Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BF0906

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
24-07-2008
Datum publicatie
17-09-2008
Zaaknummer
AWB 07/39400
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

WBV 2007/7 / vrouwen met een westerse levensstijl / na vertrek uit land van herkomst / motivering

De rechtbank leest verweerders beleid dat het aannemen van een andere levensstijl na het vertrek uit het land van herkomst in de regel toch niet zal leiden tot verblijfsaanvaarding, aldus dat hierop uitzonderingsgevallen mogelijk zijn. De rechtbank leidt dit af uit het woord “in de regel”. De rechtbank vindt bevestiging voor deze uitleg van het beleid in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) van 2 maart 2006 (JV 2006/152). De AbRS heeft hierin geoordeeld dat uit WBV 2004/60 volgt dat het aan de betrokken vrouw is om met haar persoonlijk aangaande feiten of omstandigheden aannemelijk te maken dat zij zich bij terugkeer niet wederom zal kunnen accommoderen. Verweerder had in die zaak gemotiveerd dat de vrouw dit niet aannemelijk had gemaakt. Hieruit moet worden afgeleid dat het beleid aldus ruimte laat voor Afghaanse vrouwen die in Nederland een westerse levensstijl hebben aangenomen, om aannemelijk te maken dat het van hen niet kan worden gevergd om zich bij terugkeer te accommoderen. Gelet hierop kan niet gezegd worden dat het beleid kennelijk onredelijk is of dat dit beleid in strijd is met het Vluchtelingenverdrag.

In het onderhavige geval heeft verweerder zich in het bestreden besluit echter niet op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij zich bij terugkeer niet zou kunnen accommoderen. Verweerder heeft slechts overwogen dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij in haar land van herkomst zwaarwegende problemen heeft ondervonden vanwege haar westerse levensstijl. In zoverre ontbeert het besluit een deugdelijke motivering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

meervoudige kamer vreemdelingenzaken

Uitspraak

artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 07/39400

V.nrs.: 070.206.7937 en 030.302.1570

inzake:

[eiseres], geboren op [1981], eiseres, mede ten behoeve van haar minderjarige kind [kind], geboren op [2003], beiden van Afghaanse nationaliteit, wonende te ’s-Gravendeel,

gemachtigde: mr. B.J.P.M. Ficq, advocaat te Haarlem,

tegen:

de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. R.A.B. van Steijn, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) van het Ministerie van Justitie.

I. PROCESVERLOOP

1. Bij besluit van 16 januari 2003 heeft verweerder de aanvraag van eiseres van 24 september 2001 tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 afgewezen. Bij uitspraak van 20 februari 2007 heeft deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Gravenhage, het beroepschrift van eiseres ongegrond verklaard. Nadat eiseres tegen deze uitspraak hoger beroep had ingesteld, heeft verweerder op 19 april 2007 het besluit ingetrokken, waarna ook het hoger beroep is ingetrokken. Bij besluit van 19 september 2007 is de aanvraag opnieuw afgewezen. Op 16 oktober 2007 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiseres ontvangen.

2. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 mei 2008. Eiseres is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. E. Schoneveld, kantoorgenote van de gemachtigde van eiseres. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. Tevens waren ter zitting aanwezig G. de Vries, tolk in de Dari taal, [echtgenoot] en [zoon], de echtgenoot en de zoon van eiseres.

Het beroep van eiseres is ter zitting gezamenlijk behandeld met het beroep van de echtgenoot van eiseres (AWB 07/39400).

3. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

4. Bij brief van 23 juni 2008 heeft mr. B.J.P.M. Ficq de rechtbank bericht dat zij de zaak heeft overgenomen van mr. J.E. van Rossem.

