Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BF3775

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-07-2008
Datum publicatie
01-10-2008
Zaaknummer
AWB 07/12430
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Definitierichtlijn / Ongeloofwaardig asielrelaas

Eiser heeft zich erop beroepen dat verweerder zijn aanvraag ten onrechte niet heeft getoetst aan artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn vanwege de ongeloofwaardigheid van het asielrelaas. Die beroepsgrond treft doel. De rechtbank verwijst voor haar oordeel naar de uitspraak van de Afdeling van 12 oktober 2007 (LJN: BB5841). Verweerder heeft niet zonder meer kunnen concluderen dat vanwege de ongeloofwaardigheid van het asielrelaas niet behoeft te worden getoetst aan artikel 15, aanhef en onder c, van deze richtlijn. De rechtbank ziet hierin aanleiding het bestreden besluit te vernietigen wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht. Zij acht echter tevens termen aanwezig om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten, nu naar het oordeel van de rechtbank een beroep op artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn voldoende onderbouwd moet zijn. Eiser heeft echter volstaan met te verwijzen naar de algehele situatie in Sierra Leone, stellende dat die situatie toentertijd dermate ernstig was dat al snel sprake was van een situatie waarin personen hadden te vrezen voor ernstige en individuele bedreiging als gevolg van willekeurig geweld. Van een voldoende onderbouwing is dan ook geen sprake. Beroep gegrond met in stand laten van de rechtsgevolgen. Veroordeling in de proceskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Dordrecht

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer

procedurenummer: AWB 07/12430, V-nummer: [v-nummer] ,

uitspraak van de enkelvoudige kamer

inzake

[eiser] , wonende te Rotterdam, eiser,

gemachtigde: mr. C.E. Koopmans, advocaat te Dordrecht,

tegen

de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. J. den Haan, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft bij besluit van 14 maart 2007 afwijzend beslist op de aanvraag van eiser tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. Tevens is daarbij besloten aan eiser niet ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen onder de beperking ‘verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling’.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 16 maart 2007 beroep ingesteld.

De zaak is op 16 mei 2008 ter zitting van een enkelvoudige kamer behandeld.

Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door mr. E.W.B. van Twist, kantoorgenoot van eisers gemachtigde.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1. Voor zover van belang luidt artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) als volgt:

“1. Onze Minister is bevoegd:

a. de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in te willigen, af te wijzen dan wel niet in behandeling te nemen;

b. de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur ervan in te willigen, af te wijzen dan wel niet in behandeling te nemen;

c. een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd te wijzigen, hetzij op aanvraag van de houder van de vergunning hetzij ambtshalve wegens veranderde omstandigheden;

d. een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in te trekken;

e. ambtshalve een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd te verlenen.

2. Een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt verleend onder beperkingen, verband houdende met het doel waarvoor het verblijf is toegestaan. Aan de vergunning kunnen voorschriften worden verbonden. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de beperkingen en voorschriften.

3. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt verleend voor ten hoogste vijf achtereenvolgende jaren. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning en de verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning”.

Voor zover hier van belang luidt artikel 29 van de Vw 2000:

"1. Een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 kan worden verleend aan de vreemdeling:

a. die verdragsvluchteling is;

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen;

c. van wie naar het oordeel van Onze Minister op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst;

d. voor wie terugkeer naar het land van herkomst naar het oordeel van Onze Minister van bijzondere hardheid zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar."

Voor zover hier van belang luidt artikel 1 van de Vw 2000:

"In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

(...)

k. Vluchtelingenverdrag: het Verdrag van Genève van 1951 betreffende de status van vluchtelingen (Trb. 1954, 88) en het bijbehorende Protocol van New York van 1967 (Trb. 1967, 76);

l. verdragsvluchteling: de vreemdeling die vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag en op wie de bepalingen ervan van toepassing zijn;".

Artikel 31, eerste lid van de Vw 2000, luidt als volgt:

"Een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 wordt afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zich zelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen."

