbank van het volgende uit. Eiser heeft op 10 oktober 1994, onder de personalia: [naam], geboren op [...] 1977 te [geboorteplaats] in Angola, een aanvraag ingediend voor toelating als vluchteling. Deze aanvraag is niet ingewilligd. Deze procedure is geëindigd met de uitspraak van 19 december 1997, waarbij het door eiser ingestelde beroep ongegrond is verklaard. Op 29 oktober 1998 heeft eiser een aanvraag ingediend tot het verlenen van een vergunning tot verblijf onder de beperking “verblijf bij partner [partner]”. Eiser is uiteindelijk op 30 mei 2002 in het bezit gesteld van de gevraagde verblijfsvergunning, geldig van 30 mei 2002 tot 30 mei 2003. Nadien is de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning verlengd tot 15 mei 2008. Bij brief van 18 december 2006 heeft eiser aan verweerder kenbaar gemaakt dat hij in werkelijkheid [eiser] is, geboren op [1975] te Kinshasa in de Democratische Republiek Congo (hierna: de DRC). Op 2 maart 2007 is door verweerder een voornemen tot intrekking van eisers verblijfsvergunning uitgebracht, waarna de verblijfsvergunning bij het primaire besluit van 11 april 2007 is ingetrokken.

3. Verweerder heeft zich – kort samengevat – op het standpunt gesteld dat eisers verblijfsvergunning is ingetrokken omdat hij onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden die tot afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag tot het verlenen of verlengen zouden hebben geleid.

4. Eiser heeft in beroep het navolgende aangevoerd. Eiser betwist niet dat hij bij zijn aanmelding in Nederland valse gegevens heeft verstrekt. Echter, hij heeft uit eigen beweging zijn werkelijke identiteit gemeld en verzocht, gelet op zijn omstandigheden en bijzondere banden met Nederland, hem deze misstap te vergeven. Naar de mening van eiser heeft verweerder ten onrechte gesteld dat eiser zijn werkelijke identiteit niet met stukken heeft onderbouwd, nu eiser in de bezwaarfase een gelegaliseerde geboorteakte heeft overgelegd. Verweerders standpunt dat eiser aan de hand van zijn werkelijke identiteit nimmer een verblijfsvergunning zou zijn verleend, berust op speculatie. De summiere motivering daartoe dat de werkelijke identiteit niet vast zou staan is onjuist, aldus eiser. Voorts wijst eiser erop dat verweerder de afwijzing van het beroep op artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) onvoldoende heeft gemotiveerd. Verweerder dient allereerst in te gaan op het gegeven dat de Nederlandse partner en twee kinderen van eiser in Nederland verblijven en dat er sprake is van (langdurig) “family-life”. Geen van de gezinsleden van eiser heeft ook maar enige band met de DRC. Voor de kinderen zou het buitengewoon schadelijk zijn om Nederland te verlaten en te trachten zich in de DRC te handhaven. Eiser, ofschoon afkomstig uit de DRC, heeft geen opvang of contacten meer in de DRC. Er is geen huisvesting of werk voorhanden. Verweerder stelt zonder draagkrachtige motivering dat het algemeen belang, gelegen in de handhaving van het restrictief toelatingsbeleid, opweegt tegen de individuele belangen van eiser en zijn gezinsleden. Naar de mening van eiser negeert verweerder, naast de belangen van eiser, de belangen van zijn partner, moeder van zijn kinderen, en de belangen van eisers twee kinderen. Terugkeer naar de DRC betekent een definitieve scheiding van eiser van zijn gezin hier in Nederland.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

6. Ingevolge artikel 19, juncto artikel 18, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000 worden ingetrokken, indien de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden terwijl die gegevens tot afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag tot het verlenen of verlengen zouden hebben geleid.

7. Ingevolge artikel 3.84 van het Vreemdelingenbesluit 2000 – dat hier van overeenkomstige toepassing is – wordt de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000, niet op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 afgewezen om reden dat de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden die tot afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag tot het verlenen of verlengen zouden hebben geleid, indien er sedert de verlening, verlenging of wijziging van de verblijfsvergunning een periode van twaalf jaren is verstreken.

