Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BF0790

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-08-2008
Datum publicatie
17-09-2008
Zaaknummer
AWB 07/31142, 07/31144
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Mvv-vereiste / artikel 8 EVRM

Eiseres heeft aangevoerd dat de weigering om haar verblijfsvergunning te verlengen in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Niet in geschil is dat tussen eiseres en haar echtgenoot en kinderen sprake is van gezinsleven in de zin van dit artikel. Verweerder diende gelet daarop een belangenafweging te maken als bedoeld in het tweede lid van dit artikel.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het mvv-vereiste beoogt het algemeen belang te waarborgen dat de overheid bij haar onderzoek of de vreemdeling aan alle verblijfsvoorwaarden voldoet, niet reeds door diens onrechtmatig verblijf alhier met alle gevolgen van dien voor een voldongen feit wordt geplaatst. De omstandigheid dat eiseres zonder rechtmatig verblijf het gezinsleven in Nederland heeft uitgeoefend dient volgens verweerder voor haar rekening en risico te komen. De rechtbank overweegt in dit verband dat eiseres op 30 augustus 2000 met een geldige mvv Nederland is ingereisd en dat zij tot het primaire besluit van 27 oktober 2004 rechtmatig in Nederland heeft verbleven. Zij heeft dus het merendeel van de periode waarin zij gezinsleven heeft uitgeoefend rechtmatig verblijf gehad. Naar het oordeel van de rechtbank kan de situatie van eiseres dus niet op één lijn gesteld worden met de situatie van een vreemdeling die door een illegale inreis de overheid voor een voldongen feit stelt, zodat het algemeen belang waar verweerder naar heeft verwezen in dit geval gerelativeerd kan worden. Ook heeft verweerder, nu eiseres het gezinsleven al had aangevangen en gedurende ruim vier jaar had uitgeoefend voordat de rechtmatigheid aan haar verblijf kwam te ontvallen, ten onrechte gesteld dat eiseres haar gezinsleven zonder rechtmatig verblijf heeft uitgeoefend. Gelet daarop valt niet in te zien dat dit voor rekening en risico van eiseres zou moeten komen.

Volgens vaste jurisprudentie van de AbRS levert het tegenwerpen van het mvv-vereiste slechts in uitzonderlijke gevallen schending van artikel 8 van het EVRM op, omdat uit de uit het mvv-vereiste voortvloeiende verplichting Nederland te verlaten in beginsel tijdelijk van aard is. Verweerder heeft gesteld dat niet is gebleken dat niet van eiseres mag worden verwacht dat zij tijdelijk terugkeert naar Sri Lanka. Verweerder is daarbij echter niet ingegaan op de stelling van eiseres, onderbouwd door de door haar overgelegde informatie van Bureau Jeugdzorg, dat, indien zij zonder haar kinderen naar Sri Lanka zal vertrekken, haar kinderen uit huis geplaatst zullen worden. Ten aanzien van het standpunt van verweerder dat eiseres haar kinderen ook kan meenemen naar Sri Lanka, overweegt de rechtbank dat, nog daargelaten of het eiseres gelet op de huidige onder toezicht stelling van de kinderen zal zijn toegestaan haar kinderen mee te nemen naar Sri Lanka, te verwachten valt dat dit geen gunstige uitwerking zal hebben op de huidige gezinssituatie. Gelet op het voorgaande is het bestreden besluit ook op dit punt onvoldoende gemotiveerd.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 16
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 3.80
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2008/409 met annotatie van mr. D. Beltman
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

enkelvoudige kamer vreemdelingenzaken

voorzieningenrechter

Uitspraak

artikel 8:70 en 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nrs.:

AWB 07/31142 (beroep) en AWB 07/31144 (voorlopige voorziening)

V-nr: 091.601.1287

inzake:

[eiseres], geboren op [1974], van Sri Lankaanse nationaliteit, wonende te Utrecht, eiseres/verzoekster, hierna te noemen eiseres

gemachtigde: mr. A.H.A. Kessels, advocaat te Amsterdam,

tegen:

de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. L.J.J. Stams, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het ministerie van Justitie.