Op grond van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000, wordt bij het onderzoek naar de aanvraag mede betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen.

Ingevolge artikel 32, eerste lid, onder c, van de Vw 2000 kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 worden ingetrokken dan wel de aanvraag voor verlenging van de geldigheidsduur ervan kan worden afgewezen, indien de grond voor verlening, bedoeld in artikel 29, is komen te vervallen.

Ingevolge artikel 33, aanhef en onder a, van de Vw 2000 is Onze Minister bevoegd de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd - voor zover relevant - af te wijzen.

Ingevolge artikel 34, eerste lid, van de Vw 2000 kan - voor zover hier relevant - de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 33 van de vreemdeling die direct voorafgaande aan de aanvraag, gedurende vijf achtereenvolgende jaren rechtmatig verblijf heeft genoten als bedoeld in artikel 8, onder c, slechts worden afgewezen indien zich op het moment waarop de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28, afloopt, een grond als bedoeld in artikel 32 voordoet.

2.2 Bij besluit van 26 augustus 2002 heeft verweerder aan eiser een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd tot 8 oktober 2004 verleend, op de grond dat terugkeer naar Sierra Leone van bijzondere hardheid zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar.

Het bestreden besluit strekt tot afwijzing van eisers aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd in de zin van artikel 33 van de Vw 2000 op grond van artikel 34 juncto artikel 32, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000. Daartoe heeft verweerder aangevoerd dat bij brief van 16 september 2002 de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, de Voorzitter van de Tweede Kamer heeft bericht dat het Kabinet heeft besloten het categoriale beschermingsbeleid voor asielzoekers van Sierraleoonse nationaliteit te beëindigen. Uit het algemeen ambtsbericht Sierra Leone van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van 8 juli 2002, kenmerk DVP/AM-754474, volgt dat de veiligheidssituatie in Sierra Leone in het algemeen is verbeterd. De algehele (veiligheids)situatie in Sierra Leone is volgens het ambtsbericht niet van dusdanige aard dat deze zou leiden tot de conclusie dat het voeren van een beleid van categoriale bescherming in de zin van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 is geïndiceerd.

Uit het bovenstaande volgt naar het oordeel van verweerder dat de grond voor verlening, bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 is komen te vervallen. Evenmin bestaat er volgens verweerder aanleiding eiser op de voet van één van de andere verleningsgronden van artikel 29 van de Vw 2000 een verblijfsvergunning asiel te verlenen.

2.3 Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en heeft daartoe de navolgende gronden aangevoerd.

Eiser stelt dat verweerder ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000. Het niet bezitten van documenten was ten tijde van de toegang van eiser tot Nederland immers een logisch gevolg van de algehele situatie in Sierra Leone. Het is volgens eiser niet redelijk hem na ommekomst van jaren alsnog tegen te werpen dat hij niet beschikt over documenten. Met de eis dat van het asielrelaas een positieve overtuigingskracht moet uitgaan heeft verweerder een te streng criterium aangelegd. Dat klemt volgens eiser temeer nu in 2002 een beoordeling heeft plaatsgevonden en hem destijds vorengenoemd artikel niet is tegengeworpen. Eiser stelt dat de toentertijd genomen beschikking formele rechtskracht heeft, en dat er geen afdoende reden is om terug te komen op die eerdere vaststelling van feiten. Eiser stelt dat uit dient te worden gegaan van de geloofwaardigheid van zijn asielrelaas.

Voor de stelling dat geen sprake is van positieve overtuigingskracht wordt volgens eiser ten onrechte slechts verwezen naar de ontsnapping van eiser uit het rebellenkamp, hetgeen een ondergeschikt punt is en bovendien geen hout snijdt. Niet is aangegeven in welk opzicht het asielrelaas vaag zou zijn of ongerijmdheden zou bevatten. Eiser stelt dat de aanvraag ten onrechte niet inhoudelijk is beoordeeld, maar slechts is volstaan met het schetsen van een wettelijk kader zonder het feitencomplex te toetsen.

