Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BF0932

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
29-08-2008
Datum publicatie
17-09-2008
Zaaknummer
AWB 07/45959
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 8 van het EVRM / “family life” tussen grootouders en kleinkind

Anders dan verweerder, is de rechtbank van oordeel dat er tussen de in Nederland woonachtige grootouders (referenten) en hun kleinkind (eiser) wel sprake is van “family-life” als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Niet alleen omdat naar vaste jurisprudentie van het Europese Hof van de Rechten van de Mens “family-life” ten minste de betrekkingen tussen naaste bloedverwanten als grootouders en minderjarige kleinkinderen omvat (o.m. EHRM 13 juni 1979 Marckx vs. België, NJ 1980/462 en EHRM 13 juli 2000 Scozzari en Giunta vs. Italië, 39221/98 en 41963/98), maar ook gelet op de feitelijke band tussen eiser en referenten. Niet is immers betwist dat de biologische vader en moeder van eiser als opvoedende ouder zijn weggevallen en dat referenten eiser daarom hebben geadopteerd. Eiser heeft voorts onbetwist gesteld dat referenten de belangrijke opvoedkundige beslissingen inzake eiser nemen, dat eiser financieel op referenten is aangewezen en dat referenten regelmatig naar Turkije reizen om eiser praktisch en emotioneel te ondersteunen. Ter zitting hebben referenten voorts desgevraagd verklaard dat de grootvader binnen één week wederom naar Turkije zal reizen om voor eiser een nieuwe verblijfplaats te zoeken, nu de buren waar eiser thans verblijft binnenkort naar Ankara verhuizen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

enkelvoudige kamer vreemdelingenzaken

Uitspraak

artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 en 72, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 07/45959

V-nr.: 100.701.2857

inzake:

[eiser], geboren op [geboortedatum] december 1993, van Turkse nationaliteit, wonende te Turkije, eiser,

gemachtigde: mr. J.J. Wedemeijer, advocaat te Alkmaar,

tegen:

de Minister van Buitenlandse Zaken, verweerder,

gemachtigde: mr. E.T.P. Scheers, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.

I. PROCESVERLOOP

Bij besluit van 11 december 2006 heeft verweerder de aanvraag van eiser om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) met als doel “verblijf als minderjarig kind bij ouder” afgewezen. Het daartegen ingestelde bezwaar is bij besluit van 13 november 2007 ongegrond verklaard. Op 6 december 2007 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser ontvangen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 mei 2008. Eiser is daar vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. Ter zitting waren eveneens aanwezig de heer [grootvader] en mevrouw [grootmoeder], eisers grootouders (hierna te noemen: referenten). Tevens was aanwezig S. Cicendag, tolk in de Turkse taal.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

II. FEITEN

Bij uitspraak van de Rechtbank van gezinszaken in Turkije van 7 april 2005 hebben referenten eiser naar Turks recht geadopteerd.

III. STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

1. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden voor het verlenen van een mvv. Eiser is weliswaar naar Turks recht geadopteerd, maar niet is aangetoond dat de adoptie ook conform Nederlands recht heeft plaatsgevonden. Eiser is dan ook geen juridisch kind in de zin van artikel 3.14, eerste lid, onder c van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000). Evenmin kan eiser worden aangemerkt als biologisch kind van referenten. Verweerder was niet gehouden om pas op de mvv-aanvraag te beslissen nadat eiser in de gelegenheid was gesteld om de adoptie naar Nederlands recht erkend te krijgen. Voorts is niet gebleken van bijzondere individuele omstandigheden, die ertoe noodzaken af te wijken van het beleid. Ten slotte is er geen sprake van schending van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Niet is gebleken van “more than the normal emotional ties” tussen eiser en referenten.

2. Eiser heeft in beroep - samengevat weergegeven - aangevoerd dat verweerder onzorgvuldig en in strijd met het vertrouwensbeginsel heeft gehandeld door eiser niet in de gelegenheid te stellen de Nederlandse erkenning van de adoptie te regelen. Daarnaast had verweerder de aanvraag ambtshalve aan de artikelen 3.24 en 3.28 van het Vb 2000 dienen te toetsen. Voorts is er sprake van bijzondere individuele omstandigheden op grond waarvan verweerder dient af te wijken van zijn beleid om geen mvv te verlenen indien niet aan de voorwaarden van artikel 3.13 en volgende van het Vb 2000 wordt voldaan. Ten slotte levert het niet verlenen van de gevraagde mvv een schending op van artikel 8 van het EVRM.

