Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BF0780

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-08-2008
Datum publicatie
17-09-2008
Zaaknummer
AWB 06/14400
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Individueel ambtsbericht / nieuw feit

Verweerder heeft aan zijn voornemen tot afwijzing van eisers asielaanvraag twee individuele ambtsberichten ten grondslag gelegd, waarin onder meer is neergelegd dat het adres waarop het advocatenkantoor van eisers advocaat in Nigeria zou zijn gevestigd, niet bestaat. Eiser heeft na het uitbrengen van het voornemen, informatie overgelegd die pas na het voornemen aan eiser bekend is geworden. Deze informatie betreft onder andere het feit dat het advocatenkantoor van eisers advocaat is verhuisd. Verweerder heeft die informatie vervolgens door het Ministerie van Buitenlandse Zaken laten verifiëren. De uitkomsten van dit onderzoek zijn neergelegd in een individueel ambtsbericht van 17 februari 2004. Volgens dit ambtsbericht blijkt op het door eiser opgegeven nieuwe adres niet het door eiser genoemde advocatenkantoor te zijn gevestigd. Verweerder heeft dit individueel ambtsbericht ten grondslag gelegd aan zijn besluit, zonder eiser in de gelegenheid te stellen daaraan voorafgaand te reageren op dit individueel ambtsbericht. Het individueel ambtsbericht van 17 februari 2004 is volgens de rechtbank aan te merken als een nieuw feit in de zin van artikel 3.119 van het Vb 2000. In het beleid zoals neergelegd in Hoofdstuk C15/6.1 van de Vc 2000 is vermeld dat als feiten en omstandigheden die in het licht van artikel 3.119 van het Vb 2000 van aanmerkelijk belang worden geacht, in ieder geval worden aangemerkt resultaten van onderzoek, zoals door de Minister van Buitenlandse Zaken. Los daarvan lag het in het onderhavige geval ook in de rede om eiser te laten reageren op het individueel ambtsbericht van 17 februari 2004 alvorens een besluit te nemen. De resultaten van dit onderzoek liggen immers lijnrecht tegenover de door eiser overgelegde informatie, te weten het faxbericht van het advocatenkantoor met het nieuwe adres, zodat hij ook om die reden in de gelegenheid had moeten worden gesteld om te reageren op dit onderzoek en de resultaten daarvan eventueel te weerleggen met nadere informatie. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

enkelvoudige kamer vreemdelingenzaken

Uitspraak

artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 06/14400

V.nr.: 170.020.6981

inzake:

[eiser], geboren op [1974], van gestelde Nigeriaanse nationaliteit, eiser,

gemachtigde: mr. L.B. Vellenga-van Nieuwkerk, advocaat te Alkmaar,

tegen:

de Staatssecretaris van Justitie, voorheen de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder,

gemachtigde: mr. M.R. Verdoner, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.

I. PROCESVERLOOP

1. Bij besluit van 1 april 2001 heeft verweerder de aanvraag van eiser van 29 maart 2001 tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 afgewezen. Het daartegen ingestelde beroep is door deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem, bij uitspraak van 12 april 2001, kenmerk AWB 01/13038, gegrond verklaard.

2. Bij besluit van 21 februari 2006 heeft verweerder de aanvraag van eiser wederom afgewezen. Op 20 maart 2006 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser ontvangen.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 mei 2008. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig S.I. Braafheid, als tolk in de Engelse taal.

4. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

II. ASIELRELAAS

Eiser is afkomstig uit het dorp [dorpsnaam] in het oosten van Nigeria. In juli/augustus 1998 heeft eiser aan zijn ouders verteld dat hij homoseksueel is. De vader van eiser heeft dit aan het dorpshoofd verteld. Tijdens een bijeenkomst heeft eisers vader verteld dat eiser homoseksueel was. Tijdens deze bijeenkomst hebben de dorpelingen besloten dat eiser vanwege zijn seksuele geaardheid zou worden verbrand, om daarmee de voorouders gunstig te stemmen. Eiser is ongeveer twee maanden later door twee onbekende mannen in het bos verkracht. Eiser heeft dit aan zijn vader verteld, die het met de dorpsoudste heeft besproken. Eiser heeft van zijn moeder geld gekregen en is gevlucht. Inmiddels is ook de politie naar eiser op zoek. Eiser is in maart 1999 Nederland binnengekomen.