Eiser meent dat hij vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag en dat hij als zodanig had moeten worden toegelaten. Hij verwijst daartoe naar het feit dat hij in Sierra Leone bekend is als een persoon die “bij de rebellen was” en dientengevolge het risico loopt om slachtoffer te worden van in het Vluchtelingenverdrag verboden daden van vervolging. Eiser maakt aanspraak op bescherming op zowel de a-grond als de b-grond, nu de vervolging zowel uitgaat van de autoriteiten als van personen die in de oorlog slachtoffer zijn geworden en verhaal wensen te halen.

Eiser heeft zich er op beroepen dat hij in aanmerkelijke mate is ingeburgerd in de Nederlandse samenleving en zijn leven hier heeft opgebouwd, hetgeen zou blijken uit het feit dat hij werk heeft de taal spreekt en omgang heeft met tal van in Nederland verblijvende personen. De rechtbank begrijpt het betoog van eiser aldus, dat hij zich beroept op individuele klemmende redenen van humanitaire aard, op grond waarvan hem op de c-grond een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd zou moeten worden verleend.

Eiser stelt voorts dat verweerder ten onrechte het categoriale beschermingsbeleid ten aanzien van Sierra Leone heeft afgeschaft en verwijst daartoe naar de algehele situatie in Sierra Leone, op grond waarvan hij nog steeds het risico loopt het slachtoffer te worden van daden van vervolging.

Eiser beroept zich erop zelf slachtoffer te zijn geworden van de oorlog, hetgeen relevant is bij de toetsing aan artikel 15c van de Definitierichtlijn. Het door verweerder ingenomen standpunt dat alleen aan genoemd artikel hoeft te worden getoetst indien sprake is van een geloofwaardig asielrelaas is juridisch en feitelijk onjuist. Eiser beroept zich op de algehele situatie in Sierra Leone op grond waarvan hem bescherming toekomt op grond van de Definitierichtlijn.

Voor zover hij niet als vluchteling kan worden aangemerkt had eiser naar zijn mening in ieder geval met terugwerkende kracht alsnog als alleenstaande minderjarige vreemdeling (hierna: amv) moeten worden toegelaten nu hij ten tijde van de toegang tot Nederland minderjarig was. Indien hij toentertijd niet op grond van het categoriale beschermingsbeleid was toegelaten had hij een verblijfsvergunning moeten krijgen als amv. Verweerder dient eiser op grond van het eigen beleid alsnog toe te laten als amv. Eiser meent dat het menselijkerwijs gezien onredelijk is dat niet te doen.

2.4 De rechtbank overweegt als volgt.

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling), zoals de uitspraken van 20 februari 2004 (JV 2004, 172; LJN: AO6239) en 28 september 2004 (JV 2004, 434; LJN: AR5357), ligt in een besluit tot verlening van een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 het oordeel besloten, dat geen aanspraak bestaat op een verblijfsvergunning op de gronden a tot en met c. Een dergelijk besluit wordt voorts niet in rechte onaantastbaar, voor zover daarin ligt besloten dat geen aanspraak bestaat op een verblijfsvergunning uit hoofde van de gronden a tot en met c. Dit betekent dat eiser hangende de geldigheidsduur van de vergunning geen belang had bij het instellen van bezwaar of beroep tegen het daaraan ten grondslag liggende besluit. Dit belang is evenwel herleefd met het voornemen tot afwijzing van de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd, omdat de grond voor verlening van een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 is komen te ontvallen in verband met de beëindiging van het categoriale beschermingsbeleid. Gelet op voornoemde Afdelingsjurisprudentie heeft verweerder dan ook juist gehandeld door al hetgeen door de vreemdeling is aangevoerd met betrekking tot de gronden van artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000 te betrekken in de beoordeling van de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd.

Verweerder heeft terecht getoetst of eiser ten tijde van de verleende verblijfsvergunning aanspraak kon maken op een verblijfsvergunning op één van de andere gronden genoemd in artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000, dan wel of eiser, ex nunc toetsend, in aanmerking dient te komen voor een verblijfsvergunning op één van die gronden. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.