II. ASIELRELAAS

Eiseres heeft ter onderbouwing van haar aanvraag aangevoerd dat zij te vrezen heeft voor vervolging van de zijde van de Taliban, aangezien deze een videoband van haar bruiloft in handen hebben gekregen waarop te zien was dat er was gedanst op muziek. Een kopie van de videoband was bij [neef], een neef van de vader van eiseres. Eiseres weet niet hoe de Taliban wist dat er opnamen waren gemaakt van de bruiloft. Eiseres hoorde dat leden van de Taliban bij het huis van haar moeder waren geweest. Nadat de Taliban haar moeder en haar man hadden mishandeld, hebben ze de broer van eiseres meegenomen en gezegd dat zij hem zouden vasthouden totdat haar echtgenoot en haar andere broer zich bij hen zouden melden. Hierna zijn eiseres en haar echtgenoot ondergedoken bij haar oom, waar zij tien maanden hebben verbleven. Gedurende die periode zijn de Taliban nog vier keer bij het huis van haar moeder geweest. Omdat zij geen normaal leven konden leiden, besloten ze te vluchten. Zij werden door de oom van eiseres in contact gebracht met een reisagent, die hun reis naar Nederland heeft georganiseerd.

In een aanvullend gehoor heeft eiseres aangevoerd dat zij van de zijde van de Mujaheddin dezelfde problemen verwacht als van de Taliban, omdat zij allemaal fundamentalisten zijn. Daarnaast zal eiseres als geloofsafvallige en als communist worden beschouwd omdat zij in het westen is geweest. De schoonouders van eiseres zijn in 1994 door een raketaanval op hun huis om het leven gebracht.

III. FEITEN

1. Op 23 november 2005 heeft het Bureau Medische Advisering (BMA) van de IND een advies uitgebracht naar aanleiding van de medische problematiek van de zoon van eiseres. Hierin is vermeld dat de zoon van eiseres lijdt aan een constriction band syndroom en dat hiervoor niet voldoende adequate behandelmogelijkheden in Afghanistan aanwezig zijn. Het BMA concludeert dat het belangrijk is dat de aangevangen medische behandeling kan worden afgerond, maar dat een medische noodsituatie op korte termijn bij achterwege blijven van de behandeling op dit moment niet is te verwachten. Ook acht het BMA hem in staat met alle gangbare vervoermiddelen te reizen.

2. Eiseres heeft op 30 oktober 2006 nadere stukken overgelegd betrekking hebbend op haar asielaanvraag:

- een ongedateerde brief met daarin verklaringen van getuigen, mede ondertekend door de wijkbeheerder van District 9 te Kabul, waaruit naar voren komt dat commandant [neef] een jaar na het vertrek van eiseres haar broer, moeder en zus heeft vermoord in verband met het vertrek van eiseres en haar echtgenoot;

- een brief van 22 juli 2006, met daarin een verklaring van [kennis], een kennis van eiseres en haar echtgenoot, met dezelfde strekking als bovengenoemde ongedateerde brief.

IV. OVERWEGINGEN

1. Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit, in het licht van de daartegen aangevoerde beroepsgronden, in rechte stand kan houden.

2.1. Ingevolge artikel 28, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 is de Minister bevoegd de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in te willigen, af te wijzen dan wel niet in behandeling te nemen.

2.2. Ingevolge artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000 kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 worden verleend aan de vreemdeling:

a. die verdragsvluchteling is;

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen;

c. van wie naar het oordeel van Onze Minister op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst;

d. voor wie terugkeer naar het land van herkomst naar het oordeel van Onze Minister van bijzondere hardheid zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar.

2.3. Ingevolge artikel 31, eerste lid, wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

Ten aanzien van het beroep op artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000

3.1. Eiseres heeft in beroep gesteld dat de videoband in handen is gekomen van de neef van haar vader, Talibancommandant [neef]. De Taliban, waaronder [neef], zijn op zoek gegaan naar eiseres. Talibancommandant [neef] behoort ook thans tot de machthebbers in Afghanistan. Eiseres heeft in beroep voorts gesteld dat zij, anders dan verweerder haar tegenwerpt, reeds bij haar asielaanvraag naar voren heeft gebracht dat zij het land heeft verlaten vanwege Talibancommandant [neef].