IV. OVERWEGINGEN

1. Het bestreden besluit is een besluit omtrent de afgifte van een visum. Dit besluit is genomen op basis van het Souverein Besluit van 12 december 1813. Ingevolge artikel 72, tweede lid, van de Vw 2000 wordt een besluit omtrent de afgifte van een visum, waaronder begrepen een mvv, voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, gelijkgesteld met een besluit gegeven krachtens de Vw 2000.

2. Een aanvraag tot het verlenen van een mvv wordt getoetst aan dezelfde criteria als die gelden bij een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000.

3. Ingevolge artikel 14, tweede lid, van de Vw 2000 wordt een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verleend onder beperkingen, verband houdende met het doel waarvoor het verblijf is toegestaan.

4. Ingevolge artikel 3.13, eerste lid, van het Vb 2000 wordt de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000, onder een beperking verband houdend met gezinshereniging of gezinsvorming, verleend aan het in artikel 3.14 van het Vb 2000 genoemde gezinslid van de in artikel 3.15 bedoelde hoofdpersoon, indien wordt voldaan aan alle in de artikelen 3.16 tot en met 3.22 genoemde voorwaarden. Uit het tweede lid van dit artikel volgt dat in de overige gevallen de in het eerste lid bedoelde verblijfsvergunning kan worden verleend.

5. Ingevolge artikel 3.14, eerste lid onder c, van het Vb 2000 wordt de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 3.13, eerste lid, van het Vb 2000, verleend aan het minderjarige biologische of juridische kind van de hoofdpersoon, dat naar het oordeel van de minister feitelijk behoort en reeds in het land van herkomst feitelijk behoorde tot het gezin van die hoofdpersoon en dat onder het rechtmatige gezag van die hoofdpersoon staat.

6. Niet is in geding dat eiser geen biologisch dan wel juridisch kind is in de zin van voornoemd artikel. Vast staat dat referenten de grootouders van eiser zijn en dat eisers naar Turks recht geldige adoptie naar Nederlands recht niet officieel is erkend.

7.1. Eiser heeft in dat kader betoogd dat hij, gezien het verloop van de hoorzitting en een brief van verweerder die op die hoorzitting volgde, erop heeft mogen vertrouwen dat eiser de tijd zou worden gegund om de erkenning van de adoptie in Nederland te regelen voordat de mvv-procedure zou worden voortgezet en dat verweerder daarom niet in redelijkheid tot een afwijzend bestreden besluit had kunnen komen.

7.2. De rechtbank volgt eiser niet in dit betoog. Alhoewel uit het dossier blijkt van een zekere mate van samenwerking tussen verweerder en eiser ten aanzien van de vraag of de Turkse adoptie naar Nederlands recht zou kunnen worden erkend, is de rechtbank niet gebleken van een concrete toezegging van de zijde van verweerder dat pas een beslissing op de mvv-aanvraag zou worden genomen nadat eiser in de gelegenheid is gesteld om de adoptie naar Nederlands recht te regelen. Eiser heeft desgevraagd ook niet kunnen aantonen op welke brief van verweerder hij doelt noch valt uit het verslag van de hoorzitting af te leiden dat verweerder eiser een dergelijke toezegging heeft gedaan. De grond faalt derhalve.

8.1. Daarnaast heeft eiser, naar de rechtbank begrijpt, aangevoerd dat verweerder ook los van enig mogelijk gewekt vertrouwen eiser in de gelegenheid had moeten stellen om de erkenning te regelen vooraleer tot het bestreden besluit te komen. Eiser had daarenboven in de gelegenheid dienen te worden gesteld om te reageren in het geval duidelijk zou zijn dat Nederland de adoptie niet zou erkennen. Door zulks na te laten heeft verweerder onzorgvuldig gehandeld, aldus eiser.

8.2. De rechtbank volgt eiser ook op dit punt niet. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat het aan eiser is om reeds bij de aanvraag alle ter zake doende informatie te voegen. Het komt voor eisers rekening en risico dat de erkenning ook in bezwaar niet is verkregen. De rechtbank kan eiser voorts niet volgen in zijn betoog dat verweerder vanuit het oogpunt van zorgvuldigheid gehouden was om eiser eerst nogmaals te horen alvorens het bestreden besluit te nemen. Eiser heeft nagelaten te onderbouwen waarom het enkele gegeven dat erkenning van de Turkse adoptie naar Nederlands recht hoogstwaarschijnlijk niet zal plaatsvinden tot een nader gehoor zou nopen. Eiser is immers zowel in bezwaar als tijdens de hoorzitting van 2 augustus 2007 in de gelegenheid geweest om aan te geven waarom de mvv-aanvraag zou moeten worden ingewilligd, ook ingeval de Turkse adoptie naar Nederlands recht niet zou worden erkend. Deze grond faalt derhalve eveneens.

