Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BF0784

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
15-08-2008
Datum publicatie
17-09-2008
Zaaknummer
AWB 08/25916
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Zicht op uitzetting Sierra Leone

Verweerder is in eisers asielprocedure van de door eiser opgegeven identiteit en nationaliteit is uitgegaan, nu hij op grond van die identiteit en nationaliteit in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000.

Nu verweerder geen nadere motivering heeft gegeven voor zijn standpunt dat de gestelde identiteit en nationaliteit van eiser niet vast staan, dient verweerder in de onderhavige procedure van de Sierraleoonse nationaliteit van eiser uit te gaan.

Uit de door verweerder overgelegde informatie blijkt dat van de in totaal 42 vreemdelingen die bij een groepspresentatie in mei 2008 zijn gepresenteerd van 26 vreemdelingen de Sierraleoonse nationaliteit vastgesteld. De autoriteiten van Sierra Leone hebben tijdens het bezoek van verweerder op 17 juni 2008 toegezegd dat zij voor de vreemdelingen van wie de Sierra Leoonse nationaliteit is vastgesteld, zullen overgaan tot het verstrekken van een lp. Bij de toezeggingen tot afgifte van een lp is niet de voorwaarde gesteld van vrijwillige terugkeer.

Uit deze informatie blijkt dat de Sierraleoonse autoriteiten kennelijk bereid zijn geweest, ook bij niet vrijwillige terugkeer, een lp te verstrekken. Onder deze omstandigheden kan niet worden gezegd dat thans uitgesloten moet worden geacht dat door de Sierraleoonse autoriteiten ten behoeve van eiser een lp zal worden verstrekt, ook als hij niet vrijwillig zou willen terugkeren.

Conclusie: reëel zicht op uitzetting ontbreekt niet.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 29
Vreemdelingenwet 2000 59
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2008/402
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

enkelvoudige kamer vreemdelingenzaken

Uitspraak

op grond van artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 94 en artikel 106 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 08/25916

V-nr.: 200.750.2167

inzake:

[eiser], geboren op [1983], van (gestelde) Sierra Leoonse nationaliteit, verblijvende in het Detentiecentrum te Alphen aan den Rijn, eiser,

gemachtigde: mr. M.A.C. van Overmeire-de Vilder, advocaat te Amsterdam,

tegen:

de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. J. den Haan, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Op 14 juli 2008 is eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in bewaring gesteld.

Bij beroepschrift van 18 juli 2008 heeft eiser beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel.

Ingevolge artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 houdt het beroep tevens in een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Het beroep is behandeld ter openbare zitting van 29 juli 2008. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. M.I. Vennik, kantoorgenoot van zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig M. Boesveldt, als tolk in de Engelse taal. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

De rechtbank heeft aanleiding gezien het onderzoek te heropenen teneinde verweerder de gelegenheid te geven de rechtbank nadere inlichtingen te verstrekken. Verweerder heeft op 6 augustus 2008 de rechtbank deze inlichtingen verstrekt. Eiser heeft op 7 augustus 2008 gereageerd.

De rechtbank heeft vervolgens op 11 augustus 2008 nadere vragen aan verweerder gesteld. Verweerder heeft op 12 augustus 2008 deze vragen beantwoord. Eiser heeft op 13 augustus 2008 hierop gereageerd. Beide partijen hebben de rechtbank toestemming verleend zonder nadere zitting uitspraak te doen. Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek op 13 augustus 2008 gesloten.

II. OVERWEGINGEN

Eiser heeft ter zitting het volgende -zakelijk weergegeven- aangevoerd.