III. FEITEN

1. Eiser is Nederland in maart 1999 ingereisd met een Brits paspoort op naam van [alias], geboren op [1970]. Hij is in het bezit gesteld van verblijfsvergunning voor verblijf als gemeenschapsonderdaan. Op 27 maart 2001 is eiser aangehouden op verdenking van overtreding van artikel 231 van het Wetboek van Strafrecht. Bij zijn asielaanvraag heeft eiser gesteld te zijn genaamd [eiser], geboren [1974], van Liberiaanse nationaliteit.

2. Bij brief van 9 april 2000, ingezonden in de beroepsprocedure tegen het besluit van 1 april 2001, heeft eiser gesteld van Nigeriaanse nationaliteit te zijn. Voorts heeft hij ter onderbouwing een opsporingsbevel van de Nigeriaanse politie overgelegd d.d. 13 maart 2001 en een brief van Nigeriaans advocatenkantoor ‘Esigie, Esigie & Co’ van 2 april 2001, waaruit blijkt dat de Nigeriaanse autoriteiten op de hoogte zijn van zijn homoseksuele geaardheid en dat hij deswege in Nigeria wordt gezocht. Deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem, heeft bij uitspraak van 12 april 2001, kenmerk AWB 01/13035 en AWB 01/13038, het beroep gegrond verklaard en - kort gezegd - overwogen dat, nu de door eiser overgelegde documenten zijn relaas in belangrijke mate ondersteunen, onderzoek naar de authenticiteit en de inhoud hiervan is geïndiceerd.

3. Op verzoek van verweerder is door het Ministerie van Buitenlandse Zaken onderzoek gedaan in het gestelde land van herkomst. De uitkomsten van dit onderzoek zijn neergelegd in individuele ambtsberichten van 21 januari 2003 en 20 maart 2003. Volgens eerstgenoemd ambtsbericht bestaat het adres niet waarop het advocatenkantoor zou zijn gevestigd. Voorts bleek het niet mogelijk de authenticiteit van het overgelegde opsporingsbevel te onderzoeken. Verweerder heeft bij brief van 22 januari 2003 aan het Ministerie van Buitenlandse Zaken medegedeeld dat het individuele ambtsbericht qua inhoud en procedure niet zorgvuldig tot stand is gekomen. In het individuele ambtsbericht van 20 maart 2003 is neergelegd dat nader onderzoek heeft uitgewezen dat het onderzoek qua inhoud en procedure wel zorgvuldig tot stand is gekomen. Uit het nader onderzoek blijkt dat het adres waarop het advocatenkantoor zou zijn gevestigd, niet bestaat. Voorts stellen politiefunctionarissen volgens bronnen binnen de Nigeriaanse politie opsporingsbevelen als het door eiser overgelegde document op om personen in het buitenland te helpen. Het overgelegde opsporingsbevel is derhalve niet authentiek.

4. Op 3 juni 2003 is het voornemen tot afwijzing van de aanvraag kenbaar gemaakt.

5. Eiser heeft in zijn zienswijze van 3 juli 2003 medegedeeld dat hij een verzoek heeft gericht aan de Nigeriaanse balie om hem te berichten over het advocatenkantoor. Eiser heeft in een nadere reactie op het voornemen een brief van eerdergenoemd advocatenkantoor overgelegd van 14 juli 2003, waaruit blijkt dat het kantoor van het advocatenkantoor in december 2002 is verhuisd. Eiser heeft het nieuwe adres aan verweerder opgegeven. Naar aanleiding hiervan heeft verweerder aanvullend onderzoek door het Ministerie van Buitenlandse Zaken laten verrichten. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in een individueel ambtsbericht van 17 februari 2004. Volgens dit ambtsbericht blijkt op het door eiser genoemde nieuwe adres geen advocatenkantoor met de naam ‘Esigie, Esigie en Co’ te zitten. Er zijn dan ook geen aanknopingspunten om na te gaan of eiser er cliënt was. Voorts zijn er volgens het individueel ambtsbericht onvoldoende aanknopingspunten om na te gaan of eiser wegens zijn seksuele geaardheid wordt gezocht in Nigeria. Dit individueel ambtsbericht is tezamen met het bestreden besluit aan eiser toegezonden.

