Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BF8775

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-03-2008
Datum publicatie
13-10-2008
Zaaknummer
306624/FT-RK 08.513
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Dwangakkoord

De rechtbank beschikt, behoudens de enkele vermelding door de budgetwinkel dat de schuldeisers niet te lang willen wachten op hun geld, niet over een onderbouwing van hun weigering akkoord te gaan

met het voorstel van verzoekster. De twee schuldeisers zijn deugdelijk opgeroepen om ter zitting te verschijnen om hun weigering nader toe te lichten. Ondanks de oproep zijn schuldeisers niet verschenen. Tijdens de behandeling ter zitting is telefonisch contact gezocht met (de gemachtigden van) beide schuldeisers. Zij hebben verklaard de oproep te hebben ontvangen. Door niet te verschijnen hebben schuldeisers kennelijk hun belang bij de weigering laten varen. Als gevolg daarvan stelt de rechtbank vast dat uitsluitend verzoekster nog een belang heeft. Haar verzoek komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en dient derhalve te worden toegewezen.

Ten aanzien van de beslaglegging overweegt de rechtbank als volgt:

Verzoekster heeft ter zitting gevraagd om opheffing van de belegde beslagen. In de wet is niets geregeld omtrent het in stand houden of laten vervallen van een beslag in deze situatie. De rechtbank acht zich niet bevoegd daarover in het kader van een verzoek ex artikel 287a Fw een uitspraak te doen. Wel geeft de rechtbank schuldeisers in overweging het beslag te doen vervallen, aangezien schuldeisers daarbij geen belang meer hebben. Immers, bij voortzetting van het beslag zullen kosten worden gemaakt, terwijl schuldeisers door onderhavig dwangakkoord bij instandlating van het beslag niet méér mogen behouden dan het overeengekomen maandelijkse deel van hun vordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

rekestnummer: 306624/FT-RK 08.513

nummer verklaring: DLF0110609727

uitspraakdatum: 26 maart 2008

RECHTBANK TE 'S-GRAVENHAGE

sector civiel recht - enkelvoudige kamer

[verzoekster],

wonende te [adres]

verzoekster,

heeft een verzoek ingediend waarin gevraagd wordt om een bevel op de voet van art. 287a, 1e lid, van de Faillissementswet (“dwangakkoord”) aan twee schuldeisers, enerzijds de Staat der Nederlanden (het CJIB) (gerechtsdeurwaarderskantoor Korenhof, De Braak & Kales) en anderzijds Cuvo Uitvaartverzorging (gerechtsdeurwaarderskantoor Boiten, Luhrs & Van der Lubbe), te geven om in te stemmen met de door verzoekster aangeboden schuldregeling.

Het verzoek is behandeld ter terechtzitting van 20 maart 2008. Verzoekster is verschenen en gehoord. De twee schuldeisers zijn niet verschenen, alhoewel zij daartoe wel behoorlijk zijn opgeroepen.

Het verzoek voldoet aan de daaraan gestelde eisen.

Standpunt van verzoekster

Verzoekster stelt dat schuldeisers in redelijkheid niet kunnen komen tot weigering van medewerking aan de schuldregeling die zij heeft aangeboden. De budgetwinkel van de gemeente Delft heeft de vordering van het CJIB opgenomen voor € 187,50, en die van Cuvo voor € 3.293,68. De totale schuldenlast bedraagt € 23.028,56.

Ten tijde van het opstellen van het minnelijk schuldsaneringsvoorstel kon verzoekster binnen drie jaar 98,26% van haar schuldenlast betalen. Vanwege het feit dat er inmiddels, door beslaglegging, is afgelost, kan thans zelfs de gehele schuldenlast binnen drie jaar worden afbetaald. Bij instandlating van de huidige situatie zouden echter door de hoge buitengerechtelijke kosten en rente de schuldeisers die wel meewerken langer dan drie jaar op voldoening van hun vordering moeten wachten. De budgetwinkel van de gemeente Delft heeft daar bij brief van 6 maart 2008 onder andere aan toegevoegd dat de beslagleggende deurwaarder – die namens zes van de vijftien schuldeisers beslag heeft gelegd – heeft verklaard dat het zeker nog vijf jaar gaat duren voordat alle beslaghebbende schuldeisers zijn afbetaald, zeer vermoedelijk als gevolg van de rente en buitengerechtelijke kosten. Dit staat haaks op het argument van de twee niet-meewerkende schuldeisers dat zij niet drie jaar willen wachten op volledige voldoening.

Beoordeling

De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of de twee betrokken schuldeisers in redelijkheid tot weigering van instemming met de schuldregeling hebben kunnen komen. Zij wijst het verzoek toe indien sprake is van een onevenredigheid tussen het belang dat schuldeisers hebben bij de uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en het belang van verzoekster dat door de weigering wordt geschaad.

De rechtbank oordeelt dat beide schuldeisers in redelijkheid niet tot de weigering hebben kunnen komen en overweegt daartoe als volgt.

De rechtbank beschikt, behoudens de enkele vermelding door de budgetwinkel dat de schuldeisers niet te lang willen wachten op hun geld, niet over een onderbouwing van hun weigering akkoord te gaan

met het voorstel van verzoekster. De twee schuldeisers zijn deugdelijk opgeroepen om ter zitting te verschijnen om hun weigering nader toe te lichten. Ondanks de oproep zijn schuldeisers niet verschenen. Tijdens de behandeling ter zitting is telefonisch contact gezocht met (de gemachtigden van) beide schuldeisers. Zij hebben verklaard de oproep te hebben ontvangen. Door niet te verschijnen hebben schuldeisers kennelijk hun belang bij de weigering laten varen. Als gevolg daarvan stelt de rechtbank vast dat uitsluitend verzoekster nog een belang heeft. Haar verzoek komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en dient derhalve te worden toegewezen.

Ten aanzien van de beslaglegging overweegt de rechtbank als volgt:

Verzoekster heeft ter zitting gevraagd om opheffing van de belegde beslagen. In de wet is niets geregeld omtrent het in stand houden of laten vervallen van een beslag in deze situatie. De rechtbank acht zich niet bevoegd daarover in het kader van een verzoek ex artikel 287a Fw een uitspraak te doen. Wel geeft de rechtbank schuldeisers in overweging het beslag te doen vervallen, aangezien schuldeisers daarbij geen belang meer hebben. Immers, bij voortzetting van het beslag zullen kosten worden gemaakt, terwijl schuldeisers door onderhavig dwangakkoord bij instandlating van het beslag niet méér mogen behouden dan het overeengekomen maandelijkse deel van hun vordering.

BESLISSING

De rechtbank:

- beveelt het CJIB (de Staat der Nederlanden) en Cuvo in te stemmen met de door [verzoekster] aangeboden schuldregeling als opgenomen in de brieven van de budgetwinkel van respectievelijk 30 oktober 2007 en 26 oktober 2007;

- beveelt het CJIB (de Staat der Nederlanden) en Cuvo, voor zover zij de gelegde beslagen niet zullen laten vervallen, al hetgeen zij maandelijks incasseren boven het bedrag waarop zij volgens het dwangakkoord met ingang van heden recht hebben, op eerste verzoek van verzoekster of haar budgetbeheerder aan een van beiden te restitueren.

Gewezen door mrs. H.W. Unger, D. de Loor en J.J. van der Helm, leden van genoemde kamer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 maart 2008 in tegenwoordigheid van R. Becker, griffier.