Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BF9639

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-08-2008
Datum publicatie
16-10-2008
Zaaknummer
310375 (I) en 311666 (II) / JE RK 08-1089 (I) en 08-1274 (II)
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector familie- en jeugdrecht

Meervoudige kamer

Zaak/rekestnummers: 310375 (I) en 311666 (II) / JE RK 08-1089 (I) en 08-1274 (II)

Datum uitspraak: 5 augustus 2008

Ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing

Beschikking op het verzoekschrift van de Raad voor de Kinderbescherming, regio Haaglanden en Zuid-Holland Noord, locatie Den Haag (hierna: de Raad).

Het verzoekschrift heeft betrekking op de minderjarige:

[minderjarige]

geboren op [datum] 2008 te [plaats],

kind uit het huwelijk van:

[de vader]

en

[de moeder]

beiden wonende te [adres]

die gezamenlijk het ouderlijk gezag uitoefenen.

De minderjarige verblijft feitelijk in een crisispleeggezin.

Procesgang

- Bij (mondelinge) beschikking d.d. 6 mei 2008 (I) heeft de kinderrechter in deze rechtbank, na een telefonisch verzoek van de Raad, de minderjarige voorlopig onder toezicht gesteld van de Stichting Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland, vestiging Zuid-Holland Midden (verder: Bureau Jeugdzorg) en Bureau Jeugdzorg gemachtigd de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor crisisopvang met ingang van 6 mei 2008 tot 8 mei 2008.

- Bij beschikking d.d. 7 mei 2008 (I) heeft de kinderrechter – na schriftelijke bevestiging van het verzoek tot voorlopige ondertoezichtstelling door de Raad – de voorlopige ondertoezichtstelling, alsmede de machtiging tot uithuisplaatsing betreffende de minderjarige, verlengd van 8 mei 2008 tot 21 mei 2008; de behandeling van het verzoek werd voor het overige aangehouden tot de terechtzitting van 20 mei 2008.

- Bij beschikking d.d. 20 mei 2008 (I) heeft de kinderrechter het verzoek betreffende de machtiging tot uithuisplaatsing afgewezen, de voorlopige ondertoezichtstelling van de minderjarige verlengd van 21 mei 2008 tot 6 augustus 2008 en het verzoek tot ondertoezichtstelling voor het overige aangehouden tot de terechtzitting van 5 augustus 2008.

- Bij beschikking d.d. 23 mei 2008 (II) heeft de kinderrechter op verzoek van Bureau Jeugdzorg d.d. 23 mei 2008, Bureau Jeugdzorg opnieuw (met spoed) gemachtigd de minderjarige dag en nacht uit huis te plaatsen in een crisispleeggezin van 23 mei 2008 tot 4 juni 2008 en het verzoek voor het overige aangehouden tot de terechtzitting van de meervoudige kamer van de rechtbank op 3 juni 2008.

- Bij beschikking d.d. 3 juni 2008 (II) heeft de meervoudige kamer van de rechtbank Bureau Jeugdzorg (voorlopig) gemachtigd de minderjarige dag en nacht uit huis te plaatsen in een (crisis)pleeggezin van 4 juni 2008 tot 6 augustus 2008 en het verzoek voor het overige aangehouden tot de terechtzitting van 5 augustus 2008.

Bij laatstgenoemde beschikking heeft de rechtbank overwogen dat het van belang is op korte termijn meer objectieve duidelijkheid te krijgen over het al dan niet lijden van de minderjarige aan de aandoening osteogenesis imperfecta. Nu gebleken was dat daartoe alsnog een medisch onderzoek in de vorm van het maken van een kweek zou worden verricht, heeft de rechtbank de Raad verzocht het verslag van genoemd onderzoek in het geding te brengen.

De kinderrechter heeft wederom kennis genomen van de stukken, waaronder thans ook:

- het rapport van de Raad d.d. 31 juli 2008, kenmerk SK-1-1XVGFL, en daaraan voorafgaand het concept-raadsrapport d.d. 24 juli 2008;

- de faxbrief d.d. 30 juli 2008 van Bureau Jeugdzorg met als bijlage een brief d.d. 28 juli 2008 van het Universitair Medisch Centrum Utrecht (UMCU);

- de brief d.d. 5 augustus 2008 van de Raad.

De (gevoegde) behandeling ter terechtzitting is op 5 augustus 2008 voortgezet.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

- mevrouw I. Simons en mevrouw R.J. Soe-Agnie namens de Raad;

- mevrouw A. Leijdens, de heer J. Pappers en mevrouw C.H. Blaauw-Witteveen (vertrouwensarts) namens Bureau Jeugdzorg;

- de ouders, bijgestaan door hun advocaat, mr. I.L. Kortenhoff en door de arts

dr. A.J.T.M. Garretsen (als informant);

- de bijzonder curator van de minderjarige, mr. E.J.P. Nolet.