9.1. Eiser heeft vervolgens betoogd dat verweerder ambtshalve had moeten beoordelen of de mvv-aanvraag niet op grond van artikel 3.24 van het Vb 2000, dat ziet op verruimde gezinshereniging, dan wel artikel 3.28 van het Vb 2000, dat ziet op verblijf als pleegkind, zou kunnen worden ingewilligd.

9.2.De rechtbank stelt vast dat eiser een aanvraag heeft gedaan onder de beperking “verblijf als minderjarig kind bij ouder”. De rechtbank stelt tevens vast dat verweerder eisers aanvraag heeft opgevat als een aanvraag gezinshereniging als bedoeld in de artikelen 3.13 en verder van het Vb 2000 en dat eiser in bezwaar niet tegen deze toets is opgekomen.

9.3. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat uit artikel 3.6, eerste lid, van de Vb 2000 volgt dat verweerder de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd slechts ambtshalve kan verlenen onder een beperking verband houdend met verblijf als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken of met verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling. Aangezien de onderhavige situatie niet valt te scharen onder de hier genoemde gevallen, concludeert de rechtbank dat verweerder terecht heeft afgezien van een ambtshalve toetsing.

10.1. Ter zitting heeft eiser nog aangevoerd dat uit recente jurisprudentie moet worden afgeleid dat verweerder naar aanleiding van het door eiser opgegeven verblijfsdoel had dienen te bepalen welke beperking van toepassing is (zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 februari 2008, LJN: BC5889). Nu duidelijk was dat eiser niet het biologisch of juridisch kind van referenten is, had verweerder aan het bepaalde in artikel 3.24 dan wel artikel 3.28 van het Vb 2000 dienen te toetsen, aldus eiser.

10.2. Verweerder heeft hiertegen aangevoerd dat eiser deze beroepsgrond te laat in het geding heeft gebracht en dat dit in strijd met de goede procesorde is te achten.

10.3. De rechtbank volgt verweerder in deze stelling, nu eiser deze grond pas ter zitting naar voren heeft gebracht waardoor verweerder geen gelegenheid heeft gehad een adequaat verweer hiertegen voor te bereiden.

11.1. Ligt voorts de vraag voor of verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat er geen sprake is van bijzondere individuele omstandigheden op grond waarvan verweerder, in afwijking van zijn beleid, de gevraagde mvv toch had behoren te verlenen.

11.2. In het bestreden besluit heeft verweerder dienaangaande overwogen dat niet is gebleken dat eiser onder dusdanige omstandigheden in Turkije leeft en woont dat zijn situatie zich in negatieve zin onderscheidt van leeftijdgenoten in een vergelijkbare situatie. Eiser woont al lange tijd samen met zijn zuster. Volgens verweerder is niet gebleken dat eisers zuster ook na haar huwelijk eiser niet kan blijven bijstaan. Bovendien verblijven referenten regelmatig in Turkije om eiser bij te staan. Niet valt volgens verweerder in te zien waarom referenten dit in de toekomst niet kunnen blijven doen.

11.3. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder ten onrechte niet heeft onderzocht of eisers zuster na haar huwelijksvoltrekking in staat is om eiser in Turkije bij te blijven staan. Het bestreden besluit is op dit punt dan ook onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.

11.4. Met eiser is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat de door verweerder gestelde hulp in Turkije ook daadwerkelijk voorhanden is. Uit het verslag van de hoorzitting van 2 augustus 2007, waarbij referenten aanwezig waren, blijkt immers dat namens eiser meermalen is verklaard dat eisers zuster na haar huwelijksvoltrekking op 25 augustus 2007 niet meer voor eiser zal kunnen zorgen. Ter zitting hebben referenten verklaard dat de zuster inmiddels is getrouwd en dat zij zich bij haar echtgenoot in Duitsland had gevoegd. Vanwege het feit dat haar verblijf in Duitsland vervolgens niet rechtmatig bleek, is zij tijdelijk teruggekeerd naar Turkije. Zij verblijft momenteel in Turkije bij haar schoonfamilie, hetgeen 70 kilometer verwijderd is van eisers verblijfplaats. De zuster heeft voorts een voorlopige vergunning verkregen, zodat zij binnenkort weer naar Duitsland zal vertrekken. Sinds het vertrek van de zuster verblijft eiser bij de buren, aldus referenten ter zitting.