8. Het ter zake gevoerde beleid – ten tijde hier van belang – is neergelegd in paragraaf B1/5.3.3. van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000). In voormelde paragraaf van de Vc 2000 is - voor zover hier van belang- het volgende neergelegd. Onder het verstrekken van onjuiste gegevens wordt ook begrepen het achterhouden van essentiële (juiste) gegevens. Indien wordt vastgesteld dat er bij de verlening, verlenging of wijziging van de verblijfsvergunning onjuiste gegevens zijn verstrekt of relevante gegevens zijn achtergehouden, en er nog geen periode van twaalf jaren of langer is verstreken, wordt de ten onrechte verleende verblijfsvergunning ingetrokken of de geldigheidsduur ervan niet verlengd. Voorwaarde is dat het verstrekken van de onjuiste gegevens, of het achterhouden van de juiste gegevens er (mede) toe heeft geleid dat de verblijfsvergunning ten onrechte is verleend, verlengd of gewijzigd. Niet van belang is of het verstrekken van onjuiste gegevens dan wel het achterhouden van gegevens opzettelijk is gebeurd. Het gaat er om dat de onjuiste situatie wordt gecorrigeerd. Bepalend is immers of de verblijfsvergunning bij bekendheid met de juiste gegevens zou zijn verleend, verlengd of gewijzigd. Verblijfsbeëindiging blijft achterwege, indien dat in strijd zou komen met een ieder verbindende verdragsbepaling (bijvoorbeeld artikel 8 van het EVRM) of voor één of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen (artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)).

9. De rechtbank stelt allereerst vast dat sedert de verlening aan eiser van de oorspronkelijke verblijfsvergunning nog geen twaalf jaren zijn verstreken. Voorts stelt de rechtbank – onder verwijzing naar rechtsoverwegingen 2 en 4 – vast dat tussen partijen niet in geschil is dat eiser onjuiste gegevens omtrent zijn identiteit heeft verstrekt dan wel juiste gegegevens omtrent zijn identiteit heeft achtergehouden tijdens zijn asielprocedure en bij zijn aanvraag om het verlengen van de aan hem verleende, thans ingetrokken, verblijfsvergunning.

In dit verband merkt de rechtbank op dat zij met verweerder van oordeel is dat de omstandigheid dat eiser uit eigen beweging aan verweerder kenbaar heeft gemaakt dat hij niet op hem betrekkende gegevens heeft gebruikt bij zijn eerdere aanvragen geen reden is om de bevoegdheid tot intrekking van de verblijfsvergunning niet aanwezig te achten.

10. Tussen partijen is in geschil of de door eiser verstrekte onjuiste gegevens dan wel de achtergehouden gegevens tot afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning zouden hebben geleid.

11. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat indien een en ander ten tijde van de oorspronkelijke aanvraag bekend zou zijn geweest dit tot afwijzing van die aanvraag zou hebben geleid. In dit verband heeft verweerder er terecht op heeft gewezen dat eiser zijn thans opgegeven identiteit en nationaliteit niet heeft aangetoond. Eiser heeft beide gegevens, behoudens zijn eigen verklaring, niet met objectieve stukken onderbouwd. Ten aanzien van de door eiser overgelegde geboorteakte heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat een geboorteakte geen identiteitsdocument is omdat deze geen pasfoto bevat, zodat aan de hand hiervan de identiteit van eiser niet kan worden vastgesteld. Voor wat betreft het door eiser bij brief van 29 augustus 2008 overgelegde stuk “ATTESTATION DE PERTE DES PIECES No 030/2007”, gedateerd 26 mei 2007, is de rechtbank met verweerder van oordeel dat, wat verder van dat stuk ook zij, eiser hiermee zijn gestelde identiteit niet heeft aangetoond.

12. Voorts is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de door eiser aangevoerde bijzondere omstandigheden niet dusdanig zijn dat deze verweerder hadden moeten nopen tot het toepassen van artikel 4:84 van de Awb. Ten aanzien van de overigens eerst ter zitting aangevoerde grief dat verweerder in het kader van voornoemde bepaling alle omstandigheden had moeten betrekken en niet enkel het gestelde door eiser omtrent “kostwinner” en “reisadvies”, merkt de rechtbank op dat eiser in bezwaar in verband met voornoemde bepaling enkel op voormelde omstandigheden heeft gewezen en verweerder deze omstandigheden bij de besluitvorming heeft betrokken. Het was aan eiser om de andere eerst ter zitting aangevoerde omstandigheden uiterlijk in de bezwaarfase aan te voeren.

13. Ten aanzien van eisers beroep op artikel 8 van het EVRM overweegt de rechtbank het volgende.

14. In artikel 8, eerste lid, van het EVRM is bepaald dat een ieder recht heeft op respect voor zijn familie- of gezinsleven. Ingevolge het tweede lid van dit artikel is geen inmenging van enig openbaar gezag in de uitoefening van dit recht toegestaan, dan voor zover bij wet is voorzien en in een democratische samenleving nodig is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, het economisch welzijn, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van rechten en vrijheden van anderen.