De rechtbank overweegt dat verweerder het asielrelaas van eiseres, voor zover zij heeft gesteld Afghanistan te hebben verlaten vanwege vrees voor Talibancommandant [neef], in redelijkheid ongeloofwaardig heeft kunnen achten. Daartoe is redengevend dat de stelling van eiseres, dat zij deze vrees reeds ten tijde van de asielaanvraag naar voren heeft gebracht, geen steun vindt in de gedingstukken. Zowel eiseres als haar echtgenoot hebben tijdens hun nader gehoor verklaard dat [neef] een kopie van de videoband in zijn bezit had en dat zij vermoedden dat deze kopie op een of andere manier in bezit van de Taliban is gekomen. Dat [neef] commandant zou zijn, of zelfs maar sympathiseerde met de Taliban, en dat eiseres en haar echtgenoot uit vrees voor hem zijn gevlucht, blijkt niet uit de verslagen van de gehoren of de correcties en aanvullingen.

Ter zitting heeft de echtgenoot van eiseres voorts verklaard dat hij ten tijde van de asielaanvraag slechts vermoedde dat [neef] hun problemen heeft veroorzaakt en dat hij wist dat [neef] sympathiseerde met de Taliban. Later werd door de brieven van de wijkbeheerder en Faroeq Mazarwal pas bevestigd dat [neef] inderdaad de problemen heeft veroorzaakt. Dat bij eiseres en haar echtgenoot sprake zou zijn geweest van een voortschrijdend inzicht, zoals ter zitting is gesteld, acht de rechtbank niet overtuigend. Dit standpunt verhoudt zich niet met het eerder in de procedure ingenomen standpunt dat de stelling dat zij zijn vertrokken vanwege Talibancommandant [neef], tijdens de gehoren al naar voren is gebracht.

Voorts heeft de echtgenoot van eiseres ter zitting eveneens verklaard dat zij tijdens de nadere gehoren wel hebben verteld dat [neef] tot de Taliban behoorde, maar dat zij toen niet wisten welke rang hij had. Daarnaast heeft hij nog gesteld dat hij wel heeft verteld dat [neef], die commandant bij de Taliban was, de directe aanleiding voor vertrek vormde, maar dat daar pas later meer vragen over zijn gesteld. Zoals hiervoor reeds overwogen vindt dit standpunt geen steun in de nadere gehoren van eiseres en haar echtgenoot.

3.2. Voorts overweegt de rechtbank dat aan de op 30 oktober 2006 overgelegde brieven niet de waarde kan worden gehecht, die eiseres daaraan wenst te hechten. Uit de voorgaande rechtsoverweging volgt dat deze documenten geen onderbouwing van of aanvulling op een eerder ingenomen standpunt vormen. Daarnaast blijkt uit het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 10 februari 2006 (DPV/AM-882851, p. 52), dat in Afghanistan corruptie bij het verkrijgen van documenten vaak voorkomt. Gebleken is dat veel valse Afghaanse documenten, ook na gedegen onderzoek door Afghaanse deskundigen, niet van authentieke documenten zijn te onderscheiden. Bovendien is de brief van [kennis] niet afkomstig uit objectieve bron. Derhalve heeft verweerder in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien om onderzoek te verrichten naar de authenticiteit van deze documenten.

3.3. Evenmin werpen de door eiseres overgelegde medische verklaringen een ander licht op de geloofwaardigheid van dit onderdeel van het asielrelaas. In de brief van de maatschappelijk werkster van eiseres van 18 december 2006 is vermeld dat de hoofdpijnen, emotionele problemen en spanningsklachten van eiseres zijn toegenomen sinds zij het bericht ontving dat haar moeder, broer en zus in Afghanistan om het leven zijn gebracht. Deze verklaring kan echter niet dienen als bewijs dat de gestelde gebeurtenissen daadwerkelijk hebben plaatsgevonden. Het betreft hier een verklaring van een maatschappelijk werkster die afgaat op het verhaal van eiseres zelf. Deze verklaring zegt niets over de betrouwbaarheid van dat verhaal.

