Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BF2110

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
14-08-2008
Datum publicatie
24-09-2008
Zaaknummer
AWB 08/27465
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring / onrechtmatige staandehouding / belangenafweging

Voor de vaststelling of sprake is van staandehouding krachtens de Vw 2000 is van belang dat in het desbetreffende procesverbaal niet slechts melding wordt gemaakt van de grond van aanhouding, maar tevens inzicht wordt verschaft in de omstandigheden en de redenen die aanleiding hebben gegeven tot de staandehouding (Afdeling 28 september 2007 LJN: BB5258). In het onderhavige geval kan uit de vastgelegde weergave van de omstandigheden die hebben geleid tot de staandehouding van eiser, niet in voldoende mate worden afgeleid dat de staandehouding en de daarop volgende controle op de identiteit hebben plaatsgevonden in het kader van de uitoefening van bevoegdheden die zijn gebaseerd op andere wetten dan de Vw 2000. Zoals eveneens volgt uit de hiervoor aangehaalde uitspraak van de Afdeling moet het in een dergelijk geval ervoor worden gehouden dat de controle op de identiteit van eiser heeft plaatsgevonden in het kader van de uitoefening van de bevoegdheid neergelegd in artikel 50, eerste lid, van de Vw 2000. Er was geen sprake van een redelijk vermoeden van illegaal verblijf. Gelet op de belangen ter bescherming waarvan het betrokken voorschrift strekt, waaronder de bescherming tegen willekeurig optreden van de overheid, acht de rechtbank de belangen die verweerder heeft gesteld van onvoldoende gewicht om de oplegging en de voortduring van de maatregel van bewaring in redelijkheid gerechtvaardigd te achten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer, enkelvoudig

Nevenzittingsplaats Rotterdam

Reg.nr : AWB 08/27465

V-nummer: [v-nummer]

Inzake:

eiser,

gemachtigde mr. J.R. Juriaans, advocaat te Leiden,

tegen:

de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. Ch. Vink.

I Procesverloop

1 Eiser heeft gesteld te zijn geboren in 1965 en de Ivoriaanse nationaliteit te bezitten.

2 Op 30 juli 2008 is beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 30 juli 2008 waarbij eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) de maatregel van bewaring is opgelegd.

3 De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 13 augustus 2008. Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was aanwezig M.J. Koeman, tolk in de Engelse taal.

II Overwegingen

1 Ingevolge artikel 94, vierde lid, van de Vw 2000 staat ter beoordeling of het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in strijd is met deze wet, dan wel bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is te achten.

2 Eiser voert aan dat de staandehouding onrechtmatig is geschied. Eiser betwist dat ten tijde van de staandehouding jegens hem een redelijk vermoeden van illegaal verblijf bestond. Eiser betwist dat de politie rechtmatig gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheden als bedoeld in de artikelen 2 en 8a van de Politiewet 1993. Blijkens het proces-verbaal van aanhouding van 29 juli 2008 hebben de verbalisanten eiser enkel aangesproken vanwege zijn negroïde uiterlijk en omdat zij hem nog nooit eerder hadden gezien bij het opvanghuis voor dak- en thuislozen. Uit het proces-verbaal blijkt niet dat eisers gedrag aanleiding gaf hem te verdenken van een strafbaar feit of verstoring van de openbare orde. Verbalisanten hadden geen enkele reden om eiser te vragen naar zijn identiteitspapieren. Het ging om een incidentele controle. Subsidiair is eiser van mening dat met een lichter middel kan worden volstaan. Eiser heeft immers een vaste verblijfplaats en een vriendin en kind hier te lande.

3 Verweerder voert aan dat eiser op juiste gronden in het kader van het strafrecht is aangehouden. Uit het proces-verbaal van aanhouding blijkt dat eiser is aangehouden op de toegangsweg naar een opvanghuis voor dak- en thuislozen. Op deze locatie worden bezoekers gecontroleerd in het kader van de handhaving van de openbare orde. Eiser was voor verbalisanten de enige onbekende aldaar, dus is hem naar zijn identiteitsbewijs gevraagd. Mocht de staandehouding onrechtmatig worden geacht dan dienen de belangen die zijn gemoeid met oplegging en voortduring van de bewaring zwaarder te wegen dan de belangen van eiser. Eiser is immers in Italië ongewenst verklaard.