Beoordeling

De rechtbank handhaaft al hetgeen in voornoemde beschikkingen is overwogen en beslist, voor zover daarvan in het hierna volgende niet wordt afgeweken.

De Raad verzoekt de rechtbank, op basis van het raadsonderzoek, de ondertoezichtstelling van de minderjarige voor de duur van één jaar uit te spreken en de machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van de ondertoezichtstelling te verlenen. Ter onderbouwing van deze verzoeken voert de Raad aan dat de maatregelen onder meer nodig zijn om – in samenwerking met de Waag – een veiligheidsplan op te stellen en een veilige opvoedingssituatie te creëren teneinde te voorkomen dat een zelfde situatie rondom het letsel van de minderjarige zich herhaalt. Hoewel niet met honderd procent zekerheid valt te zeggen wat er precies is voorgevallen, zijn er immers sterke vermoedens dat er sprake is geweest van kindermishandeling; de ernst van het letsel acht de Raad daarbij zwaarwegend. De uitkomst van de strafzaak tegen de ouders als gevolg van een aangifte door Bureau Jeugdzorg is thans nog onduidelijk; afronding van het proces-verbaal wordt in oktober/november 2008 verwacht. De Raad voert evenwel aan dat wat de uitkomst van de strafzaak ook zal zijn, het in het belang van de minderjarige wordt geacht dat deze terugkeert naar de ouders, mits aan de gestelde voorwaarden is voldaan. De Raad beschouwt de ouders op zichzelf namelijk als adequate opvoeders, hetgeen zich onder meer uit in het feit dat de Raad ten aanzien van de opvoeding van het oudere zusje van [de minderjarige], [zusje], geen zorgwekkende signalen waarneemt. Daarnaast acht de Raad het, gelet op het hechtingsproces van [de minderjarige], van belang dat zij zo snel mogelijk thuisgeplaatst wordt.

Van de zijde van Bureau Jeugdzorg wordt aangevoerd dat zij achter het verzoek van de Raad staan. Voor Bureau Jeugdzorg staat vast dat op basis van de eerder in deze procedure besproken medische verklaringen – en ook de verklaring van het UMCU d.d. 28 juli 2008 – er sprake is van een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid dat de minderjarige is mishandeld en dat het letsel is ontstaan op het moment dat de ouders de zorg hadden voor [de minderjarige]. Het grootste probleem voor Bureau Jeugdzorg vormt daarbij het feit dat de mishandeling door de ouders wordt ontkend, hetgeen een complicerende factor oplevert voor het opstellen van een veiligheidsplan. Bureau Jeugdzorg is het evenwel eens met de Raad dat de ouders op zichzelf moeten worden aangemerkt als adequate opvoeders, zodat ook zij van mening zijn dat [de minderjarige] zo snel mogelijk moet worden teruggeplaatst. Ter zitting hebben zij verklaard dat er op 25 augustus 2008 een intake gesprek zal plaatsvinden bij De Waag, waarna het veiligheidsplan zal worden opgesteld. De totale behandeling zal in beginsel een jaar duren, maar als de doelen eerder gehaald worden, zal [de minderjarige] zo mogelijk eerder worden teruggeplaatst.

Voorts is Bureau Jeugdzorg van mening dat de op instigatie van het AMK gedane aangifte van mishandeling van [de minderjarige] door de ouders geen belemmering behoeft te vormen voor een constructieve relatie tussen de gezinsvoogd en de ouders.

Van de zijde van de ouders wordt geen verweer gevoerd tegen het verzoek tot ondertoezichtstelling. Zij zijn het echter niet eens met het verzoek tot uithuisplaatsing. Daargelaten dat zij van mening zijn dat nog steeds niet is uitgesloten dat er sprake kan zijn van osteogenesis imperfecta, weerspreken zij niet dat er iets moet zijn gebeurd; zij ontkennen echter stellig dat zij daarin een rol hebben gespeeld. Zij zijn evenwel bereid alle medewerking te geven die nodig is voor de terugplaatsing van [de minderjarige]. Voor de ontwikkeling van [de minderjarige] vinden zij het van belang dat zij zo spoedig mogelijk naar huis komt. Zij verzoeken de rechtbank in de beschikking uitdrukkelijk een tijdpad voor de thuisplaatsing op te nemen omdat zij vrezen dat het anders veel te lang gaat duren.

