Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BF9079

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
06-10-2008
Datum publicatie
15-10-2008
Zaaknummer
AWB 08/4229 08/4230 06/38209
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Algerije / art 1(F) Vluchtelingenverdrag / ongewenstverklaring / duurzaam verzet 3 EVRM tegen uitzetting / 8 EVRM / private life

Eiser is tot ongewenst vreemdeling verklaard. Vastgesteld wordt dat eiser geen verblijfstitel is verleend wegens de tegenwerping van artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag, maar dat hij, zoals door verweerder is erkend, evenmin kan worden uitgezet in verband met artikel 3 EVRM. De vraag of eisers ongewenstverklaring onder deze omstandigheden proportioneel is te achten, beantwoordt de rechtbank ontkennend. Daartoe wordt als volgt overwogen.

Met betrekking tot de te wegen belangen stelt de rechtbank voorop dat, hoewel internationale belangen mogelijk gebaat zijn bij de ongewenstverklaring, de waarde die aan deze belangen kan worden toegekend moet worden gerelativeerd. Immers, nu eiser door de toepasselijkheid van artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag in zijn asielprocedure een verblijfsvergunning is onthouden, staat hij reeds als zogenaamde ‘1F-er’ gesignaleerd in het zogenaamde Schengeninformatie-systeem. De toegevoegde waarde van een ongewenstverklaring is met name gelegen in het uitoefenen van druk op de betrokkene om Nederland uit eigen beweging te verlaten. Dit belang speelt in een geval als het onderhavige, waarin niet in geschil is dat eiser niet uit Nederland kan vertrekken, omdat hij niet kan terugkeren naar Algerije en hij aantoonbaar geen verblijf kan verkrijgen in de landen van eerder verblijf, geen rol. Aan de zijde van eiser spelen echter zwaarwegende belangen. Als gevolg van zijn ongewenstverklaring staat hij immers doorlopend bloot aan strafvervolging. Het door verweerder in dit verband ingenomen standpunt, dat het aan het OM en de strafrechter is om te oordelen over de verhouding tussen de strafrechtelijke consequenties van eisers ongewenstverklaring en de omstandigheid dat hij niet naar Algerije zal worden uitgezet, deelt de rechtbank niet. De beoordeling van zaken, zoals de onderhavige waarin sprake is van een onmogelijkheid om het land te verlaten gelet op het bepaalde in artikel 3 van het EVRM, is zodanig complex dat deze zich niet leent voor de enkelvoudige afdoening bij de strafrechter, die niet is gespecialiseerd in vraagstukken omtrent artikel 3 van het EVRM en veelal direct mondeling uitspraak doet. Het betreft een vreemdelingrechtelijk uitzetbeletsel dat dient te worden beoordeeld door de rechter die op dit gebied deskundig is. Gelet hierop lenen zaken, waarin een oordeel moet worden gegeven over de verhouding tussen de strafrechtelijke gevolgen van een vreemdelingenrechtelijke ongewenstverklaring en de omstandigheid dat de vreemdeling in kwestie niet naar zijn land van herkomst kan worden uitgezet, zich naar het oordeel van de rechtbank niet voor afdoening door het OM en de strafrechter. Gelet hierop heeft verweerder niet in redelijkheid kunnen besluiten over te gaan tot ongewenstverklaring. Beroep gegrond, vernietiging van het bestreden besluit en met toepassing van artikel 8:72 lid 4 Awb gegrondverklaring van het bezwaar en herroeping van het besluit in primo.

Ten aanzien van het beroep op artikel 3 EVRM in de asielprocedure oordeelt de rechtbank dat, ondanks het feit dat artikel 3 EVRM zich duurzaam verzet tegen eisers terugkeer naar het land van herkomst en eiser ook niet naar een ander land kan vertrekken, de door eiser aangevoerde omstandigheden onvoldoende bijzonder zijn om te oordelen dat het onthouden van een vergunning disproportioneel is. Eiser heeft zich beroepen op het in artikel 8 EVRM verankerde recht op ‘private life’, nu hij niet in staat is deel te nemen aan de arbeidsmarkt en geen beroep kan doen op reguliere medische voorzieningen. Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze consequenties niet bijzonder, maar het voorzienbare en gewenste gevolg van artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag en reeds om die reden proportioneel. Beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 67
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2008/464
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

meervoudige kamer vreemdelingenzaken

voorzieningenrechter

Uitspraak

artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nrs.: AWB 08/4229 (beroep ongewenstverklaring) inzake [eiser]

AWB 08/4230 (voorlopige voorziening)

AWB 06/38209 (beroep asiel)

V-nr.: 270.290.8401

inzake: [eiser], geboren op [1968], van Algerijnse nationaliteit, eiser c.q. verzoeker, (hierna: eiser),

gemachtigde: mr. A.M. van Eik, advocaat te Amsterdam,

tegen: de staatssecretaris van Justitie, voorheen de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder,

gemachtigde: mr. J.M. Siedler, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.

I. PROCESVERLOOP

1. Op 3 december 2003 heeft eiser een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Bij besluit van 12 februari 2004 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Het tegen dit besluit door eiser ingestelde beroep is bij uitspraak van 10 november 2005 (AWB 04/7175 BEPTDN) door deze rechtbank en zittingsplaats gegrond verklaard. Bij besluit van 11 juli 2006 heeft verweerder eisers aanvraag wederom afgewezen. Hiertegen heeft eiser op 7 augustus 2006 beroep ingesteld bij de rechtbank.

2. Vervolgens is eiser bij besluit van 9 februari 2007 op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000 tot ongewenst vreemdeling verklaard. Het tegen dit besluit door eiser gemaakte bezwaar is bij besluit van 15 januari 2008 ongegrond verklaard. Hiertegen heeft eiser op

5 februari 2008 beroep ingesteld bij de rechtbank. Op diezelfde datum heeft eiser tevens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening.

3. De behandeling ter zitting van beide beroepen en de voorlopige voorziening hebben in aanwezigheid van eisers gemachtigde en verweerders gemachtigde plaatsgevonden op 14 augustus 2008.