4 De rechtbank overweegt het volgende.

4.1 Het op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal van aanhouding van 29 juli 2008 vermeldt, voorzover thans van belang:

“(...) GROND VOOR AANHOUDING

Artikel 2 Wet op de Identificatieplicht

i.v.m.

Artikel 447 e Wetboek van Strafrecht

en

Artikel 435, lid 4, Wetboek van Strafrecht

REDEN VAN DE AANHOUDING

Op dinsdag 29 juli 2008, omstreeks 21.30 uur, bevonden wij verbalisanten in uniform gekleed op een opvallende dienstfiets op de Papegaaisbolwerk te Leiden. Op de toegangsweg naar de Nieuwe Zorg, het opvanghuis voor dak en thuisloze (alcoholisten/junks) daar zagen wij verbalisanten een achttal ambtshalve bekende harddrugsgebruikers en alcoholisten. Op deze lokatie controleren wij de bezoekers in het kader van de handhaving van de openbare orde. Tussen hen in stond een negroïde man op een racefiets. De identiteit van de man was ons verbalisanten onbekend. Wij hadden deze man nog niet eerder gezien. Ik verbalisant [naam 1] sprak de man aan en vroeg hem zijn identiteit. De man antwoordde in het Engels dag hij uit Frankrijk afkomstig was. Ik zei de man dat dit niet uitmaakte en toch zijn identiteitspapieren wilde zien. Wij zagen dat de man verschillende papieren op het zadel van zijn fiets legde. Uiteindelijk haalde hij een in drie delen gescheurd proces-verbaal van vermissing reisdocument uit zijn portemonnee. Ik verbalisant [naam 1] zag dat dit document opgemaakt was op 15 juni 2007. De man zei te heten zoals op het document vermeld stond. Ik zag de volgende personalia op het document staan – [naam 2] – geboren op [geboortedatum] 1970 te Ghana, wonende aan de [adres] verbalisant [naam 1] trok de man na bij de meldkamer van politie Hollands Midden. Ik kreeg te horen dat de man een niet tot het Schengen toe te laten vreemdeling was. Hierop hebben wij de man aangehouden.(...)”

4.2 Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 28 september 2007 (LJN: BB5258) is voor de vaststelling of sprake is van staandehouding krachtens de Vw 2000 van belang dat in het desbetreffend proces-verbaal niet slechts melding wordt gemaakt van de grond van aanhouding, maar tevens inzicht wordt verschaft in de omstandigheden en de redenen die aanleiding hebben gegeven tot de staandehouding. Naar het oordeel van de rechtbank kan evenwel uit de in voormeld proces-verbaal vastgelegde weergave van de omstandigheden die hebben geleid tot de staandehouding van eiser, niet in voldoende mate worden afgeleid dat die staandehouding en de daarop volgende controle op de identiteit van eiser hebben plaatsgevonden in het kader van de uitoefening van bevoegdheden die zijn gebaseerd op andere wetten dan de Vw 2000. De enkele omstandigheid dat eiser zich ophield in een groep van harddruggebruikers en alcoholisten in de buurt van een opvanghuis voor dak- en thuislozen en als enige niet werd herkend door de verbalisanten, is - anders dan verweerder stelt - onvoldoende om aan te nemen dat het redelijkerwijs noodzakelijk was om eiser, voor de uitoefening van de politietaak als bedoeld in artikel 8a, eerste lid, van de Politiewet 1993, te vragen naar zijn identiteitspapieren.

4.3 Zoals eveneens volgt uit de hiervoor aangehaalde uitspraak van de Afdeling moet het in een dergelijk geval ervoor worden gehouden dat de controle op de identiteit van eiser heeft plaatsgevonden in het kader van de uitoefening van de bevoegdheid neergelegd in artikel 50, eerste lid, van de Vw 2000. Zodanige controle kan evenwel eerst plaatsvinden, indien sprake is van een redelijk vermoeden van illegaal verblijf als bedoeld in voornoemd artikellid. Aan de omstandigheid dat eiser zich ophield in een groep van dak- en thuislozen en als enige niet werd herkend door de verbalisanten kan evenwel naar het oordeel van de rechtbank geen redelijk vermoeden van illegaal verblijf worden ontleend.