15. Tussen partijen is niet (langer) in geschil dat in casu sprake is van familie- of gezinsleven tussen eiser enerzijds en zijn partner en hun twee kinderen anderzijds. De rechtbank is echter van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft geoordeeld dat er geen sprake is van inmenging in het recht op familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM, nu eiser met de intrekking van de aan hem op basis van een valse identiteit en valse documenten verleende verblijfsvergunning, met terugwerkende kracht moet worden geacht nimmer in het bezit te zijn geweest van een verblijfsvergunning die hem (feitelijk) tot uitoefening van dat gezinsleven in staat stelde. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat het niet aanvaardbaar is dat een betrokkene zichzelf op onrechtmatige wijze een sterkere positie zou kunnen verschaffen dan die hij gehad zou hebben indien hij geen onjuiste gegevens zou hebben verstrekt. De rechtbank acht het dan ook onaanvaardbaar dat eiser in een gunstigere positie zou worden geplaatst dan vreemdelingen die geen valse identiteit en/of documenten gebruiken en nimmer in het bezit zijn geweest van een verblijfsvergunning, bij wie geen inmenging wordt aangenomen, terwijl bij eiser juist (enkel) vanwege het gebruiken van valse identiteit en documenten inmenging zou worden aangenomen. Bij haar oordeel heeft de rechtbank, naast de voornoemde argumenten, tevens in aanmerking genomen de uitspraak van de voormalige Rechtseenheidskamer van de Rechtbank ’s-Gravenhage van 25 september 1997, AWB 97/5074, RV 1997, 23.

16. Nu er geen sprake is van inmenging, rijst vervolgens de vraag of zich zodanige feiten en omstandigheden voordoen dat uit het recht op eerbiediging van het familie- of gezinsleven niettemin voor verweerder een positieve verplichting voortvloeit aan eiser verblijf toe te staan. Volgens de rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), onder meer in de zaak Ebrahim tegen Nederland van 18 maart 2003 (JV 2003/203, LJN: AL4845), dient bij de beoordeling van de vraag of die verdragsbepaling in een bepaald geval de positieve verplichting met zich brengt een vreemdeling toe te laten voor familie- of gezinsleven hier te lande, een ‘fair balance’ te worden gevonden tussen enerzijds de belangen van het betrokken individu en anderzijds het algemeen belang. Bij deze afweging komt de desbetreffende lidstaat volgens die rechtspraak beoordelingsruimte toe. Bij de weigering van eerste toelating van vreemdelingen tot het Nederlandse grondgebied is die groter dan bij de weigering van voortgezet verblijf.

17. Volgens paragraaf B2/10.2.3 van de Vc 2000 vindt, wanneer geen sprake is van inmenging in het recht op eerbiediging van het gezinsleven, bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een positieve verplichting om de vreemdeling verblijf in Nederland toe te staan een afweging plaats van de belangen van de vreemdeling alsmede zijn gezinsleden tegen de algemene belangen. Daarbij wordt in ieder geval betrokken, voor zover thans van belang, of sprake is van een objectieve belemmering om het gezinsleven buiten Nederland uit te oefenen en of sprake is van bijzondere omstandigheden.

18. In paragraaf B2/10.2.3.4 van de Vc 2000 is uitgewerkt welke omstandigheden bij de belangenafweging een rol spelen en welk gewicht aan bepaalde omstandigheden wordt toegekend.

19. De rechtbank stelt voorop dat de wijze waarop verweerder in voornoemd beleid op dit onderdeel toepassing heeft gegeven aan artikel 8 van het EVRM in overeenstemming is met de vaste jurisprudentie van het EHRM op dit punt.

20. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich – mede met de ter zitting gegeven uiteenzetting ter zake – in het kader van bedoelde belangenafweging op goede gronden op het standpunt gesteld dat uit het recht op eerbiediging van het familie- of gezinsleven voor verweerder in het onderhavige geval geen positieve verplichting voortvloeit aan eiser verblijf in Nederland toe te staan.