Ingevolge vaste rechtspraak behoort de beoordeling van de geloofwaardigheid van de door de vreemdeling in zijn asielrelaas naar voren gebrachte feiten tot de verantwoordelijkheid van verweerder en kan die beoordeling slechts terughoudend door de rechter worden getoetst. Als zich de omstandigheid voordoet als bedoeld in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000, mogen ingevolge artikel 31 van de Vw 2000, mede gelet op de geschiedenis van de totstandkoming van die bepaling (MvT, p. 40/41) en volgens de ter uitvoering daarvan gestelde beleidsregels, in het asielrelaas om het geloofwaardig te achten geen hiaten, vaagheden, ongerijmde wendingen en tegenstrijdigheden op het niveau van de relevante bijzonderheden voorkomen; van het asielrelaas moet dan een positieve overtuigingskracht uitgaan.

De rechtbank heeft de beoordeling door verweerder van het asielrelaas te toetsen binnen het boven weergegeven samenhangende toetsingskader. Daarbij zal de rechtbank derhalve niet een eigen waardering van ieder afzonderlijk element kunnen geven. De rechtbank zal voorts in acht hebben te nemen, dat het ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 aan de vreemdeling is om zijn relaas aannemelijk te maken.

Ten aanzien van eiser heeft verweerder in het bestreden besluit terecht toepassing gegeven aan artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000. Daartoe heeft verweerder aan eiser kunnen tegenwerpen dat eiser geen reis- of identiteitspapieren heeft kunnen overleggen, die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft weten te maken dat het ontbreken van documenten niet aan hem is toe te rekenen. Verweerder heeft in dat verband naar het oordeel van de rechtbank niet ten onrechte overwogen dat eiser geen enkel indicatief bewijs van de reis kan overleggen en evenmin in staat is gebleken om gedetailleerde, coherente en verifieerbare verklaringen omtrent de reisroute af te leggen.

De stelling van eiser dat hem artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 niet kan worden tegengeworpen omdat de beschikking van 26 augustus 2002, waarbij aan eiser een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd is verleend zonder dat hem het ontbreken van documenten is tegengeworpen, rechtens onaantastbaar is geworden, kan niet worden gevolgd. Zoals hiervoor overwogen impliceert het verlenen van een verblijfsvergunning op de d-grond de afwijzing van een verblijfsvergunning op één van de andere gronden als bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000. Dat in de beschikking van 26 augustus 2002 niet is gemotiveerd waarom er geen aanspraak bestond op een verblijfsvergunning op één van de “hogere” gronden in artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000, impliceert naar het oordeel van de rechtbank niet dat verweerder zich in het besluit met betrekking tot de aanvraag om een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, niet alsnog expliciet kan beroepen op de toepasselijkheid van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000.

Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de oprechtheid van het asielrelaas op voorhand is aangetast en dat afbreuk wordt gedaan aan de geloofwaardigheid van het relaas.

Verweerder heeft zich evenzeer in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat van eisers asielrelaas geen positieve overtuigingskracht uitgaat en dat geen geloof wordt gehecht aan de verklaringen omtrent zijn verblijf bij de rebellen en zijn relatief eenvoudige ontsnapping van de rebellen. Verweerder heeft zich daarbij mogen baseren op het feit dat ter zake summiere en vage verklaringen zijn afgelegd. Zo heeft eiser bij voorbeeld geen namen van andere rebellengroeperingen kunnen noemen en heeft hij evenmin namen kunnen noemen van plaatsen die door de rebellen tijdens zijn verblijf zijn aangevallen. Eiser heeft niet bij benadering kunnen aangeven hoeveel kinderen er werden vastgehouden door de rebellen. Eiser heeft geen namen kunnen noemen van plaatsen die hij tijdens zijn vlucht heeft gepasseerd. Verweerder heeft zich dan ook op het standpunt kunnen stellen dat het relaas van eiser blijft steken in algemeenheden zonder te komen tot een concrete en verifieerbare onderbouwing. Het betoog van eiser dat niet goed is gemotiveerd waarom er van het asielrelaas geen positieve overtuigingskracht uitgaat, alsmede de stelling dat ten onrechte niet is getoetst aan het feitencomplex moeten dan ook worden verworpen.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder aldus heeft kunnen besluiten dat er geen grond is voor verlening van een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder voorts terecht geen grond voor verlening van een verblijfsvergunning op de voet van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 gezien. Niet aannemelijk is geworden dat eiser bij terugkeer naar Sierra Leone een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen. Niet gebleken is dat eiser persoonlijk op enigerlei wijze in de negatieve belangstelling van de Sierra Leoonse autoriteiten is komen te staan, noch dat hij heeft te vrezen voor een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) door anderen dan overheidsfunctionarissen.