4. De rechtbank begrijpt uit het bestreden besluit dat verweerder wel geloofwaardig heeft geacht dat op het bruiloftsfeest is gedanst en dat de videoband daarvan in handen is geraakt van de Taliban. Eiseres heeft in beroep gesteld dat zij ook na de val van de Taliban nog gegronde vrees heeft voor vervolging van de zijde van de Taliban.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht heeft overwogen dat het enkele relaas van eiseres met betrekking tot het bruiloftsfeest en de videoband, na de val van het Talibanbewind onvoldoende zwaarwegend is voor een geslaagd beroep op vluchtelingschap. Voorts heeft verweerder terecht overwogen dat eiseres niet te vrezen heeft voor vervolging vanwege haar gestelde banden met het communistische regime. Volgens het ambtsbericht van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van 31 januari 2007 kunnen ex-communisten het risico lopen slachtoffer te worden van mensenrechtenschendingen anders dan van de zijde van de regering. De mate waarin zij risico lopen is echter afhankelijk van hun familieachtergrond, de functie die zij hebben bekleed en in hoeverre zij worden geassocieerd met mensenrechtenschendingen tussen 1978 en 1992. Eiseres noch haar echtgenoot was zelf lid van de DVPA en gesteld noch gebleken is dat zij sinds de dood van haar schoonouders in 1994 als gevolg hiervan problemen heeft ondervonden. De stelling dat de schoonvader van eiseres een hoge functie binnen de DVPA heeft bekleed, is voorts niet onderbouwd.

Ten aanzien van het beroep op een westerse levensstijl – artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a en b van de Vw 2000

5.1. Eiseres heeft voorts aangevoerd dat zij als vrouw met een westerse levensstijl bij terugkeer te vrezen heeft voor vervolging dan wel een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Primair stelt eiseres dat haar westerse levensstijl mede aanleiding is geweest voor haar vertrek. Subsidiair stelt eiseres zich op het standpunt dat verweerders beleid ten aanzien van vrouwen die in Nederland een westerse levensstijl hebben aangenomen in strijd is met de wet en het Vluchtelingenverdrag. Voor eiseres is haar westerse levensstijl een fundamenteel onderdeel van haar identiteit. Haar situatie is niet anders dan die van homoseksuelen en in Nederland tot christen bekeerde moslims en daarom is het beleid van verweerder ten aanzien van vrouwen met een westerse levensstijl kennelijk onredelijk. Daarnaast meent eiseres dat het besluit op dit punt een deugdelijke motivering ontbeert, nu verweerder niet duidelijk heeft gemaakt wanneer een verwesterde levensstijl wel leidt tot verblijfsaanvaarding.

5.2. In WBV 2007/07 (voorheen in WBV 2004/60) heeft verweerder het navolgende beleid neergelegd ten aanzien van Afghaanse vrouwen met een westerse levensstijl:

“Blijkens de inhoud van het ambtsbericht is er meer in het algemeen een risico voor vrouwen die de geldende sociale zeden overschrijden of waaraan dergelijk gedrag wordt toegeschreven. Wanneer een individuele asielzoekster aannemelijk maakt dat zij vanwege haar levensstijl zwaarwegende problemen heeft ondervonden in Afghanistan en deze problemen (mede) aanleiding zijn geweest voor het vertrek, kan dit voldoende zijn om op grond van artikel 29, eerste lid onder a of b, Vw een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen.

Voorts geeft het ambtsbericht aan dat UNHCR meent dat van Afghaanse vrouwen die na hun vertrek een westerse levensstijl hebben aangenomen die als overtreding van de in Afghanistan geldende sociale zeden wordt aangemerkt, niet kan worden verlangd terug te keren. Overtreding van de geldende sociale normen kan blijkens het ambtsbericht voor het betrokken individu ernstige gevolgen hebben. Hoewel dit zo is, zal het aannemen van een andere levensstijl na het vertrek uit het land van herkomst in de regel toch niet leiden tot verblijfsaanvaarding. Immers, het feit dat betrokkene in Nederland gebruik heeft gemaakt van mogelijkheden en rechten van de Nederlandse samenleving betekent niet dat zij zich bij terugkeer niet wederom zal kunnen accommoderen. De omstandigheid dat betrokkene zich bij terugkeer niet op gelijke wijze kan uiten of ontplooien als in Nederland is daarbij onvoldoende grond om tot vergunningverlening over te gaan.”

5.3. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat eiseres er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat zij vanwege haar westerse levensstijl in het land van herkomst zwaarwegende problemen heeft ondervonden die voor haar (mede) aanleiding waren haar land te verlaten. De enkele stelling dat zij net als haar echtgenoot ruimdenkend is en het feit dat er op hun bruiloft werd gedanst op muziek is daartoe onvoldoende.