21. Hiertoe overweegt de rechtbank allereerst dat gesteld noch gebleken is dat in casu sprake is van objectieve belemmeringen om het gezinsleven buiten Nederland voort te zetten. Voorts acht de rechtbank van grote betekenis dat eiser het gezinsleven met zijn partner is aangegaan terwijl zijn verblijfspositie volstrekt onzeker was, dan wel dat het eiser – nu hij zich van een valse identiteit en van valse documenten heeft bediend – volkomen duidelijk was dat zijn verblijfsvergunning op enig moment zou kunnen worden ingetrokken, althans hij daar ernstig rekening mee had moeten houden. Eiser heeft hiermee bewust het risico aanvaard dat het gezinsleven met zijn gezinsleden niet in Nederland kan worden uitgeoefend. Eiser heeft er dan ook niet van uit mogen gaan dat uitoefening van het gezinsleven in Nederland zonder meer zou worden toegestaan. Het betrof overigens eisers eigen keuze om in voormelde situatie van onzekerheid een gezinsleven aan te gaan. De rechtbank wijst er voorts op dat uit de jurisprudentie van het EHRM niet volgt dat artikel 8 van het EVRM zo ver strekt dat het de ontvangende staat verplicht om de domiciliekeuze van partners te respecteren en de partner zonder de nationaliteit van de ontvangende staat toe te staan zich in de ontvangende staat te vestigen. Het EVRM biedt geen garantie voor uitoefening van het gezinsleven in het land van voorkeur. Voor het oordeel dat uit de in dit verband aangevoerde omstandigheden en belangen van eiser, waaronder de omstandigheid dat hij twee in Nederland geboren kinderen heeft, voortvloeit dat op grond daarvan op verweerder een positieve verplichting rust om hem verblijf toe te staan, bestaat geen grond. De rechtbank verwijst in dit verband naar de arresten van het EHRM van 5 september 2000 in de zaak Solomon (JV 2000/263), van 11 april 2006 in de zaak Useinov (JV 2006/340, LJN: AY0528) en van 25 april 2007 in de zaak Konstantinov (JV 2007/251, LJN BA6629). De rechtbank is verder met verweerder van oordeel dat hoewel de partner en de kinderen van eiser de Nederlandse nationaliteit bezitten, dit niet betekent dat van hen niet verlangd kan worden dat zij het gezinsleven met eiser elders uitoefenen. De omstandigheid dat de oudste zoon schoolgaand is alsmede eisers stelling dat zijn kinderen geen banden hebben met het land van herkomst en dat zij de taal niet spreken, maakt dit niet anders en leidt niet tot het oordeel dat aan eiser daarom verblijf zou moeten worden toegestaan. Gelet op de zeer jeugdige leeftijd van eisers kinderen en de omstandigheid dat zij om die reden moeten worden geacht nog geen eigen identiteit te hebben ontwikkeld, kan het van hen gevergd worden eiser te volgen. De rechtbank onderschrijft voorts verweerders standpunt dat, anders dan eiser meent, zijn kinderen ondanks hun Nederlandse nationaliteit geacht worden, via (de nationaliteit van) hun vader, enige band te hebben met het land van herkomst van hun vader.

Bij het voorgaande acht de rechtbank tevens van belang dat eiser zich bediend heeft van een valse identiteit en valse documenten en op basis daarvan een verblijfsvergunning heeft verkregen waardoor hij in staat was gezinsleven hier te lande uit te oefenen, terwijl – zoals hiervoor reeds is overwogen – hem geen verblijfsvergunning zou zijn verleend indien dit bekend was geweest. Aan de omstandigheid dat eiser op grond van de hem ten onrechte verleende verblijfsvergunning in staat is geweest gezinsleven uit te oefenen met zijn partner en twee kinderen, kan bij de belangenafweging dan ook geen doorslaggevend gewicht worden toegekend. Hoewel eiser uit eigen beweging heeft aangegeven dat hij gebruik heeft gemaakt van een valse identiteit, staat het vast dat hij willens en wetens door gebruikmaking van een valse identiteit gedurende minimaal vijf jaar de Nederlandse overheid heeft misleid.

22. De rechtbank merkt overigens nog op dat niet gebleken is dat het uitoefenen van het gezinsleven hier te lande blijvend onmogelijk moet worden geacht, nu de gemachtigde van verweerder heeft aangegeven dat eiser verblijf bij zijn partner en kinderen kan verkrijgen indien hij aan de daartoe gestelde voorwaarden voldoet en zijn identiteit aantoont.

23. Gelet op al het voorgaande dient in dit geval aan het algemeen belang een doorslaggevende betekenis te worden toegekend en bestaat derhalve geen verplichting voor de Nederlandse Staat om verblijf hier te lande aan eiser toe te staan.

24. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank dan ook op goede gronden de aan eiser verleende verblijfsvergunning met terugwerkende kracht per 30 mei 2002 ingetrokken.

25. Ten aanzien van eisers beroep op bepalingen van Richtlijn 2003/86/EG van de Raad van de Europese Unie van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging, is de rechtbank van oordeel dat deze richtlijn, ingevolge artikel 3, derde lid, niet van toepassing is op gezinsleden van burgers van de Unie, zodat eiser geen beroep kan doen op bepalingen van deze richtlijn.

26. Het beroep is derhalve ongegrond.

27. Voor een veroordeling van één der partijen in de door de andere partij gemaakte kosten bestaat geen aanleiding.

28. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank,

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. E.H.M. Druijf als voorzitter en mr. A.B.M. Hent en mr. C.F.E. van Olden-Smit als leden in tegenwoordigheid van mr. D.S. Arjun Sharma als griffier en in het openbaar uitgesproken op 23 oktober 2008.