I. PROCESVERLOOP

Bij besluit van 27 oktober 2004 heeft verweerder de aanvraag van eiseres van 3 september 2003 tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000 onder de beperking “verblijf bij echtgenoot [echtgenoot]” afgewezen. Hiertegen is op 26 september 2005 bezwaar gemaakt. Dit bezwaar is bij besluit van 25 juli 2007 ongegrond verklaard. Het besluit vermeldt onder meer de rechtsgevolgen dat eiseres na bekendmaking van het besluit niet meer rechtmatig in Nederland verblijft en dat eiseres Nederland uit eigen beweging binnen 28 dagen moet verlaten.

Op 3 augustus 2007 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiseres ontvangen. Het beroep schort de rechtsgevolgen van het bestreden besluit niet op. Bij voornoemd beroepschrift is tevens verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 mei 2008. Eiseres is daar in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig T. Sabapathy als tolk in de Tamil taal.

De voorzieningenrechter/rechtbank, hierna te noemen: rechtbank, heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

II. FEITEN EN OMSTANDIGHEDEN

1.1 De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.2 Eiseres is op 30 augustus 2000 met een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) Nederland ingereisd.

1.3 Eiseres was in het bezit van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking “verblijf bij echtgenoot [echtgenoot]”, geldig van 13 oktober 2000 tot en met 28 september 2001, en verlengd tot 28 september 2002.

1.4 Op 24 april 2002 heeft eiseres een aanvraag ingediend tot het wijzigen van de aan haar verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verbonden beperking “verblijf bij echtgenoot” in de beperking “voortgezet verblijf”. Deze aanvraag is bij besluit van 17 april 2003 afgewezen. Hiertegen is op 12 december 2003 bezwaar gemaakt. Dit bezwaar is bij besluit van 27 oktober 2004 niet-ontvankelijk verklaard. Het daartegen ingestelde beroep is bij uitspraak van de rechtbank ’s Gravenhage, zittingsplaats Zwolle van 26 september 2005 (AWB 04/49229) ongegrond verklaard.

III. AMBTSHALVE TE BEANTWOORDEN ONTVANKELIJKHEIDSVRAGEN

1. De rechtbank ziet zich in de eerste plaats gesteld voor de vraag of het bezwaar van 26 september 2005 tijdig is gemaakt. Beantwoording van deze vraag is van openbare orde, zo volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS), zoals de uitspraak van 5 december 1995 (AB 1996, 298).

2. In artikel 6:6 van de Awb is bepaald dat het niet tijdig indienen van bezwaar of beroep kan leiden tot niet-ontvankelijkheid van het bezwaar of beroep.

3. Ingevolge artikel 69 van de Vw 2000 bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift, in afwijking van artikel 6:7 van de Awb, vier weken.

4. Ingevolge artikel 6:8, eerste lid, van de Awb, vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.

5. Ingevolge artikel 3:41 van de Awb geschiedt de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.

6. Vast staat dat het besluit in primo, de daarbij behorende aanbiedingsbrief van dezelfde datum en de minuut behorende bij dat besluit niet zijn voorzien van een verzendstempel. Op grond hiervan gaat de rechtbank er van uit dat dit besluit inderdaad niet is verzonden op 27 oktober 2004, maar pas op 19 september 2005, nadat de gemachtigde van eiseres bij brief van 8 september 2005 om toezending van dat besluit had gevraagd. Nu het bezwaarschrift op 26 september 2005 is ingediend, is het bezwaar dan ook tijdig gemaakt.

IV. STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

1.1 Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het volgende standpunt gesteld. Anders dan eiseres meent, betekent de omstandigheid dat de relatie van eiseres met haar echtgenoot weer is hersteld, niet dat zij niet in het bezit hoeft te zijn van een geldige mvv. Nu de aanvraag van eiseres langer dan een half jaar na het verlopen van de geldigheidsduur van haar verblijfsvergunning is ingediend, is sprake van een eerste toelating en dient eiseres te beschikken over een geldige mvv.