Er is geen zicht op uitzetting nu de autoriteiten van Sierra Leone niet meewerken aan gedwongen terugkeer, zoals onder andere blijkt uit een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, van 9 juli 2008 (AWB 08/22155). Bewaring is een maatregel ter fine van gedwongen terugkeer. Vrijwillig terugkeren valt niet onder de plicht tot medewerking die op eiser rust. Verwezen wordt naar een uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 30 januari 2008 (AWB 08/1732) waarin is overwogen: “Bewaring mag worden toegepast om niet-vrijwillige terugkeer mogelijk te maken en niet om “vrijwillige terugkeer” af te dwingen. Nu vaststaat dat eiser enkel op vrijwillige basis kan terugkeren, dient de bewaring van eiser, gelijk de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) in haar uitspraak van 14 januari 2005 (JV 2005/121), te worden opgeheven in verband met het ontbreken van zicht op uitzetting. Voorts ziet eiser niet in waarom er een onderzoek gestart dient te worden naar zijn nationaliteit en zijn identiteit nu eiser in het verleden een verblijfsvergunning is verleend op grond van het categoriale beschermingsbeleid, zoals gold voor Sierra Leone.

Verweerder heeft ter zitting het volgende -zakelijk weergegeven- aangevoerd.

Op 17 juni 2008 is een delegatie van de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) naar Sierra Leone vertrokken om te onderhandelen over de presentaties en de afgifte van laissez-passers (lp’s). Tevens hebben er op 24, 26, 27 en 28 mei 2008 groepspresentaties plaatsgevonden. Naar aanleiding hiervan hebben de Sierra Leoonse autoriteiten toezeggingen gedaan over de afgifte van lp’s. Gelet op de korte periode dat eiser thans in bewaring verblijft, is hij nog niet gepresenteerd bij de autoriteiten van Sierra Leone. Verweerder dient derhalve de gelegenheid te krijgen eerst de presentatie en de resultaten ervan af te wachten om te zien of eiser afkomstig is uit Sierra Leone. Indien komt vast te staan dat eiser afkomstig is uit Sierra Leone, dan zal worden bezien of eiser gedwongen kan worden uitgezet. Indien uit het onderzoek blijkt dat eiser niet afkomstig is uit Sierra Leone, dient verweerder in de gelegenheid te worden gesteld te onderzoeken waar eiser dan vandaan komt. Vooralsnog kan daarom niet gezegd worden dat een reëel perspectief op uitzetting ontbreekt.

Naar aanleiding van hetgeen ter zitting is besproken, heeft de rechtbank besloten het onderzoek te heropenen en verweerder de volgende vragen te stellen:

1. Hoeveel vreemdelingen zijn gepresenteerd bij de groepspresentaties en in hoeveel van die gevallen is een toezegging tot afgifte van een lp gedaan?

2. Is in de gevallen waarin een toezegging tot afgifte van een lp is gedaan reeds tot daadwerkelijke afgifte van een lp overgegaan? Zo ja, in hoeveel gevallen?

3. Was in de gevallen waarin een toezegging tot afgifte van een lp is gedaan sprake van vreemdelingen die zich in vreemdelingenbewaring bevonden? Was er in die gevallen sprake van gedwongen terugkeer?

Verweerder heeft op 6 augustus 2008 de gevraagde inlichtingen verstrekt en heeft aangegeven dat er in totaal op 24, 26, 27 en op 28 mei 2008 42 vreemdelingen zijn gepresenteerd bij de autoriteiten van Sierra Leone. Van deze groep is er bij 26 mensen de Sierra Leoonse nationaliteit vastgesteld. De autoriteiten van Sierra Leone hebben tijdens het bezoek van verweerder op 17 juni 2008 toegezegd dat zij voor deze vreemdelingen op 1 augustus 2008 zullen overgaan tot het verstrekken van een lp. Door omstandigheden is dit echter niet doorgegaan. De autoriteiten van Sierra Leone hebben verzocht om twee weken uitstel. Verweerder is derhalve nog in afwachting van de afgifte van lp’s. Voorts bevonden alle vreemdelingen die zijn gepresenteerd zich in vreemdelingenbewaring. In alle gevallen is er sprake van gedwongen vertrek.

In reactie op de door verweerder verstrekte inlichtingen stelt eiser dat uit verweerders informatie blijkt dat er bij 26 vreemdelingen de Siera Leoonse nationaliteit is vastgesteld, maar dat niet blijkt in hoeveel gevallen er concrete toezeggingen zijn gedaan over de afgifte van lp’s. Eiser wijst op een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Gravenhage, van 26 maart 2008 (AWB 08/8061) waaruit blijkt dat het vaststellen van een nationaliteit en het afgeven van een lp niet hetzelfde is en dat verweerder heeft verklaard dat er enkel lp’s wordt afgegeven indien de vreemdeling vrijwillig terugkeert.

