Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BF6779

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
15-08-2008
Datum publicatie
08-10-2008
Zaaknummer
AWB 08/27111
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Zicht op uitzetting van Palestijnen naar Libanon ontbreekt

Niet in geschil is dat eiser van Palestijnse afkomst is. In de door verweerder overgelegde brief van de Libanese autoriteiten is gesteld:

“(…) please be informed that under the provisions of Article 68(3) of the Association Agreement between Lebanon and The European Union, that entered into force in 2006 after the ratification of the Dutch parliament only “those persons who are considered Lebanese in accordance tot the Lebanese legal system and all the relevant laws concerning citizenship” could be readmitted tot Lebanon if “illegally present on the territory of a Member State” of the EU.”

De rechtbank maakt daaruit op dat slechts aan degenen die volgens de Libanese autoriteiten de Libanese nationaliteit hebben, een laissez passer wordt verstrekt. Verweerder heeft zich weliswaar op het standpunt gesteld dat eiser in Libanon is geboren, maar heeft zich niet op het standpunt gesteld dat eiser de Libanese nationaliteit heeft. Ook uit de brief van verweerder van 11 augustus 2008 maakt de rechtbank dit op, nu verweerder een onderscheid maakt tussen Palestijnen uit Libanon en Libanezen. Uit de brief van 11 augustus 2008 van verweerder blijkt verder dat in geheel 2007 en 2008 geen enkele laissez passer is verstrekt aan Palestijnen uit Libanon. Anders dan verweerder is de rechtbank van oordeel dat gelet hierop niet te verwachten valt dat aan eiser wel een laissez passer zal worden afgegeven. Er is geen reden om op voorhand aan te nemen dat het overleg op 18 augustus 2008 met de nieuwe consul van Libanon verandering gaat brengen in deze situatie, te meer nu dit overleg, naar verweerder heeft gesteld, slechts is bedoeld om werkafspraken in het laissez passer proces opnieuw af te stemmen. De rechtbank concludeert daarom dat er geen zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn bestaat. Nu dit ook al het geval was ten tijde van de inbewaringstelling van eiser, was de bewaring van aanvang af onrechtmatig.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 59
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2008/436
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

enkelvoudige kamer vreemdelingenzaken

Uitspraak

op grond van artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 94 en artikel 106 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 08/27111

V-nr.: 270.917.4851

inzake:

[eiser], geboren op [1981], van onbekende nationaliteit, verblijvende in Detentiecentrum Zaandam, eiser,

gemachtigde: mr. R.M. Seth Paul, advocaat te Amsterdam,

tegen:

de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. W.A. Kleingeld, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Op 28 juli 2008 is eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in bewaring gesteld.

Bij beroepschrift van 28 juli 2008 heeft eiser beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel.

Ingevolge artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 strekt het beroep tevens tot een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Het beroep is behandeld ter openbare zitting van 6 augustus 2008. Eiser is daar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. L.M. Weber, kantoorgenote van zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig de heer F.K.H. El-Madni als tolk in de Arabische taal. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Bij beslissing van 7 augustus 2008 heeft de rechtbank het onderzoek heropend teneinde nadere inlichtingen van verweerder te ontvangen. Verweerder heeft bij brief van 11 augustus 2008 nadere inlichtingen verstrekt. De gemachtigde van eiser heeft bij brief van 12 augustus 2008 op deze inlichtingen gereageerd. Beide partijen hebben de rechtbank toestemming verleend de zaak zonder nadere zitting af te doen. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek op 14 augustus 2008 gesloten.

II. OVERWEGINGEN

1. Eiser heeft het volgende - zakelijk weergegeven - aangevoerd.

1.1 De staande houding heeft onrechtmatig plaatsgevonden. Het proces-verbaal is zeer summier, het is goed mogelijk dat eiser is staande gehouden op basis van discriminatoire gronden.

1.2 De gronden kunnen de maatregel niet dragen. Eiser heeft Nederland verlaten zodra hij dat kon. Eiser beschikt over voldoende middelen, daar hij zelf zijn reis naar Zweden heeft bekostigd. Eiser heeft geen vaste woon- of verblijfplaats omdat hij niet in Nederland wenst te verblijven. Hij kwam slechts terug om de documenten op te halen die door gemachtigde van eiser naar de Palestijnse delegatie waren gestuurd.