II. OVERWEGINGEN

1. De rechtbank ziet zich allereerst gesteld voor de vraag of eiser, gelet op diens ongewenstverklaring, belang heeft bij de beoordeling van zijn beroep tegen verweerders weigering om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen. In dit verband verwijst de rechtbank naar onder meer de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) van 6 juli 2006 (200510434/1, JV 2006/347). Daarin is overwogen dat een vreemdeling, zolang hij ongewenst is verklaard, bij de beoordeling van een beroep tegen een besluit op een aanvraag tot verlening of verlenging van een verblijfsvergunning, dan wel intrekking daarvan, geen belang heeft, omdat dit nimmer tot rechtmatig verblijf kan leiden. Een ongewenst verklaarde vreemdeling kan in afwijking van artikel 8 van de Vw 2000 immers geen rechtmatig verblijf hebben. Belang bij toetsing in rechte van een afwijzing van een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning is bij samenloop daarvan met een besluit, waarbij een vreemdeling ongewenst is verklaard, eerst aan de orde, indien dat laatste besluit wordt herroepen of ingetrokken, dan wel de ongewenstverklaring wordt opgeheven.

2. Gelet hierop zal de rechtbank eerst het besluit van 15 januari 2008, waarin eisers ongewenstverklaring door verweerder is gehandhaafd, bespreken en daarna ingaan op de vraag of eiser nog belang heeft bij een beoordeling van het beroep in zijn asielprocedure. De beoordeling van eisers verzoek om een voorlopige voorziening zal aan bod komen in rechtsoverwegingen II.6.1 en II.6.2.

Ten aanzien van het beroep inzake de ongewenstverklaring

3.1 In dit kader is allereerst aan de orde de vraag of verweerder de door hem - in eisers asielprocedure - aangenomen omstandigheid, dat eiser verantwoordelijk kan worden gehouden voor misdrijven als bedoeld in artikel 1(F) van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen van Genève van 28 juli 1951, zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 31 januari 1967 (het Vluchtelingenverdrag), aan de onderhavige ongewenstverklaring ten grondslag heeft kunnen leggen. Verweerder heeft wat dit betreft in het bestreden besluit van 15 januari 2008 verwezen naar het in eisers asielprocedure uitgebrachte voornemen van 4 april 2006 en het besluit in primo van 11 juli 2006. Deze processtukken zullen derhalve bij de hieronder volgende beoordeling van het besluit van 15 januari 2008 worden betrokken. De rechtbank overweegt omtrent de tegenwerping van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag als volgt.

3.2 Ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, gelezen in samenhang met artikel 1, aanhef en onder l, van de Vw 2000, kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000, worden verleend aan de vreemdeling die vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag en op wie de bepalingen ervan van toepassing zijn.

3.3 Ingevolge artikel 1(A), onder 2, van het Vluchtelingenverdrag geldt voor de toepassing van dit verdrag als ‘vluchteling’ elke persoon die uit gegronde vrees voor vervolging wegens zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging, zich bevindt buiten het land waarvan hij de nationaliteit bezit, en die de bescherming van dat land niet kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil inroepen.

3.4 Ingevolge artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag zijn de bepalingen van dit verdrag niet van toepassing op een persoon ten aanzien van wie er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat:

a. hij een misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid heeft begaan, zoals omschreven in de internationale overeenkomsten welke zijn opgesteld om bepalingen met betrekking tot deze misdrijven in het leven te roepen;

b. hij een ernstig, niet-politiek misdrijf heeft begaan buiten het land van toevlucht, voordat hij tot dit land als vluchteling is toegelaten;

c. hij zich schuldig heeft gemaakt aan handelingen welke in strijd zijn met de doelstellingen en beginselen van de Verenigde Naties.

3.5 Volgens paragraaf C4/3.11.3.3 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000 is het aan verweerder om aan te tonen dat er ‘ernstige redenen’ zijn om te veronderstellen dat een vreemdeling onder de criteria van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag valt. Teneinde te bepalen of de betrokken vreemdeling individueel verantwoordelijk dient te worden gehouden voor handelingen, als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag, wordt de ‘personal and knowing participation test’ toegepast. Beoordeeld wordt of ten aanzien van de betrokken vreemdeling kan worden aangenomen dat hij weet heeft gehad of had behoren te hebben van het plegen van het misdrijf/de betreffende misdrijven (‘knowing participation’) én of hij op enige wijze hieraan persoonlijk heeft deelgenomen (‘personal participation’). Indien hiervan sprake is, kan aan de betrokken vreemdeling artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag worden tegengeworpen. De ‘personal and knowing participation test’ is in lijn met het gestelde in het Statuut van Rome (artikel 25 en 27 tot en met 33), aldus de Vc 2000.

3.6 Ingevolge artikel 67, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000 kan een vreemdeling door Onze Minister ongewenst worden verklaard in het belang van de internationale betrekkingen van Nederland.

3.7 Volgens paragraaf A5/2 van de Vc 2000 kan een vreemdeling die buiten de rechtsmacht van Nederland een ernstig misdrijf heeft begaan in het belang van de internationale betrekkingen van Nederland ongewenst worden verklaard. Hierbij kan worden gedacht aan de vreemdeling van wie het verblijf is geweigerd dan wel beëindigd op grond van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag. Bij de toepassing van artikel 67 van de Vw 2000 worden de persoonlijke belangen van de vreemdeling zorgvuldig afgewogen tegen het algemene belang, dat uit een oogpunt van openbare orde met de ongewenstverklaring is gediend.

3.8 Eiser heeft in zijn asielprocedure het volgende relaas naar voren gebracht. Eiser is afkomstig uit Algerije. Na een jaar als beroepsmilitair in het leger te hebben gewerkt, is hij in 1988 in dienst getreden bij de Algerijnse militaire veiligheidsdienst, het ‘Departement des Renseignements et de la Sécurité’ (DRS). Tot aan zijn vertrek uit Algerije in 2000 is eiser bij verschillende afdelingen van de DRS werkzaam geweest. In 1998 is eiser erachter gekomen dat zijn meerderen betrokken zijn geweest bij de verdwijning, marteling en executie van twee professoren. Vervolgens heeft hij een kleine maand gevangen gezeten op verdenking van het naar buiten brengen van dit verhaal. Daarop heeft eiser het land verlaten uit vrees voor verdere vervolging in verband met deze affaire. Eiser heeft van 2000 tot 2003 in Thailand verbleven. Tijdens deze periode heeft hij meerdere malen in de Franse en Thaise media uitlatingen gedaan over de DRS, en heeft hij getuigd tegen een hoge Algerijnse generaal-majoor die bij de moord op de professoren betrokken is geweest. De Algerijnse autoriteiten zijn hiervan op de hoogte geraakt en hebben de Thaise autoriteiten om eisers uitlevering gevraagd. Dit vormde voor eiser aanleiding om Thailand te ontvluchten en naar Nederland te gaan.

