Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BF8864

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
06-10-2008
Datum publicatie
14-10-2008
Zaaknummer
315791 / HA RK 08-772 Wrakingnummer 2008/14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Mondeling verzoek tot wraking ingevolge artikel 513 van het Wetboek van Strafvordering. Schending van processuele regels brengt niet zonder meer de schijn van partijdigheid met zich. De rechtbank wijst het verzoek tot wraking af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2008, 246
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank ’s-Gravenhage

Meervoudige wrakingskamer

Wrakingnummer 2008/14

rekestnummer: 315791 / HA RK 08-772

parketnummer: 09/925367-06

datum beschikking: 6 oktober 2008

BESCHIKKING

op het mondelinge verzoek tot wraking ingevolge 513 van het Wetboek van Strafvordering, in de zaak van:

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

raadsman: mr. R.V. Hagenaars, advocaat te Rotterdam;

tegen

1. mr. [A],

2. mr. [B],

3. mr. [C],

vice-president van respectievelijk rechters in de rechtbank te ’s-Gravenhage.

1. Voorgeschiedenis en het procesverloop

1.1 Verzoeker is gedagvaard om te verschijnen ter terechtzitting van de meervoudige strafkamer van deze rechtbank van 2 juli 2008.

1.2 Blijkens het proces-verbaal van die terechtzitting heeft de raadsman van verzoeker tijdens de behandeling van de zaak een verzoek gedaan tot het horen van vier getuigen. Na beraadslaging heeft de rechtbank als haar beslissing meegedeeld dat het verzoek ten aanzien van één getuige zal worden toegewezen, het verzoek tot het horen van de overige drie getuigen wordt afgewezen en de zaak wordt verwezen naar de rechter-commissaris voor het horen van de toegewezen getuige.

1.3 In de zaak van een medeverdachte, die gelijktijdig doch niet gevoegd ter zitting werd behandeld, heeft de rechtbank vervolgens het gedane verzoek tot het horen van getuigen toegewezen. Daarop heeft de raadsman van verzoeker de rechtbank verzocht die getuigen ook in de zaak van zijn cliënt te horen. De rechtbank heeft mr. Hagenaars niet toegestaan dit verzoek te doen. Daarop heeft de raadsman van verzoeker de rechtbank gewraakt en is het wrakingsverzoek voorgelegd aan de wrakingskamer.

1.4 Mr. [A] heeft schriftelijk gereageerd op het wrakingsverzoek. Deze reactie is op 22 juli 2008 door de wrakingskamer ontvangen.

1.5 Van mr. [B] en mr. [C] is geen reactie ontvangen op het wrakingsverzoek.

1.6 De officier van justitie, mr. [D], heeft op 23 juli 2008 aan de wrakingskamer bericht dat zij, gezien het proces-verbaal van de terechtzitting van 2 juli 2008, alsmede de reactie van de voorzitter van 22 juli 2008, de daarin beschreven gang van zaken kan bevestigen.

2. De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek

Op 29 september 2008 is het wrakingsverzoek ter zitting van deze wrakingskamer behandeld. Verzoeker is niet verschenen. Mr. Hagenaars is verschenen en heeft het wrakingsverzoek toegelicht. Mr. [A], mr. [B], mr. [C] en mr. [D] zijn, na voorafgaande kennisgeving, niet verschenen.

3. Het standpunt van verzoeker

Mr. Hagenaars stelt zich op het standpunt dat de meervoudige strafkamer hem op de terechtzitting van 2 juli 2008 heeft belet een verzoek te doen tot het horen van getuigen, terwijl het onderzoek ter terechtzitting nog niet was gesloten. De mogelijkheid tot het horen van getuigen en, a fortiori, het doen van verzoeken daartoe is essentieel voor een eerlijke rechtsgang. Nu zijn tweede verzoek andere getuigen betrof dan zijn eerste verzoek en hem niet is toegestaan dat tweede verzoek te doen, is de onpartijdigheid van de betreffende rechters in het geding, aldus mr. Hagenaars. Daarbij speelt blijkens de toelichting van mr. Hagenaars mede een rol dat de verzoeken tot het horen van de getuigen de in de zaak van de medeverdachte wel zijn toegewezen.