1.3 De belangen van eiser zijn geschaad, daar verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld. Eiser heeft aangegeven dat mr. Seth Paul zijn vaste advocaat is, maar toch is de piket-advocaat gebeld.

1.4 Bovendien ontbreekt zicht op uitzetting. Uit de brief van de Palestijnse delegatie blijkt dat eiser Palestijn is, maar deze delegatie kan geen laissez passer verstrekken. De Libanese autoriteiten verstrekken al anderhalf jaar geen laissez passer aan Palestijnen. Verweerders stelling dat er zicht op uitzetting bestaat omdat er op 18 augustus 2008 overleg met de consul van Libanon zal plaatsvinden kan geen standhouden. Sinds 2006 vinden er al dergelijke gesprekken plaats, er is geen reden aan te nemen dat de Libanese autoriteiten hun standpunt plotseling zullen wijzigen naar aanleiding van dit gesprek.

1.5 Verweerder handelt onvoldoende voortvarend. Eiser is in een huis van bewaring geplaatst en twee maal gehoord, terwijl eiser in juni nog in vreemdelingenbewaring heeft gezeten en verweerder derhalve al over alle informatie beschikt.

2. Verweerder heeft het volgende - zakelijk weergegeven - aangevoerd.

2.1 De staande houding en de daarop volgende inbewaringstelling hebben rechtmatig plaatsgevonden. Op grond van paragraaf A3/2.4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) is bij Mobiel Toezicht Vreemdelingen (MTV) een redelijk vermoeden van illegaal verblijf niet vereist. De ervaring dat er op die plek regelmatig illegale immigratie plaatsvindt, is in een dergelijk geval voldoende. De controle was rechtmatig.

2.2 De gronden kunnen de maatregel dragen. Eiser beschikt niet over een paspoort of identiteitsbewijs en heeft geen vaste woon- of verblijfplaats. Eiser had geen geld bij zich en beschikt daarom over onvoldoende middelen. Bovendien heeft eiser eerder onrechtmatig in Nederland verbleven. Eiser heeft van 8 april 2008 tot en met 10 juni 2008 in bewaring gezeten en heeft nadien Nederland niet verlaten.

2.3 Eisers stelling dat zijn belangen zijn geschonden gaat niet op. Eiser wilde een advocaat bij het verhoor, maar de piketadvocaat kon niet aanwezig zijn. Pas na het verhoor gaf eiser het visitekaartje van mr. Seth Paul en is er contact met hem opgenomen. Uit het proces-verbaal blijkt dat eiser niet eerder heeft aangegeven dat hij mr. Seth Paul als advocaat wenste.

2.4 Eiser wil zelf terug naar Libanon. Dat eiser Palestijn is, maakt niet dat hij niet zou kunnen terugkeren. Hij is in Libanon geboren en uit de door eiser overlegde brief van de Palestijnse delegatie blijkt slechts dat eiser van Palestijnse afkomst is, niet dat hij de Palestijnse nationaliteit heeft. Het traject met Libanon is opgestart, verweerder dient in de gelegenheid te worden gesteld de uitkomst af te wachten. Uit de brief van de Libanese autoriteiten van 1 november 2006 blijkt slechts dat alleen diegenen die de Libanese autoriteiten als Libanees beschouwen kunnen terugkeren naar Libanon als zij illegaal worden aangetroffen in een ander land. Sinds 2007 zijn er geen laissez passer verstrekt door de Libanese autoriteiten aan Palestijnen. Dat maakt echter niet dat dit ook in de onderhavige zaak het geval zal zijn.

Op 18 augustus 2008 zal er overleg plaatsvinden met de nieuwe consul van Libanon om werkafspraken in het laissez passer proces opnieuw af te stemmen. Er wordt vanuit de zijde van de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) geen onderscheid gemaakt in laissez passer aanvragen voor Libanezen of uit Libanon afkomstige Palestijnen. Binnenkort wordt er een presentatiedatum bekend. Zicht op uitzetting ontbreekt vooralsnog niet.