3.9 Alvorens wordt ingegaan op het bestreden besluit van 15 januari 2008 stelt de rechtbank vast dat eiser tijdens zijn verblijf in Thailand bij de UNHCR asiel heeft aangevraagd. Blijkens de zich in het procesdossier bevindende beslissing van de UNHCR is eiser een vluchtelingenstatus onthouden op grond van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag.

3.10 Verweerder heeft zich in dit besluit - kort weergegeven en voor zover hier van belang - op het volgende standpunt gesteld. Er bestaan ten aanzien van eiser ernstige redenen om aan te nemen dat deze zich tijdens zijn dienstverband bij de DRS schuldig heeft gemaakt aan gedragingen als bedoeld in artikel 1(F), aanhef en onder a, b en c, van het Vluchtelingenverdrag, nu ten aanzien van deze gedragingen zowel ‘knowing’ als ‘personal participation’ van eiser kan worden vastgesteld. Bij deze vaststelling heeft verweerder zich onder meer gebaseerd op de algemene ambtsberichten van de minister van Buitenlandse Zaken van 11 juli 1996, 14 april 1999 en 3 december 2002, een rapport over Algerije van het mensenrechtencomité van de Verenigde Naties over de implementatie van het Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (VN-documenten CCPR/C/101/add.1; CCPR/C/SR.1681-1684; CCPR/C/79/add.95), een rapport van Amnesty International (‘Disappearances: the wall of silence begins to crumble’) van maart 1999, stukken van de UNHCR in Thailand en een aantal andere bronnen, die later in deze uitspraak ter sprake zullen komen.

3.11 Ten aanzien van ‘knowing participation’ van eiser heeft verweerder van belang geacht dat uit bovengenoemde ambtsberichten naar voren komt dat in de periode dat eiser bij de Algerijnse veiligheidsdienst werkzaam was door deze dienst ernstige misdrijven zijn gepleegd, zoals buitengerechtelijke executies, verdwijningen en foltering. Gegeven het feit dat over deze misdrijven is gepubliceerd, mag het, aldus verweerder, als vaststaand worden beschouwd dat deze misdrijven in bredere kring bekend zijn geraakt. Gelet hierop is eisers stelling, dat hij geen weet zou hebben gehad van de door zijn organisatie begane misdrijven, ongeloofwaardig. Ook kan uit eisers eigen verklaringen worden afgeleid dat hij heeft geweten of had moeten weten dat door de DRS misdrijven zijn begaan. Eiser heeft immers verklaard dat hij achter de toedracht van de vermissing van twee professoren was gekomen. Derhalve wordt aangenomen dat eiser zich volledig bewust is geweest van de misdaden die zijn gepleegd door de Algerijnse veiligheidsdienst en is er in het geval van eiser sprake van ‘knowing participation’, aldus verweerder.

3.12 Voorts heeft verweerder het standpunt ingenomen dat ten aanzien van het begaan van misdrijven als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag eveneens ‘personal participation’ van eiser kan worden vastgesteld. Eiser heeft immers, aldus verweerder, het plegen van deze misdrijven direct gefaciliteerd. In dit verband is verwezen naar de verklaringen die eiser bij de UNHCR heeft afgelegd. Uit voornoemde UNHCR-beslissing is gebleken dat eiser bij de UNHCR heeft verklaard dat hij van 1993 tot 1999 hoofd was van een verkennerseenheid, dat zijn taak bestond uit het lokaliseren en identificeren van verdachte personen en dat hij verplicht was om om de vier nachten met doodseskaders mee te gaan op nachtelijke expedities en hen de weg te wijzen. Verder is uit de UNHCR-beslissing gebleken dat eiser heeft verklaard dat hij weliswaar getuige is geweest van vele executies, maar dat hijzelf nimmer aan deze executies heeft deelgenomen. Volgens verweerder heeft eiser met zijn handelingen ertoe bijgedragen dat verdachte personen werden opgepakt en geëxecuteerd. Eiser heeft derhalve omstandigheden gecreëerd waardoor afdelingen van de Algerijnse veiligheidsdienst, in het bijzonder de doodseskaders, in staat werden gesteld handelingen te verrichten, zoals bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag. Eisers verklaringen bij de UNHCR worden volgens verweerder bevestigd door informatie over eiser uit diverse andere bronnen. In dit kader heeft verweerder verwezen naar de artikelen ‘[eiser], Ex-Geheimdienst-mitarbeiter packt aus’, Algeria Watch, januari 2003; ‘Algérie: les révélations d’un déserteur de la S.M.’, Nord-Sud Export nr. 427 van 21 september 2001 en ‘Dossier politique’, Nord-Sud Export nr. 460 van 7 maart 2003. In deze stukken is veelvuldig gerefereerd aan gedetailleerde verklaringen die eiser over de werkwijze van de DRS en over zijn eigen rol bij de afdeling ‘Centre Territorial de Recherche et d’Investigation’, waar eiser van 1993 tot 1998 werkzaam was, heeft afgelegd. Voorts heeft verweerder gewezen op een e-mail van 13 april 2005, afkomstig van de journalist [journalist]. Deze heeft eiser geïnterviewd en heeft vervolgens naar aanleiding hiervan een artikel (‘Des exécutions pour faire peur’) over eiser in de Libération van 27 augustus 2001 gepubliceerd. In de e-mail heeft [journalist] aan eisers toenmalige gemachtigde verklaard dat hij, afgaande op hetgeen eiser hem had verteld, had begrepen dat eiser heeft deelgenomen aan het infiltratieproces van islamitische groeperingen en dat hij, om dit proces te faciliteren, de ‘identificatie’ van mensen, namen en plaatsen uitvoerde. Hetgeen is neergelegd in de UNHCR-beslissing wordt derhalve, aldus verweerder, ook door deze verklaring ondersteund. Tot slot heeft verweerder in dit verband verwezen naar een beroepschrift van eisers gemachtigde in Thailand, [gemachtigde], destijds werkzaam bij de organisatie Jesuit Refugee Service Asia Pacific, en naar een aan de UNHCR gerichte verklaring van eiser zelf van 23 mei 2001, opgesteld door [gemachtigde], ter toelichting op zijn asielaanvraag aldaar. In deze stukken is vermeld dat eiser zich bij de uitvoering van zijn werkzaamheden bij de DRS ervan bewust is geweest dat de informatie die hij verzamelde zou worden gebruikt om verdachte personen te arresteren. Uit het voorgaande kan volgens verweerder worden afgeleid dat eiser aldus tijdens de in Nederland afgenomen nader gehoren geen volledig inzicht heeft gegeven in de exacte invulling van zijn werkzaamheden bij de Algerijnse veiligheidsdienst. Eiser heeft immers in zijn huidige asielprocedure verklaard dat hij op de subafdeling ‘Bureau Enquête’ enkel belast was met het doen van antecedentenonderzoek ten aanzien van nieuwe studenten van de opleiding van de DRS, personen die in aanmerking wilden komen voor een hoge positie en personen die vermist waren door toedoen van extremisten of de overheid. Hetgeen door eiser in Nederland is verklaard, wordt derhalve, aldus verweerder, beschouwd als een poging van eiser om zijn aandeel in het faciliteren van genoemde misdrijven te bagatelliseren. Gelet op het gestelde in de UNHCR-beslissing, de hierboven genoemde stukken en eisers eigen verklaring van 23 mei 2001 is er sprake van veelvuldig en expliciet gedane verklaringen van eiser op grond waarvan hij individueel verantwoordelijk kan worden gehouden voor misdrijven als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag en op grond waarvan hij van het verlenen van een vluchtelingenstatus wordt onthouden.

