Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BF8901

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
08-10-2008
Datum publicatie
14-10-2008
Zaaknummer
09/994732-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft een grote hoeveelheid illegaal en krachtig vuurwerk voorhanden gehad en door het opslaan van het vuurwerk in zijn woning in een flat de veiligheid van de bewoners van die flat in gevaar gebracht. Verder is algemeen bekend dat het gebruik van zodanig vuurwerk zeer ernstige risico’s pleegt op te leveren. Die risico’s zijn er niet alleen voor degene die het vuurwerk afsteekt, maar ook voor niets vermoedende omstanders. Zie ook LJN: BF8883 en BF8898.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

SECTOR STRAFRECHT

ECONOMISCHE POLITIERECHTER

(VERKORT VONNIS)

parketnummer 09/994732-08

's-Gravenhage, 8 oktober 2008

De economische politierechter in de rechtbank 's-Gravenhage heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte A],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968

adres: [adres].

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 24 september 2008.

De verdachte, bijgestaan door zijn raadsman mr. M.D. Winter, advocaat te 's Gravenhage, is ter terechtzitting verschenen en gehoord.

De officier van justitie mr. Eijkelboom heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf (5) maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

De tenlastelegging.

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 18 december 2007 te [P1], in elk geval in

Nederland, op/nabij de [adres 1]

tezamen en in vereniging met een (of meer) ander(en), althans alleen,

al dan niet opzettelijk,

consumentenvuurwerk, te weten

- één of meer Chinese rol(len) en/of

- één of meer strijker(s) en/of

- één of meer nitraatklapper(s) (knalvuurwerk met lont) en/of

- één of meer flowerbed(s) en/of

- één of meer ratelband(en) en/of

- één of meer Romeinse kaars(en) en/of

- één of meer vlinder(s) (knalvuurwerk met lont) en/of

- één of meer signaalraket(ten) (lawinepijlen) en/of

- een fontein,

voorhanden heeft gehad,

ten aanzien waarvan niet werd voldaan aan de bij het Vuurwerkbesluit gestelde

eisen of ter uitwerking van dit besluit krachtens artikel 24, derde lid, Wet

milieugevaarlijke stoffen gestelde regels, immers,

a.was voornoemd vuurwerk (telkens) niet voorzien van de aanduiding "Geschikt

voor particulier gebruik", en/of

b.was voornoemd vuurwerk (telkens) niet voorzien van een gebruiksaanwijzing

met zodanige aanwijzingen en/of waarschuwingen dat bij het dienovereenkomstig

handelen geen letsel of schade bij de gebruiker en/of omstanders kon ontstaan,

en/of

c.was/waren genoemde Chinese rol(len) en/of nitraatklapper(s) en/of

ratelband(en) en/of vlinder(s) en/of signaalraket(ten) (lawinepijlen)

(telkens) in strijd met het bepaalde in Bijlage III van de Regeling nadere

eisen aan vuurwerk 2004 voorzien van een lading (voor knaleffect) welke niet

uitsluitend bestond uit zwart buskruit, en/of

d.was/waren genoemde flowerbed(s) en/of Romeinse kaars(en) en/of fontein

(telkens) in strijd met het bepaalde in Bijlage III behorende bij de Regeling

nadere eisen aan vuurwerk 2004 voorzien van een lading met een groter

gezamenlijk gewicht dan ingevolge die Bijlage is/was toegestaan, en/of

e.was/waren genoemde strijker(s) (telkens) in strijd met het bepaalde in

artikel 2.1.1 van het Vuurwerkbesluit en/of het bepaalde in de Regeling nadere

eisen aan vuurwerk 2004 voorzien van een wrijvingsontsteker, zijnde een

ontsteekinrichting die niet in zodanige staat verkeert en/of niet zodanig is

geconstrueerd dat de gebruiker daarvan tussen het tot ontbranding gebracht

hebben en het eerste effect een veilige afstand in acht kan nemen;

artikel 1a juncto artikel 2 juncto artikel 6 Wet op de economische delicten

juncto artikel 24 Wet milieugevaarlijke stoffen juncto

art 1.2.2 lid 1 ahf/ond a Vuurwerkbesluit

art 2.1.3 lid 1 Vuurwerkbesluit

2.

hij op of omstreeks 18 december 2007 te [P1], in elk geval in

Nederland,

tezamen en in vereniging met een (of meer) ander(en), althans alleen,

(telkens) al dan niet opzettelijk,

270,51 kilogram, in ieder geval meer dan 10 kilogram, (consumenten)vuurwerk,

te weten (onder andere)

