Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BF9857

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
09-09-2008
Datum publicatie
16-10-2008
Zaaknummer
300133
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

gefaseerde afbouw alimentatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector familie- en jeugdrecht

Enkelvoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 07-7296

Zaaknummer: 300133

Datum beschikking: 09 september 2008

Alimentatie

Beschikking op het op 4 december 2007 ingekomen verzoek van:

[de man]

wonende te [plaats]

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. T.K. Dik.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vrouw]

wonende te [plaats]

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. M.H.J. Toxopeus.

Procedure

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift;

- het verweerschrift tevens verzoekschrift;

- het verweer tegen het zelfstandig verzoek;

- de brief d.d. 30 juni 2008 van de zijde van de vrouw met bijlagen,

- de brief d.d. 25 juli 2008 van de zijde van de man met bijlagen.

Op 12 augustus 2008 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: partijen bijgestaan door hun advocaten. Van de zijde van de man en de vrouw zijn pleitnotities overgelegd.

Feiten

Partijen zijn gehuwd geweest van 1 juni 1971 tot 21 januari 1992.

Uit het huwelijk zijn drie thans meerderjarige kinderen geboren.

Bij vonnis van deze rechtbank d.d. 10 december 1991 is – voor zover hier van belang – de man veroordeeld om van de dag dat het vonnis van echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand tegen kwijting aan de vrouw tot haar levensonderhoud uit te keren een bedrag van Hfl. 1.100,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

Als gevolg van de wettelijke indexering ingevolge artikel 1:402a van het Burgerlijk Wetboek bedraagt de door de man te betalen uitkering tot het levensonderhoud van de vrouw thans € 718,73 per maand.

Verzoek, grondslag en verweer

Het verzoek van de man luidt – met wijziging van voornoemd vonnis – met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift, subsidiair met ingang van de datum van deze beschikking, de uitkering tot levensonderhoud voor de vrouw te beëindigen, een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad. De man stelt als grond voor dit verzoek dat zijn alimentatieverplichting jegens de vrouw dient te worden beëindigd, nu hij hieraan thans gedurende een periode van meer dan vijftien jaar heeft voldaan.

De vrouw voert gemotiveerd verweer en verzoekt het verzoek van de man af te wijzen, hetzij door hem in zijn verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren, hetzij door hem die verzoeken te ontzeggen. Tevens heeft de vrouw zelfstandig verzocht te bepalen dat de alimentatieplicht van de man wordt verlengd tot 26 april 2014, zijnde de datum waarop de vrouw 65 jaar oud wordt, met de mogelijkheid om alsdan verdere verlenging te vragen, een en ander kosten rechtens en met uitvoerbaarverklaring bij voorraad. De vrouw stelt daartoe dat beëindiging van de partneralimentatie naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van haar kan worden gevergd.

De man voert gemotiveerd verweer tegen het zelfstandig verzoek van de vrouw en verzoekt het verzoek van de vrouw af te wijzen en subsidiair een afbouwregeling tot stand te brengen voor de komende twee jaar, althans een redelijke afbouwregeling, voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.

Beoordeling

Ingevolge artikel II, lid 2, van de overgangsregeling bij de Wet Limitering Alimentatie (WLA) beëindigt de rechter op verzoek van degene, die op grond van een vóór de inwerkingtreding van de WLA op 1 juli 1994 gewezen rechterlijke uitspraak verplicht is een uitkering tot levensonderhoud te verstrekken, deze verplichting, indien deze op of na dat tijdstip vijftien of meer jaren heeft geduurd, tenzij hij van oordeel is dat beëindiging van de uitkering van zo ingrijpende aard is dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid van de alimentatiegerechtigde niet kan worden gevergd. In dat geval stelt de rechter op verzoek van de alimentatiegerechtigde alsnog een termijn vast.

Uit de overgelegde stukken volgt dat de alimentatieverplichting van de man op 21 januari 1992 – de datum van inschrijving van het echtscheidingsvonnis in de registers van de burgerlijke stand – is ingegaan. Deze alimentatieverplichting heeft op 21 januari 2007 vijftien jaren voortgeduurd en is derhalve vanaf deze datum voor limitering vatbaar. De man kan derhalve worden ontvangen in zijn verzoek.

Nu de vrouw zich heeft verweerd, dient getoetst te worden of beëindiging van de partneralimentatie voor de vrouw ingrijpend is. Het inkomen van de vrouw, uitgaande van het gemiddelde inkomen uit arbeid over de maanden maart tot en met mei 2008, zal in geval van beëindiging van de partneralimentatie van € 1.832,- bruto per maand, terugvallen naar

€ 1.113,- bruto per maand. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat een beëindiging van de uitkering tot levensonderhoud van de vrouw ingrijpend is voor haar, hetgeen de man erkent.

Vervolgens dient de rechtbank te beoordelen of beëindiging van de uitkering van zo ingrijpende aard is dat dit naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de vrouw kan worden gevergd. Hiertoe dienen alle relevante omstandigheden in aanmerking te worden genomen, zowel aan de zijde van de man als aan de zijde van de vrouw.