3.13 Eiser heeft hiertegen in beroep - kort weergegeven - het volgende aangevoerd. Verweerder heeft allereerst niet zonder nader onderzoek algemene informatie uit ambtsberichten aan zijn oordeel, dat sprake is van ‘knowing participation’, ten grondslag mogen leggen. Daarnaast heeft verweerder zich in dit kader evenmin zonder meer mogen baseren op de enkele verklaring van eiser dat hij vanaf 1996 op de hoogte is geraakt van de misstanden binnen de Algerijnse veiligheidsdienst. Verweerder heeft daarmee immers miskend dat eiser, nadat hij van deze misstanden op de hoogte was geraakt, heeft getracht deze aan de kaak te stellen. Nu verweerder heeft nagelaten naar tijd en datum te specificeren met welke misdrijven eiser in verband kan worden gebracht, heeft verweerder voor de vaststelling van eisers ‘knowing participation’ niet kunnen volstaan met een verwijzing naar de hier bedoelde verklaring van eiser.

3.14 Ten aanzien van verweerders conclusie dat eveneens ‘personal participation’ van eiser aanwezig moet worden geacht, heeft eiser zich in de eerste plaats op het standpunt gesteld dat verweerder niet zonder nader onderzoek de beslissing van de UNHCR en de overige door hem aangehaalde bronnen aan deze conclusie ten grondslag heeft kunnen leggen. Gelet op het ingrijpende karakter van de toepasselijkheid van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag mag van verweerder worden verlangd dat deze conclusie zorgvuldig tot stand komt en wordt gedragen door een deugdelijke motivering. Hiervan is in casu geen sprake. Zo heeft eiser onder meer aangevoerd dat in het overgelegde UNHCR-dossier de aanvraag en het rapport van eisers gehoor ontbreken, dat het onduidelijk is of de beslissing, die zich in het dossier bevindt, de beslissing in eerste aanleg is of in beroep, dat niet bekend is wanneer deze beslissing is uitgereikt en dat deze beslissing niet is ondertekend. Eiser is voorts, in weerwil van hetgeen de UNHCR heeft gesteld, uitsluitend gehoord in de procedure in eerste aanleg, maar niet in beroep. Bovendien betreft de in de UNHCR-beslissing neergelegde passage met betrekking tot eisers gehoor, waarin overigens onjuistheden staan vermeld, geen exacte weergave van de verklaringen die eiser bij de UNHCR heeft afgelegd. Dit verslag ontbreekt immers. Eiser is van mening dat zijn verklaringen onjuist zijn weergegeven door een onjuiste interpretatie of vertaling, zodat hieraan geen waarde kan worden gehecht. Verder heeft eiser gewezen op de brief van de UNHCR waarin is ingegaan op de door de rechtbank op 7 september 2004 gestelde vragen omtrent eisers procedure in Thailand. Nu volgens eiser de antwoorden van de UNHCR weinig specifiek zijn en ook een innerlijke tegenstrijdigheid bevatten, worden de onduidelijkheden die rondom de UNHCR-procedure bestaan ook hiermee niet weggenomen. Gelet op het voorgaande bestaan er ten aanzien van de UNHCR-procedure te veel vragen waarover geen opheldering is gegeven. Volgens eiser kan dan ook niet van de juistheid en volledigheid van de informatie van de UNHCR worden uitgegaan. Nu verweerder heeft nagelaten een eigen onderzoek in te stellen, maar slechts heeft volstaan met een verwijzing naar het besluit van de UNHCR heeft verweerder niet voldaan aan zijn vergewisplicht. Dit klemt temeer nu verweerder ten aanzien van de screening van door de UNHCR voor hervestiging voorgedragen vluchtelingen wel hecht aan een eigen beoordeling naast het advies van de UNHCR. Verweerder meet aldus met twee maten.