11.5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich, in het licht van hetgeen op de hoorzitting naar voren is gekomen, niet zonder nader onderzoek op het standpunt kunnen stellen dat eisers zuster voor eiser zou kunnen blijven zorgen. Dit is in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. Nu dit standpunt voorts een belangrijk onderdeel vormt van verweerders oordeel dat van bijzondere omstandigheden geen sprake is, ontbeert het besluit tevens een deugdelijke motivering. Het bestreden besluit komt dan ook voor vernietiging in aanmerking.

12. De rechtbank ziet voorts aanleiding om zich tevens uit te spreken over de vraag of artikel 8 van het EVRM geschonden is.

12.1. De rechtbank stelt vast dat verweerder zich in het bestreden besluit op het standpunt heeft gesteld dat er tussen eiser en referenten sprake is van “family-life” als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Verweerder heeft ter zitting evenwel betoogd dat er geen sprake is van “family-life” nu er geen sprake is van “more than the normal emotional ties” tussen eiser en referenten.

12.2. Anders dan verweerder, is de rechtbank van oordeel dat er in dit geval wel sprake is van “family-life” als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Niet alleen omdat naar vaste jurisprudentie van het Europese Hof van de Rechten van de Mens “family-life” ten minste de betrekkingen tussen naaste bloedverwanten als grootouders en minderjarige kleinkinderen omvat (o.m. EHRM 13 juni 1979 Marckx vs. België, NJ 1980/462 en EHRM 13 juli 2000 Scozzari en Giunta vs. Italië, 39221/98 en 41963/98), maar ook gelet op de feitelijke band tussen eiser en referenten. Niet is immers betwist dat de biologische vader en moeder van eiser als opvoedende ouder zijn weggevallen en dat referenten eiser daarom hebben geadopteerd. Eiser heeft voorts onbetwist gesteld dat referenten de belangrijke opvoedkundige beslissingen inzake eiser nemen, dat eiser financieel op referenten is aangewezen en dat referenten regelmatig naar Turkije reizen om eiser praktisch en emotioneel te ondersteunen. Ter zitting hebben referenten voorts desgevraagd verklaard dat de grootvader binnen één week wederom naar Turkije zal reizen om voor eiser een nieuwe verblijfplaats te zoeken, nu de buren waar eiser thans verblijft binnenkort naar Ankara verhuizen.

12.3. Nu vastgesteld is dat sprake is van “family-life”, is vervolgens de vraag aan de orde of, door het niet verlenen van de gevraagde mvv, artikel 8 van het EVRM is geschonden. Niet in geschil is dat het hierbij gaat om de vraag of sprake is van een positieve verplichting voor verweerder om eiser een mvv te verlenen. Verweerder dient voor de beantwoording van die vraag alle relevante omstandigheden en belangen mee te wegen.

12.4. Met eiser is de rechtbank van oordeel dat verweerder er in zijn belangenafweging niet zonder meer van uit heeft kunnen gaan dat de zuster van eiser voor hem in Turkije zou kunnen blijven zorgen. De rechtbank verwijst hiervoor naar hetgeen is overwogen onder IV.11.4. Voorts heeft verweerder, naar eiser terecht heeft opgemerkt, niet in de belangenafweging betrokken dat referenten naar Turks recht de juridische ouders van eiser zijn en dat referenten eiser financieel ondersteunen. Evenmin heeft verweerder kenbaar stil gestaan bij de vraag wat de gevolgen voor referenten zullen zijn - onder meer wat betreft de mogelijkheid om de in Nederland woonachtige (klein)kinderen te kunnen bezoeken - indien zij zich definitief bij eiser in Turkije zouden vestigen. De omstandigheid dat referenten reeds 37 jaar in Nederland wonen en naar eigen zeggen alhier volledig zijn geworteld, is door verweerder evenmin kenbaar meegewogen.

13. Hieruit en uit hetgeen is overwogen onder IV.11.5 volgt dat het bestreden besluit niet in rechte stand kan houden nu het niet zorgvuldig is voorbereid en niet deugdelijk is gemotiveerd. De rechtbank zal het bestreden besluit dan ook vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb. Verweerder dient een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

14. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als de in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,-- als kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 322,--, wegingsfactor 1).

15. Op grond van het bepaalde in artikel 8:74 van de Awb wijst de recht¬bank de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht.

V. BESLISSING

De rechtbank

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. bepaalt dat verweerder binnen zes weken na verzending van de uitspraak een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

4. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op € 644,-- (zegge: zeshonderd vierenveertig euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier;

5. wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht ad € 143,-- (zegge: eenhonderd drieënveertig euro).

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. L.C. Talsma, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 29 augustus 2008.

De griffier

De voorzitter

Afschrift verzonden op:

Conc: UW

Coll: LT

D: B

Tegen de uitspraak op het beroep staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt vier weken. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.