- één of meer Chinese rol(len) en/of

- één of meer stuks knalvuurwerk met lont en/of

- één of meer flowerbed(s) en/of

- één of meer signaalraket(ten) en/of

- één of meer vuurpijl(en) en/of

- één of meer ratelband(en) en/of

- één of meer Romeinse kaars(en) en/of

- één of meer strijker(s),

buiten een inrichting als bedoeld in artikel 1.1.4, 2.2.1, 2.2.2 of 3.2.1 van

het Vuurwerkbesluit, voorhanden heeft gehad,

immers had hij dit (consumenten)vuurwerk, al dan niet tezamen en in vereniging

met die ander(en) voorhanden in zijn/een woning gelegen aan de [adres 1] aldaar;

artikel 1a juncto artikel 2 juncto artikel 6 Wet op de economische delicten

juncto artikel 24 Wet milieugevaarlijke stoffen juncto

art 1.2.4 lid 1 Vuurwerkbesluit

Bewijsverweer I

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte op basis van slechts beperkte CIE-informatie ten onrechte als verdachte is aangemerkt. Op die basis heeft het Openbaar Ministerie een opsporingsonderzoek gestart contra medeverdachte [B] waarbij stelselmatige observatie en het opnemen van telecommunicatie via telefoon en fax werden ingezet als opsporingsmiddel. Dat zijn naar het oordeel van de verdediging te zware middelen geweest. In het dossier dat de verdediging ter beschikking staat zijn de bevelen tot het opnemen van telecommunicatie niet aanwezig, zodat de rechtmatigheid daarvan niet kan worden getoetst. Om die reden meent de verdediging dat de uit de taps verkregen informatie, alsmede wat op basis van die informatie aan bewijsmateriaal is verkregen, niet voor het bewijs kan worden gebruikt.

De economische politierechter overweegt als volgt.

De huidige tekst van de in casu relevante artikelen van de Wet op de economische delicten (hierna: WED), te weten de artikelen 17, 18 en 20, zijn in de huidige versie in werking zijn getreden per 1 januari 1998 (Staatsblad 1997, 580). Blijkens de wetsgeschiedenis heeft de wetgever met de aanpassing van de tekst geen veranderingen beogen aan te brengen ‘in de voorwaarden waaronder de WED-bevoegdheden mogen worden uitgeoefend en zoals deze blijken uit de jurisprudentie (zie HR 9 maart 1993, NJ 1993, 633)’. Dit blijkt volgens de wetgever nog eens doordat alle bevoegdheden zijn opgenomen in Titel III WED, luidende 'Van de opsporing' (Kamerstukken II 1996/97, 25 464, nr. 3, p. 11-12 en Kamerstukken II 1994/95, 23 700, nr. 5, p. 49). Dit betekent dat de wetgever, onder verwijzing naar het genoemde arrest van de Hoge Raad (waarin wordt verwezen naar Kamerstukken II 1968/69, 9608, nr. 5, p. 2), de mening is toegedaan dat alle bevoegdheden opgenomen in Titel III WED mogen worden toegepast bij het vermoeden van een economisch delict nog vóórdat sprake is van een concrete verdenking in de zin van art. 27 Wetboek van strafvordering. Dat wil zeggen: in het stadium waarin enkel (concrete) aanwijzingen bestaan dat een wettelijk voorschrift als bedoeld in art. 1 of 1a is overtreden.

In de onderhavige zaak is het opsporingsonderzoek gestart naar aanleiding van ontvangen CIE-informatie. Uit deze informatie komt naar voren dat medeverdachte [B] bezig is met het inkopen van partijen vuurwerk. Hij zou dat al jaren doen en daarin samenwerken met [medeverdachte C]. Deze informatie kon blijkens het proces-verbaal als betrouwbaar worden aangemerkt. Naar het oordeel van de economische politierechter leverde deze informatie een voldoende concrete aanwijzing op van de mogelijke overtreding van een economisch voorschrift, te weten artikel 24 van de Wet milieugevaarlijke stoffen, welke overtreding is strafbaar gesteld in artikel 1a van de WED. Het opsporingsbelang dat was gemoeid met het nagaan waar de concrete overtreding zich mogelijk zou voordoen rechtvaardigde de inzet van de dwangmiddelen als bedoeld in de artikelen 126n en 126g van het Wetboek van strafvordering. In het dossier waarover de economische politierechter beschikt zijn de machtigingen en bevelen van alle zeven in het proces-verbaal (pagina 13) genoemde telefoon- c.q. faxnummers aangetroffen.