3.15 Ook ten aanzien van de andere bronnen, die verweerder bij zijn besluitvorming heeft betrokken, heeft verweerder volgens eiser ten onrechte nagelaten nader onderzoek te doen. Eiser heeft reeds in een eerder stadium tijdens deze procedure gemotiveerd bestreden dat hij de in de artikelen uit Algeria Watch en Nord-Sud Export weergegeven en aan hem toegedichte uitspraken heeft gedaan, terwijl hij voorts te kennen heeft gegeven dat hij niet rechtstreeks met de auteurs van deze artikelen heeft gesproken. Het had derhalve op de weg van verweerder gelegen zich van de herkomst van deze bronnen te vergewissen. Overigens betreffen de door verweerder in het bestreden besluit aangehaalde passages uit de twee artikelen uit Nord-Sud Export slechts algemene informatie over de werkwijze van de Algerijnse veiligheidsdienst. Door eiser is immers alleen in termen van ‘on’, ‘nous’ en ‘leur’ gesproken. Uit de artikelen valt dan ook geenszins op te maken dat, zoals verweerder heeft gesteld, eiser zélf een verkenningseenheid leidde en ’s nachts deelnam aan operaties met doodseskaders. Verweerder heeft ook ten aanzien van de e-mail van [journalist] en eisers ‘eigen’ verklaring van 25 mei 2001 niet voldaan aan zijn onderzoeksplicht. Met betrekking tot de e-mail heeft eiser erop gewezen dat het hier gaat om [journalist]’ eigen interpretatie van hetgeen eiser hem heeft verteld. Wat betreft de door eiser ondertekende verklaring heeft eiser opgemerkt dat deze verklaring niet door hemzelf is opgesteld, maar door zijn toenmalige gemachtigde in Thailand, [gemachtigde]. Eiser sprak destijds alleen Frans en heeft derhalve de Engelse tekst van de verklaring niet kunnen lezen. Gelet hierop bestrijdt eiser verweerders stelling, dat zijn verklaringen, zoals weergegeven in de UNHCR-beslissing, steun vinden in de hierboven genoemde stukken.

3.16 Tot slot heeft eiser in beroep betoogd dat verweerder hem ten onrechte ‘personal participation’ in de vorm van ‘faciliteren’ heeft tegengeworpen. Nu door deze rechtbank en zittingsplaats in de uitspraak van 10 november 2005 is overwogen dat de eerdere door verweerder aangenomen vorm van ‘personal participation’, te weten ‘zelf plegen door eiser’, geen stand kon houden, kan verweerder niet op basis van dezelfde informatie die ten tijde van het eerdere besluit van 12 februari 2004 reeds bekend was, in het onderhavige bestreden besluit een andere vorm van ‘personal participation’ aan eiser tegenwerpen. In genoemde uitspraak van 10 november 2005 is immers uitgegaan van de geloofwaardigheid van eisers verklaringen. Deze handelwijze van verweerder is in strijd met de restrictieve toepassing van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag, alsmede met het vertrouwensbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel, de leer van de formele rechtskracht en artikel 8:72, vierde lid, van de Awb.

3.17 De rechtbank overweegt als volgt.

3.18 Naar het oordeel van de rechtbank kan eisers uitvoerig toegelichte betoog in beroep met betrekking tot de beslissing van de UNHCR alsmede de overige informatie die verweerder in zijn beoordeling heeft meegewogen niet tot de conclusie leiden dat verweerders besluit van 15 januari 2008 geen stand kan houden. De rechtbank is van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft vastgesteld dat er in eisers geval sprake is van ‘knowing’ en ‘personal participation’ ten aanzien van de door de Algerijnse veiligheidsdienst begane misdrijven. Wat er ook zij van de vraag of en in hoeverre verweerder waarde heeft mogen hechten aan de hierboven bedoelde stukken, één van deze stukken, te weten de eigen verklaring van eiser, die door hemzelf op 23 mei 2001 is ondertekend, is naar het oordeel van de rechtbank van cruciaal en doorslaggevend belang om verweerders conclusie gerechtvaardigd te achten. Immers, uit dit stuk blijkt ondubbelzinnig dat eiser op de hoogte moet zijn geweest van de misdaden die door de Algerijnse veiligheidsdienst tijdens zijn dienstverband bij deze organisatie zijn gepleegd, alsmede dat eiser het begaan van deze misdaden door zijn dienst direct heeft gefaciliteerd. In de verklaring heeft eiser onder meer het volgende verklaard:

‘Due to this new development our work mission changed drastically. We were now engaged in anti-terrorist activities. We were supposed to identify and to arrest the people who were supporting the terrorist activities such as funding the GIA [Armed Islamic Group]. Our mission was to crack down on the suspected supporters of the GIA. We were required to work in collaboration with the army. We were to identify the suspects and the army would arrest them later in the night and transfer them to our centre for interrogations. (..)

My work in the investigation department was to look for GIA supporters. I did not take part in any of the killings. Though we knew that GIA supporters would be subjected to interrogations and that OJAL (Organisation de Jeunes Algériens Libres) would kill them, I did not have control over the information that I was obliged to divulge in the course of my work. (..)

Sometimes a person from our unit would be required to accompany the PJM officers out at night to identify the physical addresses of the suspected GIA members. I have personally gone out on such a mission. However my role was merely to point out the physical address of the person to be investigated. It was not to carry out any executions or interrogations. (..)

I knew that the suspects would be arrested and investigated, but I had no say in the manner of arrests that were to be made or in the investigations that were to follow or in the fate of the suspects. (..) I could not however change the political decision or influence the manner of investigations or actions carried out against GIA members pursuant to a political decision.’

3.19 De stelling van eiser in beroep dat hij eerstgenoemde verklaring niet zelf heeft opgesteld en dat hij, nu hij destijds het Engels nog niet beheerste, van de inhoud geen kennis heeft kunnen nemen, maakt het voorgaande niet anders. Niet is betwist dat eiser de verklaring zelf heeft ondertekend en evenmin is gesteld dat hij de verklaring niet met zijn gemachtigde heeft kunnen bespreken. Evenmin acht de rechtbank aannemelijk dat zijn gemachtigde destijds een dergelijk uitgebreide en specifieke verklaring zomaar zou hebben bedacht, noch dat deze verklaring tot stand zou zijn gekomen door een gebrekkige communicatie. De rechtbank ziet onder deze omstandigheden geen grond voor het oordeel dat niet van de juistheid van de inhoud van de verklaring mag worden uitgegaan.

3.20 Ten overvloede wijst de rechtbank in dit kader tevens op een in het procesdossier bevindende brief van eiser van 19 augustus 2006, gericht aan verweerder, waarin eiser zijn beklag heeft gedaan over de behandeling van zijn asielaanvraag in Nederland. In dit verband is de volgende uit deze brief afkomstige passage van belang:

‘(..) de IND wil deze beslissing alleen nemen gebaseerd op het feit dat ik terroristische organisaties onderzocht. Ik ben trots op het feit dat mijn werk honderden levens gespaard heeft in Algerije en ik ben er ook trots op dat ik de mensen onderzocht die de hele mensheid willen doden.’