4.4 Vaste rechtspraak is dat de onrechtmatigheid van de staandehouding de daaropvolgende inbewaringstelling eerst onrechtmatig maakt, indien de met de bewaring gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen. Verweerder stelt dat de maatregel wordt gevorderd door het belang van de openbare orde omdat er aanwijzingen zijn om te vermoeden dat eiser zich aan de uitzetting zal onttrekken, hetgeen volgens verweerder blijkt uit de omstandigheid dat eiser niet beschikt over een identiteitspapier als bedoeld in artikel 4.21 van het Vreemdelingenbesluit 2000, geen vaste woon- of verblijfplaats heeft, zich niet heeft aangemeld bij de korpschef, eerder niet rechtmatig in Nederland heeft verbleven en onvoldoende middelen van bestaan heeft. Daarnaast heeft verweerder ter zitting gesteld dat eiser in Italië tot ongewenst persoon is verklaard. Gelet evenwel op de belangen ter bescherming waarvan het betrokken voorschrift strekt, waaronder de bescherming tegen willekeurig optreden van de overheid, acht de rechtbank de belangen die verweerder heeft gesteld van onvoldoende gewicht om de oplegging en de voortduring van de maatregel van bewaring in redelijkheid gerechtvaardigd te achten.

4.5 De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat voortzetting van de maatregel van bewaring met ingang van 30 juli 2008 bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is.

4.6 Het beroep is derhalve gegrond en de maatregel dient te worden opgeheven met ingang van 14 augustus 2008. Gelet op het voorgaande kan al het overige verder onbesproken blijven.

4.7 Voorts acht de rechtbank voldoende gronden aanwezig om schadevergoeding toe te kennen voor 6 dagen onrechtmatige bewaring in een politiecel (van 30 juli 2008 tot 5 augustus 2008) ten bedrage van € 95,- = € 570,- en 9 dagen onrechtmatige bewaring in een huis van bewaring (van 5 augustus 2008 tot 14 augustus 2008) ten bedrage van € 70,- = € 630,-. Het totale bedrag aan schadevergoeding komt daarmee op € 1.200,-.

4.8 De rechtbank ziet aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,-- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322,- en wegingsfactor 1.) Aangezien ten behoeve van eiser een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient de betaling van dit bedrag ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb te geschieden aan de griffier van de rechtbank.

III Beslissing

De rechtbank ’s-Gravenhage:

recht doende:

1 verklaart het beroep gegrond;

2 beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 14 augustus 2008;

3 wijst het verzoek om schadevergoeding toe en kent aan eiser schadevergoeding toe ten bedrage van € 1.200,- ten laste van de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie), te betalen door de griffier van de rechtbank;

4 veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 644,- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie) als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier dient te vergoeden.

Aldus gedaan door mr. J. de Gans, rechter, en door deze en mr. J.H.J. Baarsma-Reuchlin, griffier, ondertekend.

De griffier,

De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op: 14 augustus 2008.

Rechtsmiddel

Krachtens artikel 95 van de Vw 2000 staat tegen deze uitspraak hoger beroep open. Ingevolge artikel 84, aanhef en onder d, van de Vw 2000 staat geen afzonderlijk hoger beroep open tegen de beslissing op het verzoek om schadevergoeding. De termijn voor het indienen van een beroepschrift is één week na verzending van de uitspraak. Bij het beroep¬schrift dient een kopie van deze uitspraak te worden overgelegd. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet geadresseerd worden aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, hoger beroep vreemdelingen¬zaken, Postbus 16113, 2500 BC Den Haag. Voor informatie over de wijze van indienen van het hoger beroep kunt u www.raadvanstate.nl raadplegen.

Afschrift verzonden op: