Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BF3808

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-09-2008
Datum publicatie
01-10-2008
Zaaknummer
AWB 06 / 57365
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Mvv-vereiste / procesbelang / handelwijze bestuursorgaan

1. Eiser, van Jordaanse nationaliteit, beoogt verblijf bij zijn Nederlandse echtgenote te verkrijgen. Een daartoe ingediende mvv-aanvraag is afgewezen. Daarbij is getoetst aan de voorwaarden die gelden voor het verkrijgen van een verblijfsvergunning regulier onder de beperking gezinshereniging of gezinsvorming. De afwijzingsgrond is gelegen in het niet voldoen aan die voorwaarden. Het tegen de afwijzing gemaakte bezwaar is bij het thans bestreden besluit ongegrond verklaard. Het beroep is behandeld ter zitting op 25 januari 2008 en – na heropening – op 11 juni 2008. Nadien is het onderzoek andermaal heropend.

2. Verweerder heeft ter zitting op 11 juni 2008 primair gesteld dat eiser geen belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit; eiser bevindt zich in Nederland en heeft derhalve geen belang bij het verkrijgen van een mvv die ertoe strekt toegang tot Nederland te krijgen. Daarnaast heeft eiser volgens verweerder ook geen procesbelang, omdat hij niet mvv-plichtig is.

3. De rechtbank heeft geoordeeld dat in de door verweerder aangehaalde uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 19 september 2005 (LJN AU3541) geen aanknopingspunten zijn te vinden voor het door verweerder ingenomen standpunt aangaande eisers verblijf in Nederland. De rechtbank heeft voor dat oordeel verwezen naar de Afdelingsuitspraak van 9 november 2004 (LJN AR8488). In die uitspraak is overwogen dat een vreemdeling die naar Nederland komt met het oogmerk zich te vestigen, op het moment van binnenkomst over een geldige mvv dient te beschikken. Het oogmerk zich alhier te vestigen heeft de rechtbank niet aanwezig geacht.

4. Anders dan verweerder heeft gesteld, maakt de stelling dat eiser niet mvv-plichtig is, evenmin dat eiser geen procesbelang (meer) heeft bij een beoordeling van het door hem ingestelde beroep. Verweerder heeft de onrechtmatigheid van het besluit op dit punt weliswaar erkend maar daarmee is de mvv plicht van eiser in de rechtsverhouding tussen eiser en verweerder niet van de baan.

5. Beroep gegrond; vernietiging bestreden besluit; herroeping primair besluit.

6. Tot slot heeft de rechtbank opgemerkt dat verweerder herhaaldelijk in deze procedure van standpunt heeft gewisseld en bovendien tot twee maal toe weigerachtig is geweest om door de rechtbank relevant geachte vragen te beantwoorden. Naar het oordeel past een dergelijke opstelling niet bij een zorgvuldig handelend bestuursorgaan en worden alle bij de betreffende procedure betrokken partijen daardoor onnodig belast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’S-GRAVENHAGE

Zittinghoudende te Roermond

Sector bestuursrecht, enkelvoudige kamer

Vreemdelingenkamer

Procedurenummer: AWB 06 / 57365

Uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

inzake

[eiser], eiser,

gemachtigde mr. L.F. Portier,

tegen

de Staatssecretaris van Justitie, verweerder.

1. Procesverloop

1.1. In deze uitspraak wordt onder verweerder tevens verstaan de rechtsvoorgangers van de Staatssecretaris van Justitie, als het bevoegde bestuursorgaan in procedures als de onderhavige.

1.2. Bij fax van 22 november 2006 heeft eiser beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 31 oktober 2006. Bij dit besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser van 26 september 2005, gericht tegen het besluit van 5 september 2005, ongegrond verklaard. Bij laatstgenoemd besluit heeft verweerder geweigerd eiser een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv), zijnde een visum in de zin van het Souverein Besluit van 1813 te verlenen.

Bij schrijven van 18 december 2006 heeft eiser de gronden van het beroep ingediend.

1.3. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden. De ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan eiser gezonden.