3.21 Deze brief is door eiser zelf opgesteld en ondertekend, hetgeen eiser niet heeft betwist. De rechtbank vindt in deze verklaring bevestiging van de op grond van het voorgaande reeds bestaande overtuiging dat eiser persoonlijk betrokken is geweest bij de activiteiten van de DRS om verdachte personen te onderzoeken en niet enkel - zoals hij tijdens zijn gehoren in Nederland heeft verklaard - antecedentenonderzoek heeft verricht naar nieuwe studenten op de politieacademie en hoogwaardigheidsbekleders.

3.22 Ten aanzien van eisers beroepsgrond dat verweerder een nieuwe grond met betrekking tot ‘personal participation’ heeft tegengeworpen, terwijl er zich geen nieuwe feiten en omstandigheden hebben voorgedaan, overweegt de rechtbank dat deze niet kan slagen. De rechtbank heeft in haar eerdere uitspraak enkel overwogen dat een van de vormen van ‘personal participation’, te weten ‘zelf plegen door eiser’ op basis van de op dat moment bekende feiten niet kon worden tegengeworpen. Hiermee heeft de rechtbank echter geen oordeel gegeven over eventuele andere vormen van ‘personal participation’, zoals het thans tegengeworpen ‘faciliteren’. De eerdere uitspraak is dan ook geen beletsel om eiser thans ‘faciliteren’ tegen te werpen.

3.23 Verweerders conclusie dat ten aanzien van foltering, en of wrede, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing van personen en het willekeurig beroven van het leven van personen zowel ‘knowing’ als ‘personal participation’ van eiser kan worden vastgesteld en dat eiser aldus individueel verantwoordelijk kan worden gehouden voor het plegen van misdrijven zoals bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag kan derhalve, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, naar het oordeel van de rechtbank stand houden. Eisers beroep hieromtrent dient daarom te falen.

4.1 De rechtbank stelt vast dat eiser in de situatie verkeert dat hem geen verblijfstitel is verleend wegens de tegenwerping van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag, maar dat hij evenmin wordt uitgezet in verband met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Zoals door de AbRS in haar uitspraak van 18 juli 2007 (JV 2007/392) is overwogen, moet zo enigszins mogelijk worden voorkomen dat een vreemdeling in die situatie geraakt. Door verweerder is in het onderhavige geval niet weersproken dat artikel 3 van het EVRM zich duurzaam verzet tegen eisers uitzetting naar Algerije en dat eiser voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij evenmin kan terugkeren naar andere landen van eerder verblijf. In geschil is de vraag of eisers ongewenstverklaring onder deze omstandigheden al dan niet proportioneel is te achten. Partijen hebben zich ten aanzien hiervan op het volgende standpunt gesteld.

4.2 Verweerder heeft in het bestreden besluit overwogen dat niet wordt ingezien waarom eiser niet ongewenst kan worden verklaard. Op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder e, van de

Vw 2000 kan een vreemdeling immers ongewenst worden verklaard in het belang van de internationale betrekkingen van Nederland. Hiermee is, aldus verweerder, bedoeld te waarborgen dat Nederland niet verwordt tot een gastland voor personen die elders de publieke orde ernstig verstoren door daden die ook naar Nederlands recht zware misdrijven zouden opleveren. Derhalve vormt de omstandigheid dat artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag op eiser van toepassing is voor verweerder aanleiding om eiser in het belang van de internationale betrekkingen van Nederland tot ongewenst vreemdeling te verklaren. Met het belang van de internationale betrekkingen wordt tevens gedoeld op het belang van de betrekkingen met de Schengenlanden. Eisers ongewenstverklaring in Nederland heeft immers tot gevolg dat zijn status hier te lande wordt gesignaleerd in het zogenoemde Schengeninformatie-systeem. Zodoende wordt het verblijf van eiser in het Schengengebied tegengegaan. In dit verband is van belang dat, aldus verweerder, Nederland in het kader van de buitengrensbewaking een bijzondere verplichting heeft jegens de overige Schengenstaten om het gemeenschappelijk grondgebied te vrijwaren van personen die een gevaar vormen voor de openbare orde en veiligheid. Voorts heeft verweerder in dit kader verwezen naar de brief van de toenmalige staatssecretaris van Justitie gericht aan de Tweede Kamer (1997-1998, 19 637, nr. 295). Daarin is gesteld dat, gelet op de geest en de strekking van internationale verdragen, personen die van vluchtelingschap worden uitgesloten op grond van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag in een voorkomend geval ongewenst worden verklaard. Tot slot heeft verweerder erop gewezen dat de toepassing van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag geen aspect is van zuiver nationaal beleid, maar voortvloeit uit internationaalrechtelijke beginselen. Doordat Nederland een belangrijke positie inneemt binnen het internationale recht is het des te meer van belang dat Nederland geen feitelijke ‘veilige haven’ wordt voor vreemdelingen die zich elders schuldig hebben gemaakt aan daden of handelingen zoals bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag.

Wat betreft de vraag hoe de strafrechtelijke consequenties van eisers ongewenstverklaring zich verhouden tot de omstandigheid dat eiser niet zal worden uitgezet naar Algerije heeft verweerder verwezen naar de uitspraak van de AbRS van 7 augustus 2006 (JV 2006/371) waarin is geoordeeld dat deze vraag dient te worden beantwoord door het Openbaar Ministerie (OM) en de strafrechter. Volgens verweerder is in eisers geval geen sprake van bijzondere omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden geconcludeerd dat de strafbaarstelling van eisers verblijf hier te lande, zonder op voorzienbare termijn over te gaan tot uitzetting uit Nederland, disproportioneel zou zijn. In dit geval wordt een zwaarder gewicht gehecht aan het belang van de Nederlandse Staat. Verweerders conclusie is derhalve dat, aan het feit dat artikel 3 van het EVRM zich duurzaam verzet tegen eisers uitzetting naar Algerije dan wel naar andere landen, ten aanzien waarvan eiser heeft aangetoond dat hij aldaar geen verblijf kan verkrijgen, niet de consequentie wordt verbonden dat de ongewenstverklaring van eiser achterwege moet worden gelaten.