2.5 Verweerder handelt voldoende voortvarend. Op 31 juli 2008 is eiser uitgeplaatst, op 4 augustus 2008 is het dossier verzonden en een regievoerder toegewezen, tevens is het laissez passer traject opgestart. Op 5 augustus 2008 is de laissez passer aanvraag naar de laissez passer afdeling van DT&V verstuurd. Op 11 augustus is de aanvraag naar de Libanese autoriteiten gestuurd.

3. De rechtbank overweegt het volgende.

3.1 Met betrekking tot het zicht op uitzetting oordeelt de rechtbank als volgt. Niet in geschil is dat eiser van Palestijnse afkomst is. In de door verweerder overgelegde brief van de Libanese autoriteiten is gesteld:

“(…) please be informed that under the provisions of Article 68(3) of the Association Agreement between Lebanon and The European Union, that entered into force in 2006 after the ratification of the Dutch parliament only “those persons who are considered Lebanese in accordance tot the Lebanese legal system and all the relevant laws concerning citizenship” could be readmitted tot Lebanon if “illegally present on the territory of a Member State” of the EU.”

De rechtbank maakt daaruit op dat slechts aan degenen die volgens de Libanese autoriteiten de Libanese nationaliteit hebben, een laissez passer wordt verstrekt. Verweerder heeft zich weliswaar op het standpunt gesteld dat eiser in Libanon is geboren, maar heeft zich niet op het standpunt gesteld dat eiser de Libanese nationaliteit heeft. Ook uit de brief van verweerder van 11 augustus 2008 maakt de rechtbank dit op, nu verweerder een onderscheid maakt tussen Palestijnen uit Libanon en Libanezen. Uit de brief van 11 augustus 2008 van verweerder blijkt verder dat in geheel 2007 en 2008 geen enkele laissez passer is verstrekt aan Palestijnen uit Libanon. Anders dan verweerder is de rechtbank van oordeel dat gelet hierop niet te verwachten valt dat aan eiser wel een laissez passer zal worden afgegeven. Er is geen reden om op voorhand aan te nemen dat het overleg op 18 augustus 2008 met de nieuwe consul van Libanon verandering gaat brengen in deze situatie, te meer nu dit overleg naar verweerder heeft gesteld slechts is bedoeld om werkafspraken in het laissez passer proces opnieuw af te stemmen. De rechtbank concludeert daarom dat er geen zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn bestaat. Nu dit ook al het geval was ten tijde van de inbewaringstelling van eiser, was de bewaring van aanvang af onrechtmatig.

3.2. Hetgeen voor het overige is aangevoerd behoeft gelet op het voorgaande geen bespreking.

3.3 Het beroep wordt gegrond verklaard en de opheffing van de bewaring wordt bevolen, met ingang van 15 augustus 2008.

3.4 De rechtbank ziet in het vorenstaande aanleiding eiser ten laste van de Staat der Nederlanden een vergoeding als bedoeld in artikel 106 van de Vw 2000 toe te kennen en wel tot een bedrag van € 95,-- per dag dat eiser op een politiebureau ten onrechte aan de vrijheidsontnemende maatregel onderworpen is geweest en € 70,-- per dag dat eiser in het Huis van Bewaring ten onrechte aan de vrijheidsontnemende maatregel onderworpen is geweest, derhalve in totaal € 1.335,-- (3 x € 95,-- en 15 x € 70,--).

3.5 Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,-- als kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 322,--, wegingsfactor 1).

III. BESLISSING

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- beveelt dat de bewaring ingaande 15 augustus 2008 wordt opgeheven;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot vergoeding van de schade, groot € 1.335,-- (zegge: dertienhonderdvijfendertig euro), te betalen aan eiser;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag groot € 644,-- (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier van deze rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan op 15 augustus 2008 door mr. A.W.C.M. van Emmerik, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. drs. A.L. Braam, griffier, en bekendgemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

Afschrift verzonden op:

Conc.: AB

Coll:

D: B

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt één week. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.