1.4. De openbare behandeling van het beroep door de enkelvoudige kamer van de rechtbank heeft plaatsgevonden op 25 januari 2008. Aldaar is eiser verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde voornoemd. Verweerder heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door mr. X.J. Polak. Tevens was mevrouw [echtgenote], echtgenote van eiser, ter zitting aanwezig.

1.5. Op 12 februari 2008 heeft de rechtbank het onderzoek met toepassing van het bepaalde in artikel 8:68, eerste lid, van de Awb heropend. De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld om nadere informatie te verstrekken.

1.6. Van deze gelegenheid heeft verweerder bij fax van 22 februari 2008 gebruik gemaakt. Bij brief van 13 maart 2008 heeft eiser vervolgens op de voormelde fax van verweerder gereageerd.

1.7. Het onderzoek, na verwijzing, is voortgezet door de meervoudige kamer van de rechtbank ter zitting op 11 juni 2008. Aldaar is eiser verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde voornoemd. Verweerder heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door mr. L.H.M. Hansen. Wederom was ter zitting aanwezig mevrouw [echtgenote] voornoemd.

1.8. Op 15 juli 2008 heeft de rechtbank het onderzoek met toepassing van het bepaalde in artikel 8:68, eerste lid, van de Awb andermaal heropend. De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld om de in de heropeningsbeslissing gestelde nadere vragen te beantwoorden.

1.9. Hierop is door verweerder gereageerd bij fax van 5 augustus 2008. Bij brief van 12 augustus 2008 heeft eiser vervolgens op de fax van 5 augustus 2008 gereageerd.

1.10. Bij fax van 25 augustus 2008 (verweerder) en brief van 26 augustus 2008 (eiser) hebben partijen ingevolge het bepaalde van artikel 8:57 van de Awb toestemming verleend om een nadere zitting achterwege te laten. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek op 29 augustus 2008 gesloten, hetgeen partijen dezelfde dag schriftelijk is medegedeeld. De uitspraak is bepaald op heden.

2. Overwegingen

2.1. Eiser is geboren op [1960] en is in het bezit van de Jordaanse nationaliteit. Eiser heeft hier te lande nimmer verblijf gehad op basis van een verblijfsvergunning.

2.2. Op 12 december 2003 heeft eiser een aanvraag tot het verlenen van een mvv ingediend. Eiser beoogt verblijf bij zijn Nederlandse echtgenote, mevrouw [echtgenote], te verkrijgen. Deze aanvraag is bij besluit van 5 september 2005 afgewezen. Aan die afwijzing heeft verweerder – kort gezegd – ten grondslag gelegd dat er volgens hem gronden aanwezig zijn om aan te nemen dat eiser en zijn echtgenote in Nederland niet gaan samenwonen en dat ze geen gemeenschappelijke huishouding gaan voeren. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij het thans bestreden besluit van 31 oktober 2006 ongegrond verklaard.

2.3. Zoals staat vermeld in rubriek 1, is het beroep tegen het besluit van 31 oktober 2006 voor de eerste keer ter zitting behandeld op 25 januari 2008. Het verhandelde ter zitting heeft de rechtbank doen beslissen om het onderzoek – na het eerst ter zitting gesloten te hebben – te heropenen en verweerder in de gelegenheid te stellen om de vraag te beantwoorden of aan eiser, gelet op het gemeenschapsrecht, wel de eis kan worden gesteld om hier te lande in het bezit te zijn van een geldige mvv. Uit de dossierstukken is immers gebleken dat eiser en zijn echtgenote in Frankrijk in het bezit zijn gesteld van een verblijfsvergunning: de echtgenote van eiser als EU-onderdaan en eiser als familielid van een EU-onderdaan; onder de gedingstukken (bijlage bij processtuk 31) bevindt zich een verblijfskaart van eiser (“carte de séjour communauté europeenne”).