Verweerder heeft evenzeer terecht geen grond gezien voor verlening van een verblijfsvergunning op de voet van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000, op de grond dat het asielrelaas van eiser ongeloofwaardig moet worden geacht. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat niet kan worden gesproken van individuele klemmende redenen van humanitaire aard. De enkele stelling dat eiser in Nederland ingeburgerd zou zijn, kan niet leiden tot de conclusie dat sprake is van individuele klemmende redenen van humanitaire aard.

De stelling van eiser dat verweerder ten onrechte het categoriale beschermingsbeleid voor Sierra Leone heeft beëindigd moet worden verworpen, reeds omdat eiser heeft nagelaten die stelling op enigerlei wijze te onderbouwen en slechts heeft volstaan met te verwijzen naar de algehele situatie in Sierra Leone. Zoals hiervoor overwogen volgt uit het algemeen ambtsbericht van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van 8 juli 2002, dat de veiligheidssituatie in Sierra Leone in het algemeen is verbeterd. In hetgeen eiser heeft aangevoerd kan geen aanleiding worden gevonden om aan de juistheid van het algemeen ambtsbericht te twijfelen.

De rechtbank is mitsdien van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser zowel ex tunc als ex nunc toetsend niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel op één van de in artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000 genoemde gronden voor zover daarop door eiser een beroep is gedaan.

Eiser heeft zich erop beroepen dat verweerder zijn aanvraag ten onrechte niet heeft getoetst aan artikel 15, aanhef en onder c, van Richtlijn 2004/83/EG inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchtelingen of als personen die anderszins internationale bescherming behoeven, en de inhoud van de verleende bescherming (hierna: de Definitierichtlijn) vanwege de ongeloofwaardigheid van het asielrelaas. Die beroepsgrond treft doel.

De rechtbank verwijst voor haar oordeel naar de uitspraak van de Afdeling van 12 oktober 2007 (LJN: BB5841) waarin prejudiciële vragen zijn gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (HvJ) met betrekking tot de reikwijdte van de door artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn geboden bescherming.

De rechtbank begrijpt de uitspraak van de Afdeling aldus dat, in de situatie waarin de door de vreemdeling gestelde nationaliteit en/of herkomst niet ongeloofwaardig wordt geacht, aan het feit dat het ontbreken van documenten op grond van 31, tweede lid, aanhef en onder f, Vw 2000, toerekenbaar wordt geacht en het asielrelaas ongeloofwaardig wordt geacht niet zonder meer het oordeel dient te worden verbonden dat een beroep op artikel 15, aanhef en onder c, Definitierichtlijn, reeds om die reden niet kan slagen. In de aan de Afdelingsuitspraak ten grondslag liggende afwijzende beschikking heeft verweerder, blijkens het gestelde in rechtsoverweging 2.5, de door die vreemdelingen gestelde nationaliteit niet ongeloofwaardig geacht, en heeft de Afdeling het voor de beoordeling van het beroep op artikel 15, aanhef en onder c, Definitierichtlijn, in die procedure noodzakelijk geacht prejudiciële vragen te stellen met betrekking tot genoemd artikel in relatie tot artikel 3 van het EVRM. Aan het HvJ is - kort samengevat - gevraagd of genoemd artikel van de Definitierichtlijn aanvullende of andere bescherming biedt en, zo dat het geval is, welke criteria hebben te gelden om te beoordelen of een persoon die stelt voor de subsidiaire beschermingsstatus in aanmerking te komen, een reëel risico loopt op ernstige en individuele bedreiging als gevolg van willekeurig geweld als bedoeld in de Definitierichtlijn.