5. 4. Ten aanzien van het subsidiaire standpunt van eiseres over de hier te lande aangenomen westerse levensstijl overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank leest verweerders beleid dat het aannemen van een andere levensstijl na het vertrek uit het land van herkomst in de regel toch niet zal leiden tot verblijfsaanvaarding, aldus dat hierop uitzonderingsgevallen mogelijk zijn. De rechtbank leidt dit af uit het woord “in de regel”. De rechtbank vindt bevestiging voor deze uitleg van het beleid in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) van 2 maart 2006 (JV 2006/152). De AbRS heeft hierin geoordeeld dat uit WBV 2004/60 volgt dat het aan de betrokken vrouw is om met haar persoonlijk aangaande feiten of omstandigheden aannemelijk te maken dat zij zich bij terugkeer niet wederom zal kunnen accommoderen. Verweerder had in die zaak gemotiveerd dat de vrouw dit niet aannemelijk had gemaakt.

Hieruit moet worden afgeleid dat het beleid aldus ruimte laat voor Afghaanse vrouwen die in Nederland een westerse levensstijl hebben aangenomen, om aannemelijk te maken dat het van hen niet kan worden gevergd om zich bij terugkeer te accommoderen. Gelet hierop kan niet gezegd worden dat het beleid kennelijk onredelijk is of dat dit beleid in strijd is met het Vluchtelingenverdrag.

5.5. In het onderhavige geval heeft verweerder zich in het bestreden besluit echter niet op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij zich bij terugkeer niet zou kunnen accommoderen. Verweerder heeft slechts overwogen dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij in haar land van herkomst zwaarwegende problemen heeft ondervonden vanwege haar westerse levensstijl. In zoverre ontbeert het besluit een deugdelijke motivering.

6. Gelet op de voorgaande rechtsoverweging heeft verweerder eveneens niet deugdelijk gemotiveerd waarom eiseres bij gedwongen terugkeer naar het land van herkomst niet het risico loopt op vervolging dan wel een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM.

7. De rechtbank ziet, in het kader van de finale geschilbeslechting, voorts aanleiding om de overige door eiseres aangevoerde gronden eveneens te bespreken.

Ten aanzien van het beroep op de medische situatie van de zoon - artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b

8. Ten aanzien van de medische situatie van de zoon van eiseres overweegt de rechtbank als volgt.

Volgens vaste jurisprudentie van de AbRS en het Europese Hof voor de Rechten van de Mens kan slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden en wegens dringende redenen van humanitaire aard, bij gebrek aan medische voorzieningen en sociale opvang in het land waarnaar wordt uitgezet, uitzetting leiden tot schending van artikel 3 van het EVRM dan wel artikel 37 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van het kind (IVRK). Uit die jurisprudentie blijkt dat van zodanige omstandigheden slechts sprake kan zijn als de vreemdeling lijdt aan een ziekte in een vergevorderd en direct levensbedreigend stadium (onder meer de uitspraak van de AbRS van 20 december 2006, JV 2007/71). Verweerder heeft zich op grond van het BMA-advies van 23 november 2005, zoals weergegeven onder III.1, terecht op het standpunt gesteld dat van zodanige situatie geen sprake is. Naar vaste jurisprudentie moet een advies van het BMA worden aangemerkt als een deskundigenadvies aan verweerder ten behoeve van de uitoefening van zijn bevoegdheden. Indien een zodanig advies op onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze is opgesteld, mag verweerder bij de besluitvorming van dat advies uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten bestaan voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan. Hiervan is de rechtbank niet gebleken. Eiseres heeft enkel aangevoerd dat een BMA-arts haar zoon zelf had moeten onderzoeken en dat een van de behandelaars, dr. J.H. Coert, niet is geraadpleegd. Gesteld noch gebleken is echter, dat dit zou leiden tot een andere conclusie. De door eiseres overgelegde brief van dr. J. Coert, plastisch chirurg in het UMC Rotterdam, van 25 september 2006 geeft geen concreet aanknopingspunt voor twijfel aan de conclusies van het BMA. Uit deze brief komt geen ander beeld naar voren van eisers medische situatie dan in het BMA-advies. Gelet op voorgaande heeft verweerder zijn besluit op het BMA-advies kunnen baseren.