Verder heeft eiseres onvoldoende feiten en omstandigheden aangedragen waaruit blijkt dat een terugkeer naar haar land van herkomst zal leiden tot een onbillijke situatie van overwegende aard. In dit kader wordt het volgende opgemerkt. Hoewel wordt gesteld dat de echtgenoot van eiseres niet in staat is om voor zijn kinderen te zorgen, verblijven eiseres en de kinderen wel op zijn adres waardoor mag worden aangenomen dat de echtgenoot van eiseres een zekere rol heeft in de opvoeding dan wel zorg. Bovendien staan de kinderen ook nog onder toezicht van een gezinsvoogd.

Voor zover eiseres heeft gesteld dat haar terugkeer naar Sri Lanka in strijd is met artikel 3 van het Europees Verdrag inzake de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) vanwege de veiligheidsrisico’s aldaar, dient zij een aanvraag in te dienen tot verlening van een verblijfsvergunning asiel. Ook voor zover eiseres meent dat zij in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van humanitaire redenen, dan wel op grond van het EU-recht, dient zij daarvoor een aparte aanvraag in te dienen.

De weigering om eiseres vrij te stellen van het mvv-vereiste vormt geen inbreuk op het Internationale Verdrag voor de Rechten van het Kind (IVRK), en evenmin een schending van artikel 8 van het EVRM. Immers, niet is gebleken dat niet van eiseres mag worden verwacht dat zij tijdelijk terugkeert naar Sri Lanka om een mvv aan te vragen. Voor zover eiseres meent dat zij niet tijdelijk zonder haar gezin kan, is evenmin gebleken van beletselen om (tijdelijk) met haar gezin terug te keren. Het niet vrijstellen van het mvv-vereiste betekent niet dat uitoefening van het gezinsleven hier te lande nimmer zal worden toegestaan. Hierbij wordt opgemerkt dat het voor rekening en risico van eiseres komt dat zij zonder rechtmatig verblijf het gezinsleven in Nederland heeft uitgeoefend. Bovendien mag, gelet op de jonge leeftijd van haar drie kinderen, worden aangenomen dat zij nog niet zijn geworteld in de Nederlandse samenleving.

1.2 In aanvulling op het bestreden besluit merkt verweerder in het verweerschrift van 6 mei 2008 nog op dat eiseres niet in haar standpunt wordt gevolgd dat zij dient te worden aangemerkt als echtgenote van een gemeenschapsonderdaan. De echtgenoot van eiseres heeft de Nederlandse nationaliteit. Gelet op artikel 1, aanhef en onder e, van de Vw 2000, wordt een Nederlander in beginsel niet als gemeenschapsonderdaan aangemerkt, tenzij wordt vastgesteld dat deze persoon (ook) een verblijfsrecht ontleent aan het gemeenschapsrecht. Nu dit ten aanzien van de echtgenoot van eiseres niet is vastgesteld, kan eiseres op deze grond geen vrijstelling van het mvv-vereiste krijgen.

2. Eiseres heeft – zakelijk weergegeven – de volgende beroepsgronden tegen het bestreden besluit aangevoerd. Nu eiseres binnen redelijke termijn de onderhavige aanvraag heeft ingediend, namelijk binnen zes maanden na het nemen van de beschikking op de aanvraag van 24 april 2002, kan het mvv-vereiste niet worden tegengeworpen. Indien verweerder meent dat de aanvraag niet binnen zes maanden na afloop van de oorspronkelijke verblijfsverlening is ingediend, dan kan deze termijnoverschrijding verschoonbaar worden geacht. Eiseres heeft immers vóór afloop van de verblijfsvergunning om wijziging van de beperking verzocht en veel later daarover uitsluitsel gekregen.