Vast staat dat de vrouw tijdens het huwelijk, dat twintig jaar heeft geduurd, niet heeft gewerkt en ook na het huwelijk de zorg voor de kinderen heeft gehad. Voorts staat vast dat de vrouw er in is geslaagd zich na het huwelijk een werkkring te verwerven voor 10 uur per week, hetgeen later is uitgebreid naar 20 uur per week. In geschil is of het op de weg van de vrouw had gelegen haar werkzaamheden nog verder uit te breiden en of zij zich daarvoor voldoende heeft ingespannen. De man stelt dat de vrouw de mogelijkheid had in de afgelopen jaren in haar eigen levensonderhoud te voorzien door haar werkzaamheden uit te breiden dan wel na het huwelijk een opleiding te volgen om zo haar kansen op de arbeidsmarkt te vergroten. Voorts meent de man dat niet is gebleken dat de vrouw pogingen heeft ondernomen haar werkzaamheden uit te breiden. De vrouw betwist dat zij haar werkzaamheden kon uitbreiden en stelt dat zij bij haar werkgever om uitbreiding van het aantal uren heeft verzocht, doch dat zulks niet mogelijk was. De rechtbank is van oordeel dat van de vrouw in redelijkheid niet kon worden gevergd dat zij full time zou gaan werken, gegeven de mate waarin het huwelijk en de zorg voor de minderjarigen haar verdiencapaciteit negatief hebben beïnvloed. De rechtbank is echter ook van oordeel dat de vrouw tegenover de gemotiveerde betwisting van de man onvoldoende heeft onderbouwd dat zij pogingen heeft ondernomen haar werkzaamheden bij haar huidige werkgever dan wel bij een andere werkgever uit te breiden naar bijvoorbeeld 30 uur per week.

De rechtbank neemt voorts in aanmerking dat de man sinds september 2007 grote fysieke problemen heeft en dat hij daarom graag minder zou gaan werken, hetgeen voor hem door zijn onderhoudsverplichting jegens de vrouw thans niet mogelijk is.

De rechtbank is alle omstandigheden tegen elkaar afwegend van oordeel dat beëindiging ineens nu zo ingrijpend zou zijn voor de vrouw dat dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de vrouw kan worden gevergd. De rechtbank ziet wel aanleiding voor een gefaseerde afbouw van de alimentatie. De rechtbank gaat daarbij voorbij aan de stelling van de vrouw dat de man niet eerst ter terechtzitting een behoefteverweer mocht voeren, nu de rechtbank blijkens het vorenstaande rekening dient te houden met alle omstandigheden van het geval, waaronder tevens de behoefte van de vrouw.

Omdat de vrouw een behoefteoverzicht heeft overgelegd, waaruit volgens de man een lagere behoefte van de vrouw blijkt dan de bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud die zij thans van de man ontvangt, zal de rechtbank hierna de behoefte van de vrouw bespreken. De rechtbank begroot de minimale behoefte van de vrouw aan de hand van het door haar overgelegde behoefteoverzicht op € 1.161,- netto per maand, bestaande uit de bijstandsnorm voor een alleenstaande ad € 891,- per maand, huur ad € 448,- per maand minus € 202,- per maand gemiddelde basishuur, alsmede premie Zorgverzekeringswet ad € 109,- per maand minus het in de bijstandsnorm begrepen nominale deel ad € 54,- per maand en minus de zorgtoeslag ad € 31,- per maand. Uit de overgelegde salarisspecificaties van maart tot en met mei 2008 blijkt dat de vrouw gemiddeld € 1.113,- bruto per maand verdient. Inclusief vakantiegeld en gelet op de fiscale gevolgen bedraagt de minimale behoefte van de vrouw aan een bijdrage van de man in haar levensonderhoud € 130,- bruto per maand.

De rechtbank ziet onder deze omstandigheden aanleiding voor een gefaseerde afbouw van de alimentatie gedurende vier jaar tot haar minimale behoefte. De rechtbank zal daarbij bepalen dat de alimentatieverplichting van de man definitief zal eindigen op 1 oktober 2013, het moment dat de man 65 jaar wordt, nu onweersproken is gebleven dat de vrouw met ingang van die datum aanspraak kan maken op een deel van het pensioen van de man. Gelet hierop, zal de rechtbank de alimentatie jaarlijks verlagen en de wettelijke indexering uitsluiten.

De rechtbank zal de onderhoudsbijdrage met ingang van:

- 1 januari 2009 vaststellen op € 550,- per maand;

- 1 januari 2010 vaststellen op € 400,- per maand;

- 1 januari 2011 vaststellen op € 250,- per maand;

- 1 januari 2012 vaststellen op € 130,- per maand,

en bepalen dat deze met ingang van 1 oktober 2013 zal worden beëindigd.

Gelet op het feit dat partijen ex-echtgenoten zijn, ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten te compenseren als hierna vermeld.

Beslissing met wijziging in zoverre van het vonnis d.d. 10 december 1991:

De rechtbank:

bepaalt de door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw met ingang van:

1 januari 2009 op € 550,- per maand;

1 januari 2010 op € 400,- per maand;

1 januari 2011 op € 250 per maand;

1 januari 2012 op € 130,- per maand;

sluit op de hiervoor vastgestelde bedragen de jaarlijkse wettelijke indexering uit;

bepaalt dat de verplichting van de man tot betaling van een uitkering tot levensonderhoud aan de vrouw eindigt met ingang van 1 oktober 2013;

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. S.J. Hoekstra - van Vliet in tegenwoordigheid van mr. M.A.C. Herweijer als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 september 2008