Het beroep van eiseres op artikel 24 van het IVRK slaagt evenmin. Volgens vaste jurisprudentie leent dit artikel zich, gelet op de bewoordingen en aard en strekking, niet voor rechtstreekse toepassing (onder meer AbRS, 12 april 2007, JV 2007/241).

Ten aanzien van het beroep op artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000

9. De toelatingsgrond neergelegd in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 is uitgewerkt in hoofdstuk C1/4 van de Vc 2000.

Uit hoofdstuk C1/4 van de Vc 2000 volgt dat een vreemdeling een geslaagd beroep kan doen op dit beleid indien de persoonlijke beleving van bepaalde gebeurtenissen voor hem zodanig traumatiserend zijn geweest, dat terugkeer naar het land van herkomst niet gevergd kan worden. Aannemelijk moet zijn dat de gestelde gebeurtenissen aanleiding zijn geweest voor het vertrek van de vreemdeling uit het land van herkomst.

10. Ter zitting is gebleken dat eiseres zich niet langer beroept op het traumatabeleid. Eiseres handhaaft echter het standpunt dat zij in aanmerking komt voor verblijf op grond van bijzondere individuele klemmende redenen van humanitaire aard en heeft ter onderbouwing van dit standpunt op 20 mei 2008 nog een verklaring van dezelfde datum overgelegd van haar psycholoog, drs. D.M. Touw. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in redelijkheid geen aanleiding heeft hoeven zien om eiseres op deze grond een verblijfsvergunning te verlenen, nu de (gestelde) oorzaak van de psychische problemen van eiseres - het bericht dat haar familieleden zijn vermoord - niet de aanleiding was voor haar vertrek uit Afghanistan. Zowel in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000, als in hoofdstuk C1/4.3 van de Vc 2000 is dit als voorwaarde gesteld. Ter zitting heeft eiseres voorts meegedeeld dat de medische stukken met betrekking tot eiseres niet zijn overgelegd in het kader van een beroep op artikel 3 van het EVRM, zodat de rechtbank een beoordeling in dat kader achterwege zal laten.

Ten aanzien van het beroep op artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000

11. Terzake van de vraag of een asielzoeker op de voet van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 voor toelating in aanmerking komt, komt aan verweerder een ruime beoordelingsmarge toe, waarvan de aanwending toetsing in rechte slechts dan niet kan doorstaan, indien geoordeeld moet worden dat verweerder bij afweging van alle daarvoor in aanmerking komende belangen en gegeven de feitelijke grondslag ervan, niet in redelijkheid tot zijn beslissing heeft kunnen komen. De rechter dient bij die toetsing het oordeel over de algehele situatie in het land van herkomst, dat normaliter tot stand pleegt te komen in samenspraak met en met instemming van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, in beginsel te respecteren.

12. Bij de beoordeling van de vraag of een beleid van categoriale bescherming geïndiceerd is, beziet de minister of wordt voldaan aan de maatstaven, neergelegd in artikel 3.106 van het Vreemdelingenbesluit 2000 en de notitie over het beleid van categoriale bescherming van 23 mei 2001 (TK 2000-2001, 19 637, nr. 588). Indien relevant worden de volgende indicatoren in ieder geval betrokken in de beoordeling of sprake is van een situatie, als bedoeld in voormeld artikel 29, eerste lid, onder d:

a. de aard van het geweld in het land van herkomst, met name de ernst van de schendingen van de mensenrechten en het oorlogsrecht, de mate van willekeur, de mate waarin het geweld voorkomt en de mate van geografische spreiding van het geweld;

b. de activiteiten van internationale organisaties ten aanzien van het land van herkomst indien en voorzover deze een graadmeter vormen voor de positie van de internationale gemeenschap ten aanzien van de situatie in het land van herkomst, en

c. het beleid in andere landen van de Europese Unie.