IV. OVERWEGINGEN

1. Verweerder heeft eisers aanvraag op grond van 31, eerste lid, jo artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 afgewezen. Eiser heeft toerekenbaar geen documenten ter onderbouwing van zijn identiteit en nationaliteit aan zijn aanvraag ten grondslag gelegd, hetgeen afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van zijn asielrelaas. Uit het individuele ambtsbericht van 17 februari 2004 blijkt dat ook op het tweede door eiser opgegeven adres geen advocatenkantoor met de opgegeven naam gevestigd is. Alle door eiser overgelegde documenten ter onderbouwing van zijn asielrelaas kunnen gelet op de uitgebrachte individuele ambtsberichten niet als authentiek worden aangemerkt. Nu eiser voorts tot twee keer toe een valse identiteit dan wel nationaliteit aan de Nederlandse autoriteiten heeft opgegeven en pas asiel heeft aangevraagd nadat hij werd aangehouden, wordt geen enkel geloof gehecht aan de door eiser afgelegde verklaringen.

2. Eiser heeft onder meer aangevoerd dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld door het individueel ambtsbericht van 17 februari 2004 eerst met het bestreden besluit bekend te maken. Hierdoor is eiser de gelegenheid ontnomen om hierop te reageren. Voorts heeft eiser betoogd dat artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 hem in redelijkheid niet kan worden tegengeworpen. Ten aanzien van de overweging dat eiser niet direct na aankomst in Nederland een asielaanvraag heeft ingediend, heeft hij aangevoerd dat hij in eerste instantie niet van die mogelijkheid op de hoogte was. Toen hij in het bezit was gesteld van een verblijfsdocument waarmee hij in zijn onderhoud kon voorzien, bestond er geen aanleiding meer om bescherming te vragen. Tot slot bestrijdt eiser gemotiveerd de conclusies van alle individuele ambtsberichten.

De rechtbank overweegt als volgt.

3.1 Artikel 3.119 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) luidt als volgt.

‘Wanneer na het uitreiken of toezenden van het voornemen feiten of omstandigheden:

a. bekend worden

b. reeds bekend waren maar naar aanleiding van de zienswijze van de vreemdeling anders worden beoordeeld of gewogen, die voor de te nemen beslissing van aanmerkelijk belang kunnen zijn en Onze Minister voornemens blijft de aanvraag af te wijzen, wordt dit aan de vreemdeling meegedeeld en wordt hij in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze daarover naar voren te brengen.’

3.2 In Hoofdstuk C15/6.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) is ten aanzien van voorgaande bepaling het volgende neergelegd.

‘Op grond van artikel 3.119 Vb moet de asielzoeker in een aantal gevallen opnieuw in staat worden gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen als er na het bekendmaken van het voornemen nieuwe feiten of omstandigheden bekend zijn geworden, of wanneer reeds bekende feiten of omstandigheden anders gewogen of beoordeeld moeten worden naar aanleiding van de eerdere zienswijze van de asielzoeker.

Het moet gaan om feiten en omstandigheden die van aanmerkelijk belang kunnen zijn voor de te nemen beslissing. Het betreft hier in ieder geval resultaten van onderzoek (zoals door de Minister van BuZa) en feiten en omstandigheden die, hetzij door het bekend worden, hetzij door een andere beoordeling of weging, een nieuw licht werpen op de geloofwaardigheid van het relaas van de asielzoeker.