4.3 Eiser heeft in beroep - kort weergegeven en voor zover hier van belang - aangegeven dat hij zich niet kan verenigen met verweerders conclusie dat zijn ongewenstverklaring in het belang is van de internationale betrekkingen. Het doel van een ongewenstverklaring van een vreemdeling is te bevorderen dat deze vreemdeling zelfstandig uit Nederland vertrekt. Met eisers ongewenstverklaring wordt aldus druk op eiser uitgeoefend om alsnog naar een ander land te vertrekken. Indien eiser zich toch naar een ander land zou begeven, lijkt het, aldus eiser, legitiem om te stellen dat de betrekkingen tussen Nederland en dit land hierbij niet gebaat zullen zijn, nu dit andere land als het ware wordt ‘opgezadeld’ met eiser en eiser mogelijk weer moet terugzenden naar Nederland. Anderzijds loopt eiser met zijn verblijf hier te lande continu het risico op strafrechtelijke vervolging. Artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht bepaalt immers dat verblijf van een ongewenst verklaarde vreemdeling op Nederlands grondgebied strafbaar is. Eiser is dan ook van mening dat zijn ongewenstverklaring en de omstandigheid dat er een duurzaam beletsel bestaat om hem uit te zetten op grond van artikel 3 van het EVRM niet kunnen samengaan. Nu eiser niet aan zijn vertrekplicht kan voldoen en er geen derde land is waar hij zich kan vestigen, wordt eiser in een situatie gebracht waarin zijn verblijf hier te lande strafbaar is, terwijl hij Nederland niet kan verlaten. Het oordeel van de AbRS in genoemde uitspraak van 7 augustus 2006 doet hieraan niet af. Hieruit kan immers geen algemene regel worden afgeleid, reeds nu in deze zaak uitsluitend was geklaagd over de strafrechtelijke consequenties van de ongewenstverklaring van een vreemdeling waarbij artikel 3 van het EVRM zich tegen diens uitzetting verzette. Eiser volhardt in zijn stelling dat beletselen vanwege artikel 3 van het EVRM en een ongewenstverklaring zich niet tot elkaar verhouden.

4.4 De rechtbank is van oordeel dat aan de hierboven onder II.4.2 weergegeven motivering van verweerder ten aanzien van het belang van eisers ongewenstverklaring in het licht van de internationale betrekkingen niet iedere betekenis kan worden ontzegd. Verweerder was dan ook bevoegd om eiser, nu hem artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag kan worden tegengeworpen, met toepassing van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000 ongewenst te verklaren.

4.5 De rechtbank deelt evenwel niet het standpunt van verweerder dat de omstandigheid, dat eiser duurzaam niet kan worden uitgezet, van onvoldoende gewicht is om de ongewenstverklaring achterwege te laten, omdat er geen bijzondere omstandigheden zijn die de ongewenstverklaring disproportioneel doen zijn. Het door verweerder hierbij gehanteerde toetsingskader ziet op de vraag of het disproportioneel is om iemand wie artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag kan worden tegengeworpen een verblijfsvergunning te onthouden, hetgeen een geheel andere vraag is dan de vraag of het disproportioneel is om iemand ongewenst te verklaren. De ongewenstverklaring heeft immers veel verderstrekkende gevolgen dan het enkel onthouden van een vergunning, zodat de belangenafweging reeds om die reden een andere is dan bij het onthouden van een vergunning.

4.6 Met betrekking tot de te wegen belangen stelt de rechtbank voorop dat, hoewel internationale belangen mogelijk gebaat zijn bij de ongewenstverklaring, de waarde die aan deze belangen kan worden toegekend moet worden gerelativeerd. Immers, nu eiser door de toepasselijkheid van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag in zijn asielprocedure een verblijfsvergunning is onthouden, staat hij reeds als zogenaamde ‘1F-er’ gesignaleerd in voornoemd Schengeninformatie-systeem. De toegevoegde waarde van een ongewenstverklaring is met name gelegen in het uitoefenen van druk op de betrokkene om Nederland uit eigen beweging te verlaten. Dit belang speelt in een geval als het onderhavige, waarin niet in geschil is dat eiser niet uit Nederland kan vertrekken, omdat hij niet kan terugkeren naar Algerije en hij aantoonbaar geen verblijf kan verkrijgen in de landen van eerder verblijf, geen rol. Aan de zijde van eiser spelen echter zwaarwegende belangen. Als gevolg van zijn ongewenstverklaring staat hij immers doorlopend bloot aan strafvervolging. Het door verweerder in dit verband ingenomen standpunt, dat het aan het OM en de strafrechter is om te oordelen over de verhouding tussen de strafrechtelijke consequenties van eisers ongewenstverklaring en de omstandigheid dat hij niet naar Algerije zal worden uitgezet, deelt de rechtbank evenmin. De beoordeling van zaken, zoals de onderhavige waarin sprake is van een onmogelijkheid om het land te verlaten gelet op het bepaalde in artikel 3 van het EVRM, is zodanig complex dat deze zich niet leent voor de enkelvoudige afdoening bij de strafrechter, die niet is gespecialiseerd in vraagstukken omtrent artikel 3 van het EVRM en veelal direct mondeling uitspraak doet. Het betreft een vreemdelingrechtelijk uitzetbeletsel dat dient te worden beoordeeld door de rechter die op dit gebied deskundig is. Gelet hierop lenen zaken, waarin een oordeel moet worden gegeven over de verhouding tussen de strafrechtelijke gevolgen van een vreemdelingenrechtelijke ongewenstverklaring en de omstandigheid dat de vreemdeling in kwestie niet naar zijn land van herkomst kan worden uitgezet, zich naar het oordeel van de rechtbank niet voor afdoening door het OM en de strafrechter.

4.7 Onder deze omstandigheden heeft verweerder niet in redelijkheid kunnen besluiten over te gaan tot ongewenstverklaring. Het bestreden besluit zal dan ook worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:4 van de Awb.