13. Eiseres heeft in beroep, en ter zitting nader toegelicht, zich op het standpunt gesteld dat een categoriaal beschermingsbeleid voor Afghanistan geïndiceerd is dan wel dat nieuw onderzoek naar de noodzaak hiervan nodig is en heeft ter onderbouwing het volgende aangevoerd. De veiligheidssituatie in Afghanistan is bijzonder slecht. Talloze NGO’s en andere organisaties schreeuwen om aandacht voor de Afghaanse situatie. Dagelijks komen onschuldige burgers om het leven bij aanslagen of andere gewelddadigheden. Er wordt meer gewicht toegekend aan het beleid van de andere omringende landen dan aan de noodzaak een categoriaal beschermingsbeleid te voeren, zulks terwijl de veiligheidssituatie in Afghanistan tot op de dag van vandaag verslechtert.

Eiseres heeft ter onderbouwing in beroep een brief van Amnesty International aan verweerder van 16 oktober 2007 overgelegd.

14. Ingevolge artikel 83 van de Vw 2000 houdt de rechtbank bij de beoordeling van het beroep rekening met feiten en omstandigheden die na het nemen van het bestreden besluit zijn opgekomen, indien deze relevant kunnen zijn voor de beschikking omtrent de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000, tenzij de goede procesorde zich daartegen verzet of de afdoening van de zaak daardoor ontoelaatbaar wordt vertraagd. Naar het oordeel van de rechtbank verzet de goede procesorde zich niet tegen het bij de beoordeling betrekken van voornoemde brief van Amnesty International. Verweerder heeft er immers in het verweerschrift als ook ter zitting nader op gereageerd.

15. In de brief van Amnesty International wordt verweerder opgeroepen om bij de afweging om al dan niet een categoriaal beschermingsbeleid te voeren zich met name te baseren op de veiligheidssituatie in Afghanistan en niet op het beleid van de Nederland omliggende landen. Amnesty International verwijst in deze brief naar verschillende passages in het ambtsbericht van januari 2007 en rapporten van NGOs en internationale organisaties, waaronder een rapport van de Secretaris Generaal van de VN van 21 september 2007.

In dit VN-rapport staat onder meer vermeld:

“An intensifying Taliban-led insurgency that increasingly relies on suicide bombing and other terrorist tactics is undermining confidence in the future and denying access of the Government and international aid organizations to a growing number of districts. (…) Rates of insurgent and terrorist violence are at least 20 per cent higher than in 2006; an average of 548 incidents per month were recorded in 2007, compared to an average of 425 per month in 2006. There have been over 100 suicide attacks to date in 2007, compared to 123 in all of 2006. While 76 per cent of all suicide missions target international military and Afghan security forces, their victims have been largely civilian bystanders.”

16. Verweerder heeft ter zitting ter onderbouwing van zijn standpunt dat een categoriaal beschermingsbeleid niet geïndiceerd is, verwezen naar Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire (WBV) 2007/7, van 21 mei 2007. Verweerder heeft voorts meegedeeld dat hij alle ontwikkelingen met betrekking tot de veiligheidssituatie in Afghanistan bijhoudt en dat alle in artikel 3.106 van het Vb 2000 genoemde indicatoren bij de beoordeling worden betrokken. Vooralsnog heeft de verslechterde veiligheidssituatie niet geleid tot een wijziging van verweerders standpunt. Nog immer is het beleid in de Nederland omringende landen doorslaggevend. Desgevraagd heeft verweerder te kennen gegeven dat de vraag of het voeren van een categoriaal beschermingsbeleid voor asielzoekers afkomstig uit Afghanistan al dan niet geïndiceerd is, niet recentelijk in de Tweede Kamer der Staten-Generaal is besproken.