2.4. In zijn reactie van 22 februari 2008 heeft verweerder gesteld dat aan eiser terecht de eis is gesteld om hier te lande in het bezit te zijn van een geldige mvv. Hiertoe heeft verweerder het volgende gesteld. Een houder van een verblijfskaart als familielid van een EU-onderdaan is in beginsel niet visumplichtig volgens artikel 8.9 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000). Echter, er zijn in het onderhavige geval concrete aanwijzingen dat van het aan het aan de verblijfskaart onderliggende recht geen sprake is, nu sprake is van een schijnhuwelijk, aldus verweerder. De EU-kaart op zichzelf verplicht niet tot toelating. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser in het onderhavige geval geen rechten ontleent aan het gemeenschapsrecht nu er sprake is van misbruik van dat recht. Verweerder heeft hiertoe verwezen naar artikel 35 van de Richtlijn 2005/38/EG (lees: 2004/38/EG) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van

29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (Richtlijn 2004/38/EG).

2.5. Dit op het gemeenschapsrecht gestoelde standpunt van verweerder in aanmerking nemend, heeft de rechtbank vervolgens voorafgaand aan de nadere zitting van 11 juni 2008 aan partijen op 10 juni 2008 telefonisch meegedeeld dat de rechtbank ter zitting vragen zou stellen over de inhoud van de artikelen 8.7, 8.8. en 8.25 van het Vb 2000, welke artikelen volgens verweerder dienen ter implementatie van de Richtlijn 2004/83/EG. In dit verband is tevens gewezen op de toelichting op artikel 8.7 van het Vb 2000 in het besluit van 24 april 2006, houdende wijziging van het Vb 2000 in verband met de implementatie van Richtlijn 2004/38/EG (Staatsblad 2006 215; pagina’s 30 en 31).

2.6. Ter zitting op 11 juni 2008 heeft verweerder vervolgens, onder verwijzing naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van

19 september 2005 (LJN AU3541) primair gesteld dat eiser geen belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit; eiser bevindt zich in Nederland en heeft derhalve geen belang bij het verkrijgen van een mvv die ertoe strekt toegang tot Nederland te krijgen. Subsidiair heeft verweerder ter zitting gesteld dat, op een geheel andere grondslag als is aangevoerd in de schriftelijke reactie van 22 februari 2008 naar aanleiding van de heropeningsbeslissing van 12 februari 2008, de Richtlijn 2004/38/EG niet op eiser van toepassing is. Hiertoe heeft verweerder betoogd dat eiser niet kan worden aangemerkt als “familielid” in de zin van artikel 2, tweede lid, van de Richtlijn 2004/38/EG, omdat hij de hoedanigheid als familielid zou hebben verkregen op basis van bedrog. Er is immers sprake van een schijnrelatie, aldus verweerder. Nu de Richtlijn 2004/38/EG in het geval van eiser niet van toepassing is, behoeft de door de rechtbank aan verweerder voorafgaand aan de zitting op 10 juni 2008 telefonisch gestelde vraag over de juistheid van de implementatie van voormelde Richtlijn 2004/38/EG geen beantwoording meer, zo heeft verweerder vervolgens geconcludeerd.

2.7. Vervolgens heeft de rechtbank aanleiding gezien om op 15 juli 2008 het onderzoek andermaal te heropenen. In de heropeningsbeslissing is, voorlopig oordelend, overwogen dat verweerder in het primaire noch het subsidiaire standpunt kan worden gevolgd en dat de hiervoor bedoelde vragen aldus nog steeds beantwoording behoeven. In de heropeningsbeslissing zijn de hiervoor bedoelde vragen op schrift gesteld; verweerder is de gelegenheid gegeven deze vragen alsnog te beantwoorden.

2.8. In zijn reactie van 7 augustus 2008 op de heropeningsbeslissing heeft verweerder opnieuw gesteld dat eiser geen belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit. Hiertoe heeft verweerder – samengevat weergegeven – gesteld dat het in de heropeningsbeslissing gegeven voorlopig oordeel over verweerders ter zitting op 11 juni 2008 ingenomen primaire standpunt ten aanzien van de belangenkwestie, onjuist is. Daarnaast heeft eiser volgens verweerder ook geen procesbelang, omdat hij niet mvv-plichtig is. Hiertoe heeft verweerder verwezen naar artikel 5 van de Richtlijn 2004/38/EG. Verweerder heeft zich in laatstgenoemd standpunt gesteund gezien door een (niet gepubliceerde) uitspraak van de Afdeling van 19 februari 2007 (200608640/1), welke uitspraak verweerder als bijlage bij zijn fax van 7 augustus 2008 heeft gevoegd.