Voorts heeft de echtgenoot van eiseres gebruik gemaakt van zijn rechten als EU-onderdaan om in het Verenigd Koninkrijk arbeid in loondienst te verrichten. Als zodanig kan hij worden aangemerkt als EU-onderdaan, welke kwalificatie een vrijstelling van het mvv-vereiste rechtvaardigt. Verweerder heeft ten onrechte gesteld dat deze omstandigheid niet tot vrijstelling van het mvv-vereiste kan leiden.

Eiseres behoort bovendien tot de categorie vreemdelingen die valt onder de ‘hardheidsclausule’ van artikel 3.71, vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb) 2000. Verweerder doet de in dit kader aangevoerde argumenten ten onrechte af als zijnde asielgerelateerde gronden, omdat verweerder in vergelijkbare gevallen de waterscheiding tussen asiel en regulier ook niet strikt handhaaft.

Verweerder miskent verder dat het IVRK in deze procedure een rol speelt. Verweerder kan niet met recht stellen dat Nederlandse kinderen geacht kunnen worden terug te keren naar het noordoosten van Sri Lanka, gelet op de slechte mensenrechtensituatie aldaar.

Ten slotte voert eiseres aan dat ook (tijdelijke) scheiding tussen haar en haar gezin, vanwege het mvv-vereiste, zal leiden tot een schending van artikel 8 van het EVRM. Dit, omdat uit de brief van Bureau Jeugdzorg van 1 augustus 2007 blijkt dat de kinderen daarvan blijvende schade zullen ondervinden. Het gezin is immers sinds 19 januari 2007 onder toezicht gesteld van een gezinsvoogd. Indien eiseres (tijdelijk) terug moet naar Sri Lanka, dan heeft dat tot gevolg dat de kinderen uit huis zullen worden geplaatst, omdat anders hun gezondheid en veiligheid in het geding is. Eiseres acht het dan ook onbegrijpelijk dat verweerder meent dat de echtgenoot van eiseres voor de kinderen zorg kan dragen.

V. BEOORDELING VAN HET GESCHIL

Ten aanzien van het beroep

1.1. Artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 bepaalt dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000 kan worden afgewezen indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd. Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de Vw 2000 en artikel 3.71, tweede lid, van het Vb 2000 is een aantal categorieën vreemdelingen vrijgesteld van het vereiste van het beschikken over een geldige mvv. Voorts kan de Minister, ingevolge het vierde lid van artikel 3.71 van het Vb 2000, het mvv-vereiste buiten toepassing laten voor zover toepassing daarvan naar zijn oordeel zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard (de zogeheten hardheidsclausule).

1.2. In artikel 3.80, eerste lid, van het Vb 2000, is bepaald, voor zover hier van belang, dat de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning tijdig is ingediend, indien deze is ontvangen uiterlijk op de dag voor de dag waarop de geldigheidsduur verstrijkt, dan wel, indien deze later is ontvangen, indien de termijnoverschrijding de vreemdeling niet kan worden toegerekend. In het tweede lid van dit artikel is bepaald, voor zover hier van belang, dat de niet-tijdig ingediende aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning, wordt gelijkgesteld met een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning.

1.3. In artikel 3.82, eerste lid, van het Vb 2000 is bepaald, voor zover hier van belang, dat indien de niet-tijdig ingediende aanvraag tot het wijzigen of verlengen van de verblijfsvergunning naar het oordeel van verweerder is ontvangen binnen een redelijke termijn nadat het rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder a, van de Vw 2000 is geëindigd, artikel 3.71 van het Vb 2000 niet van toepassing is.

2. Eiseres heeft aangevoerd dat zij de aanvraag om verlenging binnen een redelijke termijn heeft ingediend, omdat zij dit heeft gedaan binnen zes maanden na de beschikking van 17 april 2003 in de procedure genoemd onder II.4.