De conclusie moet dan ook zijn dat de in het kader van het opsporingsonderzoek aangewende dwangmiddelen rechtmatig zijn ingezet. Het verweer wordt verworpen.

Bewijsverweer II

Voorts heeft de verdediging er op gewezen dat op basis van de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen niet kan worden vastgesteld dat het op de tenlastelegging vermelde vuurwerk illegaal is, nu in het dossier in de verschillende processen-verbaal wordt vermeld dat het aangetroffen vuurwerk deels wel en deels niet aan de geldende voorschriften voldoet. Daarmee wordt niet duidelijk welk deel van het aangetroffen vuurwerk op de tenlastelegging is vermeld. Daarnaast wijst de verdediging er op dat in het dossier van verdachte een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) is opgenomen van 8 januari 2008, nummer 2007.11.14.108, inzake andere personen dan verdachte of zijn medeverdachten, van welk rapport de status ten opzichte van verdachte volstrekt onduidelijk is.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het NFI-rapport in de onderhavige zaak als een wettig bewijsmiddel kan worden gebezigd, nu daarin bevindingen zijn opgenomen die weliswaar zijn gebaseerd op het onderzoek van vuurwerk in een ander opsporingsonderzoek, maar waarvan de resultaten een algemene strekking hebben ten aanzien van de soort en/of categorie van het onderzochte vuurwerk. Het wettige bewijs in de onderhavige zaak is dan ook mede gebaseerd op dit NFI-rapport.

Ten aanzien van het rapport van het NFI van 8 januari 2008, dat onmiskenbaar geen betrekking heeft op het onderhavige opsporingsonderzoek, merkt de economische politierechter op dat dit rapport in deze vorm niet als een wettig bewijsmiddel kan worden gebruikt.

Het NFI heeft op basis van onderzoek ten aanzien van verschillende soorten en/of categorieën vuurwerk onderzoeksresultaten en conclusies vastgelegd in voor algemeen gebruik bestemde deskundigenverklaringen. Een aantal van deze deskundigenverklaringen is opgenomen in het dossier, te weten de deskundigenverklaringen betreffende Chinese rollen, knalvuurwerk met lont, signaalraketten, flowerbeds, strijkers, Romeinse kaarsen en fonteinen.

Onderzoek van in beslag genomen vuurwerk vindt plaats door daartoe opgeleide en ter zake deskundige politieambtenaren, waarbij op basis van een vastgestelde werkwijze de beoordeling van vuurwerk en toetsing van de bevindingen aan standaardlijsten gebaseerd op de Regeling nadere eisen aan vuurwerk 2004 en bevindingen in de genoemde deskundigenverklaringen van het NFI, kan worden vastgesteld of vuurwerk aan de wettelijke vereisten voldoet of niet. In het onderhavige onderzoek heeft de beoordeling van het in beslag genomen vuurwerk op die wijze plaatsgevonden. De bevindingen zijn opgenomen in het proces-verbaal.

De economische politierechter stelt vast dat als uitgangspunt heeft te gelden dat het Openbaar Ministerie alleen het vuurwerk dat niet voldoet aan de wettelijke eisen op de tenlastelegging heeft vermeld. Nu ten aanzien van de op de tenlastelegging opgenomen verschillende soorten vuurwerk deskundigenverklaringen in het dossier zijn opgenomen en op basis van onderzoek door de politie is vastgesteld dat het aldus op de tenlastelegging opgenomen vuurwerk niet aan de wettelijke eisen voldoet kan het onder 1 vermeld feit wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.

De bewijsmiddelen.

De economische politierechter grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist met de bewijsmiddelen, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit vonnis zal worden gehecht.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen - elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft - staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast. Op grond daarvan acht de economische politierechter wettig bewezen en is hij tot de overtuiging gekomen dat de verdachte de op de dagvaarding onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande, dat de economische politierechter bewezen acht - en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de tenlastelegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering de verdachte niet in de verdediging is geschaad - de inhoud van de tenlastelegging, zoals hieronder is vermeld.