2.9. De rechtbank overweegt als volgt.

2.10. De rechtbank blijft bij haar oordeel dat niet kan worden gezegd dat eiser geen procesbelang heeft bij een inhoudelijk oordeel over het thans bestreden besluit omdat eiser al in Nederland verblijft en aldus geen belang heeft bij het verkrijgen van een mvv die hem de toegang tot Nederland verschaft. De rechtbank verwijst naar de heropeningsbeslissing van 15 juli 2008, waarin ten aanzien van dit standpunt van verweerder als volgt is overwogen:

“De rechtbank overweegt dat in de door verweerder ter zitting aangehaalde uitspraak, naar haar voorlopig oordeel geen aanknopingspunten zijn te vinden voor het door verweerder ingenomen standpunt. In die zaak ging het om een vreemdeling die met een mvv Nederland was ingereisd en die vervolgens voor een verblijfsvergunning regulier in aanmerking was gebracht. Deze vreemdeling had geen belang bij de afwijzing van haar mvv aanvraag in verband met verruimde gezinshereniging. Daartoe achtte de Afdeling van belang dat een vreemdeling die over een verblijfsvergunning regulier beschikt wijziging van de aan die verbonden verblijfsvergunning verbonden beperking kan vragen zonder dat het mvv vereiste wordt tegengeworpen. De rechtbank ziet geen reden om het beroep wegens verval van procesbelang niet ontvankelijk te verklaren. De rechtbank verwijst voor dat oordeel naar de Afdelingsuitspraak van 9 november 2004 (LJN AR8488, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl en in JV 2005/22). In die uitspraak is overwogen dat een vreemdeling die naar Nederland komt met het oogmerk zich te vestigen, op het moment van binnenkomst over een geldige mvv dient te beschikken. Dit brengt mee, aldus is eveneens overwogen in genoemde uitspraak, dat een aanvraag tot verlening van een mvv kan worden afgewezen op de enkele grond dat de desbetreffende vreemdeling, voordat op de aanvraag is beslist, naar Nederland is gekomen met het oogmerk zich te vestigen. Naar dezerzijds voorlopige oordeel is van de in de uitspraak bedoelde situatie evenwel geen sprake. Zowel ter zitting op 25 januari 2008 als op 11 juni 2008 heeft eisers gemachtigde naar voren gebracht dat eiser (nog steeds) permanent in Frankrijk verblijft en enkel naar Nederland is gereisd met het doel om de behandeling ter zitting bij te wonen. Nu deze door eisers gemachtigde geschetste situatie van de zijde van verweerder onbetwist is gebleven is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een situatie dat eiser, voordat op zijn aanvraag was beslist, naar Nederland is gekomen met het oogmerk zich alhier te vestigen. Het voorgaande in aanmerking nemend, kan eiser naar het voorlopig oordeel van de rechtbank aldus worden ontvangen in zijn beroep.”

2.11. In hetgeen verweerder in zijn fax van 7 augustus 2008 heeft gesteld, ziet de rechtbank geen reden om dit voorlopige oordeel niet tot haar definitieve oordeel te maken. In de in die fax door verweerder gereleveerde omstandigheden dat eiser enige tijd hier te lande in vreemdelingenbewaring heeft gezeten en voorts ter zitting op 25 januari 2008 en 11 juni 2008 is verschenen is geen grond gelegen om af te wijken van het eerder ingenomen voorlopig oordeel.