Verweerder geeft verder aan dat de Sierra Leoonse autoriteiten hun toezeggingen niet zijn nagekomen. Deze gang van zaken is onvoldoende concreet om te kunnen zeggen dat er daadwerkelijk toezeggingen zijn gedaan over de afgifte van lp’s door de autoriteiten van Sierra Leone en derhalve kan niet worden gezegd dat er een reëel zicht op uitzetting op korte termijn bestaat.

De rechtbank heeft vervolgens verweerder de volgende nadere vragen gesteld:

Eiser heeft verwezen naar een uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 30 januari 2008 (AWB 08/1732). In die zaak is door verweerder gesteld dat de Sierra Leoonse autoriteiten geen lp afgeven voor vreemdelingen van Sierra Leoonse nationaliteit die niet een verklaring willen ondertekenen dat zij vrijwillig willen terugkeren.

In uw antwoorden op de vorige vragen heeft u medegedeeld dat er in de 26 gevallen waarin door de Sierra Leoonse autoriteiten een lp is toegezegd sprake is van gedwongen vertrek.

“Betekent dit dat de Sierra Leoonse autoriteiten voor het verstrekken van een lp thans niet meer als voorwaarde hanteren dat de vreemdeling een verklaring van vrijwillige terugkeer ondertekent dan wel anderszins te kennen moet hebben gegeven vrijwillig te willen terugkeren? Als ja, in hoeveel van de 26 gevallen was sprake van het achterwege blijven van een (ondertekende) verklaring van vrijwillige terugkeer?”

Verweerder heeft op 12 augustus 2008 de vragen beantwoord. Verweerder heeft medegedeeld dat een schriftelijke verklaring van vrijwilligheid geen voorwaarde is geweest die door de vertegenwoordiging is gesteld. Ook een mondelinge verklaring van vrijwilligheid ten tijde van de presentatie is voldoende voor afgifte van een lp, mits de nationaliteit is vastgesteld. Een schriftelijke verklaring werd op verzoek van DT&V door betrokkene ondertekend ter meerdere bevestiging richting ambassade.

De taskforce Sierra Leone die in mei 2008 naar Nederland is gekomen, was hier in het kader van gedwongen terugkeer. In het kader van deze taskforce werd geen voorwaarde van vrijwilligheid gesteld door de autoriteiten van Sierra Leone. In de 26 zaken waarvoor statements zijn afgegeven, is tevens een lp toegezegd. Bij deze toezegging speelt de vraag of een vreemdeling vrijwillig wil terugkeren geen rol.

In reactie op de door verweerder verstrekte inlichtingen stelt eiser dat verweerder tegenstrijdige informatie heeft gegeven, nu eerst door verweerder is medegedeeld dat pas door het weigeren van een schriftelijke verklaring van vrijwilligheid is aangetoond dat sprake is van gedwongen vertrek en verweerder nu zegt dat ook een mondelinge verklaring jegens de autoriteiten volstaat. In een andere zaak is op een zitting van 3 juli 2008 nog door verweerder bevestigd dat de Sierra Leoonse autoriteiten nog immer niet meewerken aan gedwongen vertrek. Bevreemdend is het dat verweerder in de onderhavige zaak met andere informatie komt. Voorts blijkt in een andere zaak dat de lp’s niet zullen worden afgegeven op 1 augustus 2008, maar dat pas op 1 september 2008 een afspraak kan worden gemaakt wanneer de lp’s zullen worden afgegeven.

De rechtbank overweegt het volgende.

Ingevolge artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 kan, indien het belang van de openbare orde of nationale veiligheid dat vordert, met het oog op de uitzetting, in bewaring worden

gesteld de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft.

In geschil is of er zicht op uitzetting bestaat binnen een redelijke termijn.