De rechtbank volgt verweerder niet in zijn standpunt dat de ex-tunctoetsing aan beoordeling van deze beroepsgrond in de weg staat. Het gaat hier immers om de vraag of verweerder zich ten tijde van het nemen van het bestreden besluit terecht op het standpunt heeft gesteld dat de aanvraag om verlenging niet tijdig is ingediend.

Eiseres heeft de onderhavige aanvraag echter niet binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 3.82, eerste lid, van het Vb 2000 ingediend. Ingevolge die bepaling moet de aanvraag zijn ontvangen binnen een redelijke termijn na het eindigen van het rechtmatig verblijf. De eerdere verblijfsvergunning van eiseres was geldig tot 28 september 2002. Het rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder a, van de Vw 2000 eindigde daarom ook op die datum. De onderhavige aanvraag is ingediend op 3 september 2003, dat wil zeggen meer dan zes maanden na het eindigen van het rechtmatig verblijf. Dat de aanvraag binnen zes maanden na de beschikking van 17 april 2003 is ingediend, kan daaraan niet afdoen.

3. Het subsidiaire betoog van eiseres dat, indien er wel sprake is van termijnoverschrijding, deze verschoonbaar is, slaagt evenmin. Volgens het door verweerder op dit punt gevoerde beleid, draagt de vreemdeling zelf de volledige verantwoordelijkheid voor tijdige indiening van de verlengingaanvraag en zal niet snel sprake zijn van een situatie waardoor de te late indiening is te wijten aan omstandigheden die de vreemdeling niet zijn toe te rekenen. Dat eiseres vóór de afloop van de geldigheidsduur van haar verblijfsvergunning heeft verzocht om wijziging van de beperking en pas veel later uitsluitsel daarover heeft gekregen, is naar het oordeel van de rechtbank geen omstandigheid waarin verweerder aanleiding had hoeven te zien voor het standpunt dat het niet tijdig indienen van de verlengingaanvraag niet aan eiseres is toe te rekenen.

4. Eiseres heeft eveneens aangevoerd dat zij moet worden vrijgesteld van het mvv-vereiste omdat haar echtgenoot enige tijd in Engeland heeft gewerkt, hij daarom als een EU-onderdaan is aan te merken en zij daarom een afgeleid verblijfsrecht heeft. In dit verband heeft zij een jaaropgave overgelegd waaruit blijkt dat haar echtgenoot in het Verenigd Koninkrijk een inkomen heeft genoten. De rechtbank gaat er van uit dat eiseres daarmee beoogt een beroep te doen op richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/148/EEG, 75/34/EEG, 90/364 EEG, 90/365/EEG en 93/96 EEG (hierna: richtlijn 2004/38). In het bestreden besluit is gesteld dat eiseres een nieuwe aanvraag moet indienen indien zij van mening is dat zij op grond van het EG-recht in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning. De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting aangegeven dat het bestreden besluit op dit punt niet wordt gehandhaafd. In het bestreden besluit is verder slechts overwogen dat hetgeen eiseres heeft aangevoerd op dit punt, niet leidt tot de conclusie dat zij vrijgesteld dient te worden van het mvv-vereiste. In het verweerschrift heeft verweerder nog gesteld dat ten aanzien van de echtgenoot van eiseres niet is vastgesteld dat hij (ook) een verblijfsrecht ontleent aan het gemeenschapsrecht, zodat noch hij noch eiseres als gemeenschapsonderdaan kan worden beschouwd. De rechtbank verwijst in dit verband naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in de zaak Eind, van 11 december 2007 (LJN: BC1839, JV 2008/1) waarin is overwogen dat bij terugkeer van een werknemer naar een lidstaat waarvan hij de nationaliteit bezit nadat hij betaald werk heeft verricht in een andere lidstaat, een tot het gezin van die werknemer behorende persoon met de nationaliteit van een derde land op grond van verordening 1612/68 een recht van verblijf heeft in de lidstaat waarvan de werknemer de nationaliteit bezit, ook indien deze werknemer aldaar geen reële en daadwerkelijke economische activiteit verricht. Gelet daarop heeft verweerder zich niet zonder nadere motivering op het standpunt kunnen stellen dat eiseres aan het gemeenschapsrecht geen rechten kan ontlenen.