2.12. Vervolgens oordeelt de rechtbank dat ook anderszins niet kan worden gezegd dat eiser niet kan ontvangen worden in zijn beroep. Anders dan verweerder heeft gesteld, maakt de (eerst) in de fax van 7 augustus 2008 ingenomen stelling dat eiser niet mvv-plichtig is niet dat eiser geen procesbelang (meer) heeft bij een beoordeling van het door hem ingestelde beroep. Naar dezerzijds oordeel erkent verweerder hiermee juist de onrechtmatigheid van het primaire en het bestreden besluit in die zin dat aan eiser ten onrechte de mvv plicht is opgelegd. Verweerder heeft de mvv-aanvraag van eiser immers op inhoudelijke gronden – namelijk door te stellen dat er sprake is van een schijnhuwelijk met de persoon bij wie eiser verblijf beoogt – afgewezen en het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. De erkenning van de onrechtmatigheid van de aan eiser tegengeworpen mvv plicht maakt echter niet dat daarmee deze plicht in de tussen partijen bestaande rechtsverhouding van de baan is. Derhalve kan niet worden gezegd dat het door eiser ingestelde beroep bij gegrondverklaring van dat beroep niet kan leiden tot het door eiser gewenste resultaat.

2.13. Nu verweerder de onrechtmatigheid van het besluit heeft erkend moet het beroep reeds daarom voor gegrond worden gehouden en het bestreden besluit worden vernietigd.

2.14. De rechtbank ziet aanleiding om met toepassing van het bepaalde in artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien en het primaire besluit van 5 september 2005 te herroepen, nu aan dit besluit hetzelfde gebrek kleeft als aan het bestreden besluit en dit gebrek in de bezwaarfase niet kan worden hersteld.

2.15. De rechtbank acht verder termen aanwezig om verweerder op grond van het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten die eiser redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met deze procedure, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden drie punten toegekend (één punt voor het indienen van het beroepschrift en twee punten voor het verschijnen ter zitting op 25 januari 2008 en 11 juni 2008) met een waarde van EUR 322, per punt. Het gewicht van de zaak wordt bepaald op gemiddeld, hetgeen correspondeert met de wegingsfactor één.

2.16. Door eiser is geen toevoeging overgelegd, zodat de rechtbank er, onder verwijzing naar de brief van de griffier van 27 november 2006, van uitgaat dat niet is geprocedeerd op basis van een toevoeging. Derhalve zal het bedrag van de proceskosten aan eiser worden vergoed.

2.17. Tevens zal de rechtbank bepalen dat aan eiser het betaalde griffierecht ten bedrage van EUR 141,-- dient te worden vergoed.

2.18. Tot slot hecht de rechtbank er nog aan op te merken dat verweerder herhaaldelijk in deze procedure van standpunt heeft gewisseld en bovendien tot twee maal toe weigerachtig is geweest om door de rechtbank relevant geachte vragen te beantwoorden. Naar het oordeel past een dergelijke opstelling niet bij een zorgvuldig handelend bestuursorgaan en worden alle bij de betreffende procedure betrokken partijen daardoor onnodig belast.

2.19. Beslist wordt als volgt.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit van verweerder van 31 oktober 2006;

herroept het primaire besluit van 5 september 2005;

veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure, aan de zijde van eiser begroot op EUR 966,-- (zijnde de kosten van de rechtsbijstand), te vergoeden door de Staat der Nederlanden aan eiser;

bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan eiser het gestorte griffierecht ten bedrage van EUR 141,-- volledig vergoedt.

Aldus gedaan door mrs. B.W.P.M. Corbey Smits (voorzitter), F.H. Machiels en A.W.P. Letschert in tegenwoordigheid van mr. W.A.M. Bocken als griffier en wegens afwezigheid van voornoemde griffier in het openbaar uitgesproken door mrs. Corbey-Smits, Machiels en Letschert voornoemd in tegenwoordigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur op 18 september 2008.

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier,

verzonden op: 18 september 2008

Een belanghebbende en het bestuursorgaan kunnen tegen deze uitspraak binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van "hoger beroep vreemdelingenzaken", Postbus 16113, 2500 BC te ’s-Gravenhage. Ingevolge artikel 85 van de Vw 2000 bevat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak. Artikel 6:5 van de Awb bepaalt onder meer dat bij het beroepschrift een afschrift moet worden overgelegd van de uitspraak.