Daarnaast constateert mr. Hagenaars twee discrepanties tussen de reactie van de voorzitter en het proces-verbaal van de terechtzitting. Ten eerste was, anders dan mr. [A] stelt, op het moment van het tweede verzoek tot het horen van getuigen het onderzoek ter terechtzitting in de zaak van zijn cliënt nog niet gesloten. Ten tweede blijkt uit het proces-verbaal niet dat er ter zitting is gesproken over een ordemaatregel; dat is ook niet gebeurd.

4. Het standpunt van mr. [A]

Mr. [A] heeft in zijn schrijven van 22 juli 2008 te kennen gegeven dat hij niet in de wraking berust. Daarbij heeft mr. [A] zich op het standpunt gesteld dat hij mr. Hagenaars in het kader van de orde de mogelijkheid opnieuw een verzoek te doen om getuigen te horen heeft onthouden. De beslissing in de zaak van zijn cliënt was reeds genomen. Mr. [A] ziet niet in dat er sprake zou kunnen zijn van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

6. Beoordeling

6.1 De wrakingskamer gaat er, ondanks het ontbreken van een daartoe strekkende mededeling hunnerzijds, gelet op de reactie van mr. [A] vanuit dat mrs. [B] en [C] evenmin in de wraking berusten.

6.2 Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden dient uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

6.3 Mr. Hagenaars heeft voornoemde rechters gewraakt, omdat hij niet in staat werd gesteld zijn tweede verzoek tot het horen van getuigen te doen. Op dat verzoek was door de rechtbank nog geen beslissing genomen, aangezien het (onder meer) andere getuigen betrof dan het eerdere verzoek van de raadsman van verzoeker. De wrakingskamer overweegt dat de rechtbank een beslissing op het verzoek van mr. Hagenaars had moeten nemen voor zover het nieuwe getuigen betrof. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting blijkt immers dat de behandeling van de zaak van verzoeker toen het verzoek werd gedaan nog niet gesloten was. Voor zover de rechtbank dat niet heeft gedaan, heeft zij daarmee een processueel vormvoorschrift geschonden. Schending van processuele regels brengt echter niet zonder meer de schijn van partijdigheid met zich. Nu geen nadere omstandigheden zijn aangevoerd waarom het nalaten om te beslissen op het verzoek de schijn van partijdigheid zou opwekken, dient het wrakingsverzoek te worden afgewezen. De omstandigheid dat een verzoek tot het horen van dezelfde getuigen in de gelijktijdig behandelde zaak tegen een medeverdachte wel wordt toegewezen doet aan die conclusie niet af, nu hetgeen in die zaak is behandeld en beslist niet zonder meer tot gelijkluidende beslissingen in de zaak van verzoeker zou dienen te leiden.

6.4 Wat betreft de door mr. Hagenaars naar voren gebrachte discrepanties tussen de reactie van mr. [A] en het proces-verbaal van de terechtzitting is de wrakingskamer van oordeel dat deze, gelet op het in 6.3 overwogene, onbesproken kunnen blijven.

6.5 Naar het oordeel van de wrakingskamer doen zich ook overigens geen omstandigheden voor die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor een gebrek aan onpartijdigheid van mr. [A], mr. [B] en mr. [C] dan wel de uiterlijke schijn daarvan, zodat het verzoek dient te worden afgewezen.

6.6 Derhalve zal als volgt worden beslist.

7. Beslissing

De rechtbank:

wijst het verzoek tot wraking af;

bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;

beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 515, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegezonden aan:

• de verzoeker p/a zijn raadsman mr. Hagenaars;

• de officier van justitie mr. [D];

• de rechters mr. [A], mr. [B] en mr. [C].

Aldus ter terechtzitting van deze rechtbank in het openbaar uitgesproken op 3 oktober 2008 door mrs. L. de Loor-Alwin, E. Rabbie en J.Th. van Walderveen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.H. Kielman als griffier.