5. Eiseres heeft verder aangevoerd dat zij in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van artikel 3.71, vierde lid, van het Vb 2000, de zogenoemde hardheidsclausule. In dat verband heeft zij in de bezwaarprocedure een e-mailbericht van 22 mei 2007 overgelegd van de gezinsvoogd die door Bureau Jeugdzorg is aangesteld. Deze stelt daarin dat de kinderen van eiseres sinds 19 januari 2007 onder toezicht zijn gesteld. Wanneer eiseres naar Sri Lanka zou moeten terugkeren, zou haar echtgenoot de opvoeding van zijn kinderen op zich moeten nemen. Dit is niet wenselijk gelet op zijn problematiek. Vertrek van eiseres naar Sri Lanka zou inhouden dat de kinderen uit huis geplaatst zouden moeten worden, wat gezien de leeftijd van de kinderen uiterst onwenselijk is. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eiseres niet voor vrijstelling op deze grond in aanmerking komt. Naar aanleiding van het hiervoor genoemde e-mailbericht heeft verweerder slechts overwogen dat de kinderen op het adres van eiseres en hun vader verblijven, zodat mag worden aangenomen dat hij een zekere rol heeft in de opvoeding dan wel zorg en dat de kinderen ook nog onder toezicht staan van een gezinsvoogd. Nu de gezinsvoogd zich echter uitdrukkelijk op het standpunt heeft gesteld dat de kinderen uit huis geplaatst moeten worden als eiseres naar Sri Lanka moet terugkeren, kon verweerder daaraan naar het oordeel van de rechtbank niet zonder nadere motivering met de hiervoor weergegeven overweging voorbijgaan. In dit verband merkt de rechtbank nog op dat Bureau Jeugdzorg zich in de brief van 1 augustus 2007 die door eiseres in beroep is overgelegd, nog steeds op het standpunt stelt dat nu de echtgenoot van eiseres onder andere met meerdere verslavingen kampt, het voor de kinderen onveilig zou zijn om thuis te blijven wonen indien eiseres naar Sri Lanka zou moeten terugkeren. In die brief is eveneens gesteld dat de aanwezigheid van een gezinsvoogd niet kan worden beschouwd als een substituut van eiseres binnen het gezin. Het bestreden besluit is daarom ook op dit punt onvoldoende gemotiveerd.

6.1 Ten slotte heeft eiseres nog aangevoerd dat de weigering om haar verblijfsvergunning te verlengen in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Niet in geschil is dat tussen eiseres en haar echtgenoot en kinderen sprake is van gezinsleven in de zin van dit artikel. Verweerder diende gelet daarop een belangenafweging te maken als bedoeld in het tweede lid van dit artikel.

6.2 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het mvv-vereiste beoogt het algemeen belang te waarborgen dat de overheid bij haar onderzoek of de vreemdeling aan alle verblijfsvoorwaarden voldoet, niet reeds door diens onrechtmatig verblijf alhier met alle gevolgen van dien voor een voldongen feit wordt geplaatst. De omstandigheid dat eiseres zonder rechtmatig verblijf het gezinsleven in Nederland heeft uitgeoefend dient volgens verweerder voor haar rekening en risico te komen. De rechtbank overweegt in dit verband dat eiseres op 30 augustus 2000 met een geldige mvv Nederland is ingereisd en dat zij tot het primaire besluit van 27 oktober 2004 rechtmatig in Nederland heeft verbleven. Zij heeft dus het merendeel van de periode waarin zij gezinsleven heeft uitgeoefend rechtmatig verblijf gehad. Naar het oordeel van de rechtbank kan de situatie van eiseres dus niet op één lijn gesteld worden met de situatie van een vreemdeling die door een illegale inreis de overheid voor een voldongen feit stelt, zodat het algemeen belang waar verweerder naar heeft verwezen in dit geval gerelativeerd kan worden. Ook heeft verweerder, nu eiseres het gezinsleven al had aangevangen en gedurende ruim vier jaar had uitgeoefend voordat de rechtmatigheid aan haar verblijf kwam te ontvallen, ten onrechte gesteld dat eiseres haar gezinsleven zonder rechtmatig verblijf heeft uitgeoefend. Gelet daarop valt niet in te zien dat dit voor rekening en risico van eiseres zou moeten komen.