Uit het vorenstaande volgt dat verweerder niet zonder meer heeft kunnen concluderen dat vanwege de ongeloofwaardigheid van het asielrelaas niet behoeft te worden getoetst aan arttikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. De rechtbank ziet hierin aanleiding het bestreden besluit te vernietigen wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Zij acht echter tevens termen aanwezig om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten, nu naar het oordeel van de rechtbank een beroep op artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn voldoende onderbouwd moet zijn. Eiser heeft echter volstaan met te verwijzen naar de algehele situatie in Sierra Leone, stellende dat die situatie toentertijd dermate ernstig was dat al snel sprake was van een situatie waarin personen hadden te vrezen voor ernstige en individuele bedreiging als gevolg van willekeurig geweld. Van een voldoende onderbouwing is dan ook geen sprake. Gelet hierop kan eisers beroep op artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn naar het oordeel van de rechtbank niet slagen.

Met betrekking tot het beroep dat door eiser is gedaan op het door verweerder gevoerde beleid met betrekking tot alleenstaande minderjarige vreemdelingen overweegt de rechtbank als volgt. Uit de systematiek van de Vw 2000 volgt dat pas bezien kan worden of een vreemdeling in aanmerking komt voor ambtshalve verlening van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van die wet onder de beperking ‘verblijf als amv’, zodra hij niet meer in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Met deze systematiek verdraagt zich niet dat de vraag, of de betrokken vreemdeling in aanmerking komt voor ambtshalve verlening van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000 onder de beperking ‘verblijf als amv’, achteraf wordt beantwoord over de periode waarin hij in het bezit was van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft zich mitsdien terecht op het standpunt gesteld dat niet achteraf behoefde te worden getoetst aan de voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning op de genoemde grond. De rechtbank verwijst dienaangaande naar de uitspraak van de Afdeling van 31 oktober 2007 (LJN: BB7232). De rechtbank overweegt voorts dat door eiser niet is bestreden dat hij op de dag na de laatste dag van de geldigheid van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd meerderjarig was en derhalve per die datum om die reden niet in aanmerking komt voor een amv-vergunning.

Ten aanzien van de door eiser overgelegde geboorteakte ten name van [naam] van 12 februari 2007 en het diploma beroepsonderwijs van 22 juni 2006 op naam van eiser overweegt de rechtbank dat deze documenten zijn gedateerd vóór de bestreden beschikking. Gesteld noch gebleken is dat eiser niet in staat is geweest die documenten eerder in te brengen, zodat deze documenten niet zijn aan te merken als feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 83 van de Vw 2000. Reden waarom de rechtbank deze stukken bij haar oordeelsvorming buiten beschouwing heeft gelaten.

De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren wegens strijd met artikel 7:12 van de Awb en de rechtsgevolgen met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb, geheel in stand laten.

2.5. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste en derde lid, van de Awb te veroordelen in de kosten die eiser heeft gemaakt en de Staat der Nederlanden aan te wijzen als rechtspersoon die de kosten moet vergoeden. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 644,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1).

Gezien het vorenstaande beslist de rechtbank als volgt.

3. Beslissing

De rechtbank 's-Gravenhage,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- laat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt de Staat der Nederlanden op aan eiser een bedrag van € 644,- te voldoen.

Aldus gegeven door mr. P. Putters, rechter, en door deze en mr. C. Willemsen, griffier, ondertekend.

De griffier,

De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op:

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier.

Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet geadresseerd worden aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage. Men wordt verzocht een afschrift van de uitspraak mee te zenden.