1.

hij op 18 december 2007 te [P1] op de [adres 1] opzettelijk, consumentenvuurwerk, te weten

- Chinese rollen en

- strijkers en

- nitraatklappers (knalvuurwerk met lont) en

- flowerbeds en

- ratelbanden en

- Romeinse kaarsen en

- vlinders (knalvuurwerk met lont) en

- signaalraketten (lawinepijlen) en

- een fontein,

voorhanden heeft gehad,

ten aanzien waarvan niet werd voldaan aan de bij het Vuurwerkbesluit gestelde

eisen of ter uitwerking van dit besluit krachtens artikel 24, derde lid, Wet

milieugevaarlijke stoffen gestelde regels, immers,

a.was voornoemd vuurwerk niet voorzien van de aanduiding "Geschikt

voor particulier gebruik", en

b.was voornoemd vuurwerk niet voorzien van een gebruiksaanwijzing

met zodanige aanwijzingen en/of waarschuwingen dat bij het dienovereenkomstig

handelen geen letsel of schade bij de gebruiker en/of omstanders kon ontstaan,

en/of

c.waren genoemde Chinese rollen en nitraatklappers en

ratelbanden en vlinders en signaalraketten (lawinepijlen)

in strijd met het bepaalde in Bijlage III van de Regeling nadere

eisen aan vuurwerk 2004 voorzien van een lading (voor knaleffect) welke niet

uitsluitend bestond uit zwart buskruit, en

d.waren genoemde flowerbeds en Romeinse kaarsen en fontein

in strijd met het bepaalde in Bijlage III behorende bij de Regeling

nadere eisen aan vuurwerk 2004 voorzien van een lading met een groter

gezamenlijk gewicht dan ingevolge die Bijlage was toegestaan, en

e.waren genoemde strijkers in strijd met het bepaalde in

artikel 2.1.1 van het Vuurwerkbesluit en het bepaalde in de Regeling nadere

eisen aan vuurwerk 2004 voorzien van een wrijvingsontsteker, zijnde een

ontsteekinrichting die niet in zodanige staat verkeert en niet zodanig is

geconstrueerd dat de gebruiker daarvan tussen het tot ontbranding gebracht

hebben en het eerste effect een veilige afstand in acht kan nemen;

2.

hij op 18 december 2007 te [P1], 270,51 kilogram consumentenvuurwerk,

te weten (onder andere)

- Chinese rollen en

- stuks knalvuurwerk met lont en

- flowerbeds en

- signaalraketten en

- vuurpijlen en

- ratelbanden en

- Romeinse kaarsen en

- strijkers,

buiten een inrichting als bedoeld in artikel 1.1.4, 2.2.1, 2.2.2 of 3.2.1 van

het Vuurwerkbesluit, voorhanden heeft gehad,

immers had hij dit consumentenvuurwerk voorhanden in zijn woning gelegen aan de [adres 1] aldaar;

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde en van de verdachte.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar.

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.

Strafmotivering.

Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De economische politierechter heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen dat verdachte een grote hoeveelheid illegaal en krachtig vuurwerk voorhanden heeft gehad, terwijl algemeen bekend is dat de opslag van het lichtere legaal vuurwerk al aan zeer strikte regels is gebonden. Verdachte heeft door het opslaan van het vuurwerk in zijn woning in een flat de veiligheid van de bewoners van die flat in gevaar gebracht. Verder is algemeen bekend dat het gebruik van zodanig vuurwerk zeer ernstige risico’s pleegt op te leveren. Die risico’s zijn er niet alleen voor degene die het vuurwerk afsteekt, maar ook voor niets vermoedende omstanders. Anderzijds houdt de economische politierechter rekening met de omstandigheid dat verdachte een fulltime baan heeft en ter terechtzitting heeft verklaard dat hij een andere hobby gaat zoeken.

Voorts is nog van belang dat verdachte – hoewel geruime tijd geleden – wel eerder met politie en justitie in aanraking is geweest voor een soortgelijk feit en dat hij heeft erkend dat hij zich in het recente verleden ook heeft bezig gehouden met de aankoop en opslag van illegaal vuurwerk.

De toepasselijke wetsartikelen.

Deze strafoplegging is gegrond op de artikelen:

- 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 47 van het Wetboek van Strafrecht;

- 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten;

- 24 van de Wet milieugevaarlijke stoffen;

- 1.2.2, 1.2.4 en 2.1.3 van het Vuurwerkbesluit.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Beslissing.

De economische politierechter,

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

Opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 24 van de Wet milieugevaarlijke stoffen.

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een werkstraf gedurende 240 (TWEEHONDERDENVEERTIG) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 dagen.

beveelt dat voor de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van de taakstraf in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf uren in mindering wordt gebracht volgens de maatstaf dat per dag in voorarrest doorgebracht 2 uur in mindering wordt gebracht.

in verzekering gesteld op : 19 december 2007,

in vrijheid gesteld op : 20 december 2007;

veroordeelt verdachte voorts tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 1 (ÉÉN) maand;

bepaalt, dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

Dit vonnis is gewezen door

mr. Steenhuis, economische politierechter,

in tegenwoordigheid van mr. Glansbeek, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de economische politierechter in deze rechtbank van 8 oktober 2008.