Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BF9953

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-07-2008
Datum publicatie
16-10-2008
Zaaknummer
641730/07-2024-
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

huurzaak, hennepkwekerij, deskundigenonderzoek

Hangt samen met LJ nrs BF9951 en BF9952

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

Sector kanton - locatie 's-Gravenhage

rolnr. 641730/07-2024

22 juli 2008

Vonnis in de zaak van:

de stichting Stichting Vestia Groep h.o.d.n. Vestia Den Haag Zuid-West,

gevestigd te Den Haag,

eiseres,

gemachtigde: mr R. de Mooij,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats]

gedaagde,

gemachtigde: mr. P.H.W. Spoelstra,

toevoegingsnummer: 3EP4163 d.d. 12 april 2007.

in navolging op het tussenvonnis in deze zaak gewezen op 18 september 2007 waarin de deskundige is verzocht om schriftelijk nader te rapporteren naar aanleiding van de kritiek op zijn eerdere rapport in de akte na deskundigenbericht met bijlage zijdens gedaagde en verzoekt de deskundige daarbij partijen te betrekken. Dit vonnis geldt als hier overgenomen.

Verdere procedure

Er is een aanvullend deskundigenrapport d.d. 16 mei 2008 uitgebracht. Daarna hebben partijen ieder nog een akte genomen. Tenslotte is vonnis bepaald op heden.

Verdere beoordeling

Ondanks het bevel/opdracht van de kantonrechter, gedaan in zijn vonnis van 1 mei 2007, waarin de deskundige werd benoemd en herhaald in het tussenvonnis, om partijen te betrekken bij zijn advies en over hun opmerkingen te rapporteren, is wederom niet gebleken dat partijen hun visie hebben kunnen uiten tegenover de deskundige. De deskundige heeft zijn rapporten ook niet op ordentelijke wijze ondertekend, zodat niet valt vast te stellen of hij het onderzoek zelf heeft verricht en het rapport zelf heeft ondertekend of dat dit door een medewerker van het ingenieursbureau, waar hij werkzaam is, onder zijn verantwoordelijkheid is geschied.

Nu het oordeel in het eerste rapport van de deskundige d.d. 11 juni 2007 gemotiveerd werd weersproken door het door gedaagde overgelegde rapport van 3 augustus 2007 van ir. R.P. van Dijk en het tweede rapport in strijd met de bevindingen van de “Rapportage Diefstal Energie” d.d. 5 januari 2007 en in afwijking van het eerste rapport, constateert dat er een uitbreiding van de elektrische installatie en bovendien op gevaarlijke wijze is aangebracht voorafgaand aan de meter van Eneco, terwijl uit de genoemde rapportage slechts blijkt van het manipuleren van de meter zelf, is dit tweede rapport niet deugdelijk. Zulks klemt temeer nu dit tweede rapport anders dan het eerste en wederom in strijd met de rapportage van Eneco vermeldt, dat door de medewerkers van Eneco de onveiligheid van de aangetroffen elektrische installatie is geconstateerd en dat daarbij een kabelhaspel werd gebruikt. Door Eneco is in hun rapportage niet over de veiligheid van de aangetroffen elektrische installatie gesproken; het rapport is gericht op diefstal van elektriciteit. De aanwezigheid van de kabelhaspel is bij het bezoek van de deskundige geconstateerd, derhalve ongeveer een half jaar na het ontdekken van de hennepkwekerij en de daarbij horende elektrische installatie. De conclusie dat deze derhalve is gebruikt ten behoeve van die kwekerij kan daarom niet worden getrokken.

Kortom het rapport is niet deugdelijk tot stand gekomen en is inhoudelijk ook niet juist. Mitsdien kan het niet de vraag beantwoorden, die aan de deskundige is gesteld en dient de conclusie uit de deskundigenrapporten, maar met name uit de weerlegging van gedaagde daarvan te zijn, dat het aanvankelijk vermoeden van de kantonrechter, dat gedaagde gevaarzettend heeft gehandeld bij het aanleggen en/of gebruik van de elektrische installatie voor de hennepkwekerij, nu verder van enig gevaar niet, althans onvoldoende, is gebleken, niet kan worden gehandhaafd. Immers valt niet uit te sluiten dat gedaagde gewoonweg redelijk zorgvuldig te werk is gegaan, zoals hij stelt, voorzover het de veiligheid betreft van de door hem aangebrachte elektrische installatie.

Omdat de zaak inmiddels lang genoeg geduurd heeft en ook een andere deskundige de elektrische installatie, die destijds begin januari 2007 is aangetroffen, maar inmiddels blijkt te zijn verwijderd, niet meer zal aantreffen en dus zal moeten uitgaan van hypotheses, is het benoemen van een andere deskundige niet zinvol.

Het vorenstaande brengt met zich dat ten aanzien van eiseresses stelling dat gedaagde tekort is geschoten in het nakomen van zijn verplichtingen als huurder, slechts resteert het tekortkomen van gedaagde met betrekking tot de bestemming van de woning en de gestelde beschadigingen daaraan. Omdat gedaagde echter in de woning is blijven wonen, gaat het hier om slechts een beperkte schending van deze verplichting en kan mede gezien de omstandigheden, waaronder deze schending is begaan, waaronder een huurovereenkomst van lange duur zonder eerdere noemenswaardige tekortkomingen van de huurder en nu vaststaat dat de beschadigingen aan de woning gering zijn, niet gezegd worden dat de wanprestatie van gedaagde ernstig genoeg is om de huurovereenkomst te ontbinden en het gehuurde te ontruimen. Mitsdien zal de vordering worden afgewezen.

Eiseres zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

Beslissing

De kantonrechter,

Wijst de vordering af;

Veroordeelt eiseres in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van gedaagde begroot op in totaal € 4.447,72, waarvan € 600,- aan salaris gemachtigde en € 3.847,72 (incl. BTW) voor de kosten van de deskundige. Dit bedrag te voldoen aan de griffier van de sector kanton, met welk bedrag de griffier zal dienen te handelen overeenkomstig het bepaalde in art. 243 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. R.J. ter Kuile en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 juli 2008.