4.8 De rechtbank ziet aanleiding om, met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb op grond van het navolgende zelf in de zaak te voorzien. Hetgeen hierboven is overwogen ten aanzien van de ongewenstverklaring strekt zich immers evenzeer uit tot het besluit in primo van 9 februari 2007, waarin eiser ongewenst was verklaard op de grondslag van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000. In het bestreden besluit heeft verweerder deze ongewenstverklaring en grondslag onverkort gehandhaafd. Onder verwijzing naar hetgeen hierboven is overwogen is de rechtbank van oordeel dat er rechtens geen andere conclusie mogelijk is dan dat het besluit in primo niet in stand kan blijven. De rechtbank zal derhalve, doende wat verweerder had behoren te doen, het bezwaar van 14 februari 2007 tegen de ongewenstverklaring gegrond verklaren en het besluit in primo herroepen.

4.9 Gelet op bovenstaande overwegingen behoeft hetgeen overigens door eiser in beroep ten aanzien van de ongewenstverklaring is aangevoerd geen verdere bespreking.

Ten aanzien van het beroep inzake de afwijzing van de asielaanvraag

5.1 De herroeping van het besluit tot ongewenstverklaring heeft tot gevolg heeft dat de vraag of eiser belang heeft bij een beoordeling van zijn beroep in de asielprocedure bevestigend dient te worden beantwoord.

5.2 In dit kader ligt het bestreden besluit van 11 juli 2006 ter toetsing voor. Zoals uit het voorgaande blijkt, heeft verweerder eiser in dit besluit uitgesloten van vluchtelingschap op grond van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag. Nu de inhoud van dit besluit dat betrekking heeft op artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag reeds hierboven is meegewogen in de beoordeling van het besluit van

15 januari 2008 omtrent de ongewenstverklaring, acht de rechtbank het opportuun om te verwijzen naar deze beoordeling, zoals neergelegd in rechtsoverwegingen II.3.1 tot en met II.3.23, en dit oordeel op deze plaats als herhaald en ingelast te beschouwen. Dit leidt tot de slotsom dat verweerder eiser terecht op grond van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag een verblijfsvergunning heeft geweigerd.

5.3 Ondanks het feit dat artikel 3 van het EVRM zich duurzaam verzet tegen terugkeer naar zijn land van herkomst en eiser ook niet naar een ander land kan vertrekken, acht de rechtbank de door eiser aangevoerde omstandigheden onvoldoende bijzonder om te oordelen dat het onthouden van een vergunning disproportioneel is. Eiser heeft zich in dit kader beroepen op het in artikel 8 van het EVRM verankerde recht op ‘private life’. Eiser is immers niet in staat deel te nemen aan de arbeidsmarkt en kan geen beroep doen op reguliere medische voorzieningen. Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze consequenties niet bijzonder, maar het voorzienbare en gewenste gevolg van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag en reeds om die reden proportioneel.

5.4 Eisers beroep met betrekking tot de afwijzing van zijn asielaanvraag is derhalve ongegrond.

Ten aanzien van de voorlopige voorziening connex aan het beroep inzake de ongewenstverklaring

6.1 Thans zal worden ingegaan op de vraag of er aanleiding bestaat de door eiser verzochte voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek is ingediend hangende het door eiser ingestelde beroep van 5 februari 2008 tegen het besluit op bezwaar van 15 januari 2008 betreffende eisers ongewenstverklaring. Een voorlopige voorziening kan op grond van artikel 8:81 van de Awb worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrok¬ken belan¬gen, dat ver¬eist.

6.2 Eiser heeft in zijn verzoekschrift van 5 februari 2008 aangegeven dat de gevraagde voorziening strekt tot opschorting van de rechtsgevolgen van dit besluit en een verbod op uitzetting totdat is beslist op het beroep van 5 februari 2008. In het onderhavige geval wordt geen aanleiding gezien voor het treffen van de gevraagde voorziening, nu de rechtbank heden bedoeld beroep gegrond heeft verklaard.

Ten aanzien van beide beroepen en het verzoek om een voorlopige voorziening

7.1 De rechtbank c.q. voorzieningenrechter ziet, gelet op de gegrondverklaring van eisers beroep inzake de ongewenstverklaring, aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van dit beroep bij de rechtbank alsmede de behandeling van de voorlopige voorziening bij de voorzieningenrechter redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn begroot op € 966,-- als kosten van verleende rechtsbijstand

(1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en

1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 322,--, wegingsfactor 1), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier van de rechtbank.

7.2 Op grond van het bepaalde in artikel 8:74 van de Awb juncto artikel 8:82, vierde lid, van de Awb wijst de rechtbank c.q. de voorzieningenrechter de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht voor het ingediende beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening naar aanleiding van het in deze uitspraak vernietigde besluit van verweerder tot ongewenstverklaring.

7.3 Wat betreft de beroepsprocedure in eisers asielzaak is de rechtbank niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan één van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten.

III. BESLISSING

De rechtbank

in de procedure, geregistreerd onder nummer AWB 08/4229:

1. verklaart het beroep, gericht tegen het besluit van 15 januari 2008, gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit van 15 januari 2008;

3. verklaart het bezwaar van 14 februari 2007, gericht tegen het primaire besluit van verweerder van 9 februari 2007 betreffende eisers ongewenstverklaring, gegrond;

4. herroept genoemd primair besluit van 9 februari 2007;

5. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 15 januari 2008;

6. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op € 644,-- (zegge: zeshonderd en vierenveertig euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier;

7. wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht ad € 143,-- (zegge: honderd en drieënveertig euro);

in de procedure, geregistreerd onder nummer AWB 06/38209:

8. verklaart het beroep, gericht tegen het besluit van 11 juli 2006, ongegrond.

De voorzieningenrechter

in de procedure, geregistreerd onder nummer AWB 08/4230:

1. wijst het verzoek af;

2. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op € 322,-- (zegge: driehonderd en tweeëntwintig euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier;

3. bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan eiser het griffierecht ad € 143,-- (zegge: honderd en drieënveertig euro) vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, voorzitter, en mrs. M.J. Diemer en A.W.C.M. van Emmerik, rechters, in tegenwoordigheid van drs. Y.H.F. van Veldhuizen, griffier, en uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2008.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift verzonden op:

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Ingevolge artikel 69, eerste lid, van de Vw 2000 bedraagt de termijn voor het instellen van hoger beroep vier weken. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.

Voor zover de uitspraak strekt tot het verzoek om een voorlopige voorziening staat tegen deze uitspraak geen hoger beroep open.