17. De rechtbank stelt vast dat de laatste kenbare beoordeling van verweerder of een categoriaal beschermingsbeleid voor Afghanistan is geïndiceerd, dateert van 21 mei 2007, in WBV 2007/7. In dit WBV staat, voorzover in dit verband van belang het navolgende:

“Mede met het oog op de uitspraak van Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 maart 2007 (nr. 200609124/1) inzake het niet instellen van een categoriaal beschermingsbeleid voor Afghanistan, is opnieuw beoordeeld of een dergelijk beleid zou moeten worden ingevoerd. Daarvoor wordt geen aanleiding gezien. In onderhavig besluit is aangegeven dat hiervoor doorslaggevend is dat in de ons omringende landen geen sprake is van een bijzonder beleid ten aanzien van Afghaanse asielzoekers. Alleen België kent een bijzonder beleid voor Afghanen uit het zuiden van Afghanistan. Gezien de hoge mate van homogeniteit van de informatie over het beleid van de andere landen, wordt hieraan meer gewicht toegekend dan aan het gegeven uit het ambtsbericht dat de situatie in Afghanistan is verslechterd. De basis voor deze weging is neergelegd in C2/5.2.1 Vc.”

18. De rechtbank stelt vast dat verweerder tot op heden niet kenbaar opnieuw een beoordeling heeft gemaakt van de veiligheidssituatie in Afghanistan. Voorts is van belang dat niet is gebleken dat in de Tweede Kamer der Staten-Generaal sinds 28 juni 2006 een dergelijke beoordeling heeft plaatsgevonden. Gelet op deze omstandigheden als ook de hierboven, onderbouwde, weergave van een verslechtering van de algemene (veiligheids)situatie in Afghanistan - ook na mei 2007 - kan verweerder ter onderbouwing van het standpunt dat een categoriaal beschermingsbeleid niet is geïndiceerd, niet volstaan met de constatering dat weliswaar sprake is van een verslechtering, maar dat doorslaggevende betekenis toekomt aan het gegeven dat in de Nederland omringende landen geen bijzonder beleid wordt gevoerd met betrekking tot Afghaanse asielzoekers. Met deze motivering heeft verweerder geen blijk gegeven de door eiseres overgelegde informatie daadwerkelijk in zijn besluitvorming te hebben betrokken. Hiertoe was verweerder, naar het oordeel van de rechtbank, op grond van artikel 3.106, van het Vb 2000 wel gehouden. De rechtbank vindt voor dit oordeel steun in de door eiseres aangehaalde uitspraak van de AbRS van 4 december 2007 (JV 2008, 71).

19. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de beslissing om geen categoriaal beschermingsbeleid te voeren voor asielzoekers afkomstig uit Afghanistan, niet met de vereiste zorgvuldigheid is genomen.

Ten aanzien van het beroep op artikel 15, aanhef en onder c, van de Richtlijn 2004/83

20. Ten slotte overweegt de rechtbank dat thans geen aanleiding bestaat om een oordeel te geven over het beroep van eiseres op artikel 15, aanhef en onder c, van Richtlijn 2004/83. Weliswaar heeft verweerder niet weersproken dat in Afghanistan sprake zou zijn van een binnenlands gewapend conflict, echter, dit betekent dat het onderzoek zou moeten worden geschorst in afwachting van de antwoorden van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen op prejudiciële vragen van de AbRS (LJN: BB5841; JV 2007, 531). Nu de beantwoording van de vragen door het Hof nog enige tijd op zich kan laten wachten, is eiseres daar niet bij gebaat. Indien blijkt dat verweerder alsnog tot het standpunt komt dat het van eiseres niet kan worden gevergd zich in Afghanistan te accomoderen dan wel dat een categoriaal beschermingsbeleid geïndiceerd is, zou eiseres immers nu reeds voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, onder b dan wel d, van de Vw 2000 in aanmerking komen.

Conclusie

21. Hieruit volgt dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb. Derhalve zal het beroep gegrond worden verklaard, het bestreden besluit worden vernietigd en bepaald worden dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak.

22. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als de in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,-- als kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 322,--, wegingsfactor 1).

V. BESLISSING

De rechtbank

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. bepaalt dat verweerder binnen tien weken na verzending van de uitspraak een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

4. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op € 644,-- (zegge: zeshonderd vierenveertig euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.T.H. Zimmerman, voorzitter, en mrs. R.H.G. Odink en Y.E. Schuurmans, in tegenwoordigheid van mr. J.B.C. van der Veer, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 juli 2008.

De griffier

De voorzitter

Afschrift verzonden op:

Conc: JV

Coll:

D: B

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt vier weken. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.