6.3 Volgens vaste jurisprudentie van de AbRS levert het tegenwerpen van het mvv-vereiste slechts in uitzonderlijke gevallen schending van artikel 8 van het EVRM op, omdat uit de uit het mvv-vereiste voortvloeiende verplichting Nederland te verlaten in beginsel tijdelijk van aard is. Verweerder heeft gesteld dat niet is gebleken dat niet van eiseres mag worden verwacht dat zij tijdelijk terugkeert naar Sri Lanka. Verweerder is daarbij echter niet ingegaan op de stelling van eiseres, onderbouwd door de hierboven weergegeven informatie van Bureau Jeugdzorg, dat, indien zij zonder haar kinderen naar Sri Lanka zal vertrekken, haar kinderen uit huis geplaatst zullen worden. Ten aanzien van het standpunt van verweerder dat eiseres haar kinderen ook kan meenemen naar Sri Lanka, overweegt de rechtbank dat, nog daargelaten of het eiseres gelet op de huidige onder toezicht stelling van de kinderen zal zijn toegestaan haar kinderen mee te nemen naar Sri Lanka, te verwachten valt dat dit geen gunstige uitwerking zal hebben op de huidige gezinssituatie. Gelet op het voorgaande is het bestreden besluit ook op dit punt onvoldoende gemotiveerd.

7. De conclusie is dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Daarom wordt het beroep gegrond verklaard en wordt het bestreden besluit vernietigd. Verweerder dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Gelet hierop bestaat er aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb verweerder te verbieden eiseres uit Nederland te verwijderen tot vier weken nadat opnieuw op het bezwaar is beslist.

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening

8. Aan de orde is de vraag of er aanleiding bestaat de gevraagde voorziening te treffen. Een dergelijke voorziening kan op grond van artikel 8:81 van de Awb worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

9. De gevraagde voorziening strekt er toe de uitzetting te verbieden totdat is beslist op het beroep. In het onderhavige geval is er geen aanleiding tot het treffen van de gevraagde voorziening, gelet op het feit dat de rechtbank heden op het beroep heeft beslist.

Ten aanzien van het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening

10. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als de in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 966,-- als kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 322,--, wegingsfactor 1).

11. Op grond van het bepaalde in artikel 8:74 en artikel 8:82, vierde lid, van de Awb wijst de recht¬bank, respectievelijk de voorzieningenrechter de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter ver¬goeding van het door eiseres betaalde griffierecht inzake het beroep alsmede het verzoek om voorlopige voorziening.

VI. BESLISSING

De rechtbank,

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 07/31142,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder binnen zes weken na verzending van de uitspraak een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

- verbiedt de uitzetting van eiseres tot vier weken nadat op het bezwaar is beslist.

De voorzieningenrechter,

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 07/31144,

- wijst het verzoek af;

In alle zaken:

- veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op € 966,-- (zegge: negenhonderd en zesenzestig euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier.

- wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiseres betaalde griffierecht ad € 286,-- (zegge: tweehonderd en zesentachtig euro).

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W.C.M. van Emmerik, voorzitter, tevens voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. A.G. Sijbrands, griffier, en uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2008.

De griffier

De voorzitter

Afschrift verzonden op:

Conc: AS

Coll: YvV

D: B

Tegen de uitspraak op het beroep staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt vier weken. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.