De bijzonder curator heeft verklaard het in het belang van de minderjarige te achten dat zij zo spoedig mogelijk, doch in ieder geval vóór 1 januari 2009, terugkeert naar haar ouders. Voor zover de ouders al enig aandeel hebben gehad in het letsel van [de minderjarige], werkt hetgeen zij tot nu toe hebben meegemaakt waarschijnlijk reeds zo preventief dat het niet snel weer zal gebeuren, aldus de bijzonder curator. Daarbij acht de bijzonder curator de schuldvraag in de gegeven omstandigheden van beduidend minder belang dan het feit dat het hechtingsproces van [de minderjarige] gevaar loopt.

Voorts heeft de bijzonder curator verklaard dat het feit dat Bureau Jeugdzorg aangifte heeft gedaan van mishandeling door de ouders, niet bevorderlijk is voor een werkbare relatie tussen de gezinsvoogd en de ouders.

De rechtbank overweegt als volgt.

Gelet op hetgeen uit het dossier en ter terechtzitting naar voren is gekomen, acht de rechtbank de in artikel 1:254 lid 1 Burgerlijk Wetboek genoemde gronden voor de ondertoezichtstelling aanwezig, zodat zij het daartoe strekkende verzoek van de Raad zal toewijzen.

Ten aanzien van de verzochte machtiging uithuisplaatsing is de rechtbank, gelet op hetgeen uit het dossier en ter terechtzitting naar voren is gekomen, van oordeel dat de in artikel 1:261 lid 1 Burgerlijk Wetboek genoemde gronden voor een machtiging tot uithuisplaatsing aanwezig zijn. Blijkens voornoemde brief van het UMCU is besloten om geen kweek te verrichten aangezien de betrokken medisch specialisten na een anamnese en lichamelijk onderzoek de kans dat [de minderjarige] aan een (milde) vorm van osteogenesis imperfecta lijdt, zeer klein achten. Deze conclusie draagt bij aan het vermoeden dat er sprake moet zijn geweest van mishandeling. De rechtbank overweegt dat de onduidelijkheden omtrent de oorzaak van het lichamelijk letsel van [de minderjarige] in de gegeven omstandigheden voldoende aanleiding vormen voor de conclusie dat sprake is van een bedreigende situatie. De rechtbank is met de Raad en Bureau Jeugdzorg van oordeel dat er eerst voldoende waarborgen moeten zijn voordat de minderjarige naar huis kan terugkeren. Nu voor de rechtbank evenwel vaststaat dat – spoedige – terugplaatsing in het belang van de minderjarige moet worden geacht, gaat zij er vanuit dat de Raad en Bureau Jeugdzorg voortvarend te werk zullen gaan waar het deze terugplaatsing betreft, zulks mede met het oog op het risico van hechtingsproblemen voor de minderjarige. Gelet daarop zal de rechtbank de uithuisplaatsing voor een kortere duur uitspreken dan verzocht, te weten voor de duur van drie maanden, en de behandeling van het verzoek voor het overige aanhouden tot na te melden terechtzitting.

Indien en voor zover de minderjarige binnen drie maanden is teruggeplaatst bij de ouders, behoeft het verzoek geen behandeling meer en gaat de rechtbank er vanuit dat de Raad het verzoek in zoverre zal intrekken. Voor zover de terugplaatsing tegen die tijd nog niet is gerealiseerd, verzoekt de rechtbank de Raad zich uiterlijk één week voor na te noemen datum uit te laten over de stand van zaken omtrent het veiligheidsplan – en als er nog geen veiligheidsplan is wat daarvoor de redenen zijn – en wat op dat moment nog eventuele belemmerende factoren zijn voor terugplaatsing.

Beslissing

De rechtbank:

stelt de minderjarige van 6 augustus 2008 tot 6 mei 2009 onder toezicht van de Stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden Zuid-Holland, zijnde een stichting zoals bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg;

en

machtigt de Stichting Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen van 6 augustus 2008 tot 19 november 2008, zulks ter effectuering van het aangehechte indicatiebesluit d.d. 1 augustus 2008;

verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

houdt de behandeling van het verzoek betreffende de machtiging tot uithuisplaatsing voor het overige aan tot de terechtzitting van 18 november 2008 te 10.50 uur;

de Raad voor de Kinderbescherming, Bureau Jeugdzorg, de bijzonder curator, de ouders en hun advocaat zijn aangezegd om op vermelde zitting te verschijnen;

verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming uiterlijk één week voor voormelde zitting rapport en advies uit te brengen conform hetgeen overwogen is in het lichaam van deze beschikking.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.M.J. Keltjens, E.C. Koekman en

S.K.A. Efstratiades, kinderrechters, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van

5 augustus 2008, in tegenwoordigheid van mr. B. Laterveer als griffier.

Van deze beschikking kan hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de uitspraak door indiening van een beroepschrift ter griffie van het Gerechtshof te ’s-Gravenhage