Indien nieuwe informatie van de zijde van de asielzoeker wordt ingebracht, is van belang dat het moet gaan om feiten en omstandigheden die ook bij de asielzoeker niet eerder bekend waren en die daardoor niet eerder in de procedure konden worden ingebracht. De asielzoeker is immers gehouden volledig mee te werken aan de vaststelling van het feitencomplex (zie C14/3.2).

Indien aan deze voorwaarde is voldaan, behoeft dit niet in alle gevallen te leiden tot een nieuw voornemen. De vreemdeling wordt van de feiten of omstandigheden in kennis gesteld en hij wordt in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze daarover naar voren te brengen’.

4.1 In het onderhavige geval heeft eiser bij brief van 28 juli 2003, derhalve na het uitbrengen van het voornemen, nieuwe informatie naar voren gebracht. Deze informatie betreft onder andere het feit dat eiser van zijn Nigeriaanse advocaat heeft vernomen dat diens advocatenkantoor ‘Esigie, Esigie & Co’ is verhuisd. Ter onderbouwing hiervan heeft eiser een brief van het betreffende advocatenkantoor overgelegd van 14 juli 2003. Het betreft derhalve informatie die pas na het voornemen aan eiser bekend is geworden. Verweerder heeft die informatie vervolgens door het Ministerie van Buitenlandse Zaken laten verifiëren. Het individueel ambtsbericht dat op 17 februari 2004 is uitgebracht, is derhalve aan te merken als een nieuw feit dat na het voornemen bekend is geworden. Vervolgens is de vraag of dit feit van aanmerkelijk belang dient te worden geacht en of eiser derhalve ingevolge artikel 3.119 van het Vb 2000 in staat had dienen te worden gesteld om hierop te reageren voorafgaand aan het nemen van het besluit.

4.2 De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting betoogd dat dit niet het geval is, omdat alle dragende overwegingen voor de afwijzing van de aanvraag in het voornemen zijn opgenomen. Het individueel ambtsbericht van 17 februari 2004 heeft niet geleid tot een andere beoordeling van eisers aanvraag. In het voornemen is immers reeds op basis van de eerdere individuele ambtsberichten het standpunt ingenomen dat het adres van het advocatenkantoor niet bestaat. Het individueel ambtsbericht van 17 februari 2004 heeft slechts gediend tot meerdere zekerheidsstelling, aldus verweerder.

4.3 De rechtbank volgt het standpunt van verweerder niet. In het beleid zoals neergelegd in Hoofdstuk C15/6.1 van de Vc 2000 is vermeld dat als feiten en omstandigheden die in het licht van artikel 3.119 van het Vb 2000 van aanmerkelijk belang worden geacht, in ieder geval worden aangemerkt resultaten van onderzoek, zoals door de Minister van Buitenlandse Zaken. Los daarvan lag het in het onderhavige geval ook in de rede om eiser te laten reageren op het individueel ambtsbericht van 17 februari 2004 alvorens een besluit te nemen. De resultaten van dit onderzoek liggen immers lijnrecht tegenover de door eiser verstrekte informatie, te weten het faxbericht van het advocatenkantoor met het nieuwe adres, zodat hij ook om die reden in de gelegenheid had moeten worden gesteld om te reageren op dit onderzoek en de resultaten daarvan eventueel te weerleggen met nadere informatie.

5. Nu het bestreden besluit hierom reeds voor vernietiging in aanmerking komt, behoeft hetgeen overigens is aangevoerd geen bespreking meer.

6. Het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 3.119 van het Vb 2000. Derhalve zal het beroep gegrond worden verklaard, het bestreden besluit worden vernietigd en bepaald worden dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak.

7. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als de in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,-- als kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1).

IV. BESLISSING

De rechtbank

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. bepaalt dat verweerder binnen zes weken na verzending van de uitspraak een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

4. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op € 644,-- (zegge: zeshonderd en vierenveertig euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.T.H. Zimmerman, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. S. Tax, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2008.

De griffier

De voorzitter

Afschrift verzonden op:

Conc: ST

Coll: YvV

D:B

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt vier weken. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.