Verweerder heeft gesteld dat hij de gelegenheid moet krijgen eerst de presentatie van eiser bij de Sierra Leoonse autoriteiten en de resultaten ervan af te wachten om te zien of eiser afkomstig is uit Sierra Leone. De rechtbank overweegt dat verweerder in eisers asielprocedure van de door eiser opgegeven identiteit en nationaliteit is uitgegaan, nu hij op grond van die identiteit en nationaliteit in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000. In dat geval kan verweerder zich niet zonder nadere motivering op het standpunt stellen dat de gestelde identiteit en nationaliteit van eiser niet vast staan. Het enkele feit dat eiser niet beschikt over een identiteitsdocument is daartoe onvoldoende. De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraak van de AbRS van 14 januari 2005 (JV 2005/121). Nu verweerder geen nadere motivering heeft gegeven voor zijn standpunt dat de gestelde identiteit en nationaliteit van eiser niet vast staan, dient verweerder in de onderhavige procedure van de Sierra Leoonse nationaliteit van eiser uit te gaan.

Uit de door verweerder overgelegde informatie blijkt dat van de in totaal 42 vreemdelingen die bij een groepspresentatie in mei 2008 zijn gepresenteerd van 26 vreemdelingen de Sierra Leoonse nationaliteit is vastgesteld. De autoriteiten van Sierra Leone hebben tijdens het bezoek van verweerder op 17 juni 2008 toegezegd dat zij voor de vreemdelingen van wie de Sierra Leoonse nationaliteit is vastgesteld, zullen overgaan tot het verstrekken van een lp. Bij de toezeggingen tot afgifte van een lp is niet de voorwaarde gesteld van vrijwillige terugkeer.

De rechtbank is van oordeel dat uit deze informatie blijkt dat de Sierra Leoonse autoriteiten kennelijk bereid zijn geweest, ook bij niet vrijwillige terugkeer, een lp te verstrekken. Onder deze omstandigheden kan niet worden gezegd dat thans uitgesloten moet worden geacht dat door de Sierra Leoonse autoriteiten ten behoeve van eiser een lp zal worden verstrekt, ook als hij niet vrijwillig zou willen terugkeren.

De omstandigheid dat verweerder op een zitting van 3 juli 2008 in een andere zaak nog heeft medegedeeld dat de Sierra Leoonse autoreiten nog immer niet meewerken aan gedwongen vertrek is onvoldoende om aan de thans door verweerder verstrekte informatie van verweerder te twijfelen. De rechtbank wijst er hierbij op dat verweerder in de andere door eiser genoemde zaak dezelfde gegevens als in de onderhavige zaak heeft verstrekt.

De omstandigheid dat de lp-toezeggingen voor 26 vreemdelingen op dit moment nog niet daadwerkelijk tot afgifte van een lp hebben geleid, betekent niet dat reeds nu ervan moet worden uitgegaan dat die lp’s niet meer zullen worden afgegeven. Aanknopingspunten hiervoor ontbreken.

De rechtbank is gelet, op het voorgaande, van oordeel dat thans niet kan worden gezegd dat een reëel zicht op uitzetting ontbreekt. Verweerder dient derhalve in de gelegenheid gesteld te worden het onderzoek bij de Sierra Leoonse autoriteiten op te starten. Dat eiser eerder in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 betekent niet dat geen onderzoek door de Sierra Leoonse autoriteiten dient plaats te vinden, nu eisers nationaliteit eerst door deze autoriteiten dient te worden vastgesteld alvorens zij zullen overgaan tot afgifte van een lp.

Na beoordeling van de door of namens eiser naar voren gebrachte beroepsgronden, concludeert de rechtbank dat de toepassing noch de tenuitvoerlegging van de vrijheidsontnemende maatregel in strijd is met de wet en dat deze bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid gerechtvaardigd is te achten. Derhalve wordt het beroep ongegrond verklaard.

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank geen gronden aanwezig om toepassing te geven aan artikel 106 van de Vw 2000 of artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De rechtbank

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.T.H. Zimmerman, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M. van der Aar, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 15 augustus 2008.

Afschrift verzonden op:

Conc.: MA

Coll:

D: B

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt één week. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.