Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BF0495

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
01-08-2008
Datum publicatie
17-09-2008
Zaaknummer
AWB 08/24000
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

4:6 Awb / 15C Definitierichtlijn / nieuw gestelde nationaliteit

AC-procedure. Derde aanvraag. Thans gesteld door eiser dat hij Guinese nationaliteit bezit. Het beroep op 15C Definitierichtlijn kon niet door eiser in de voorgaande procedure aangevoerd worden nu de implementatiedatum van de Richtlijn verstreek na het bestreden besluit in die procedure. Er is dus een wijziging van het recht. Deze is evenwel niet relevant voor eiser nu niet aannemelijk gemaakt is dat er ten tijde van bestreden besluit in de huidige procedure sprake was van een binnenlands gewapend conflict in Guinee. Uit het ambtsbericht van 20 maart 2008, noch het reisadvies van Buitenlandse Zaken van 28 mei 2008 blijkt daarvan. Veeleer blijkt hieruit van mogelijke interne ongeregeldheden en spanningen. Of van een conflict sprake is moet de voorzieningenrechter zelfstandig onderzoeken nu sprake is van een herhaalde aanvraag. Dat verweerder hierover geen standpunt inneemt is dus niet van doorslaggevende betekenis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

vreemdelingenkamer

voorzieningenrechter

Uitspraak

artikel 8:81 en 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nrs.:

AWB 08/24000 (voorlopige voorziening)

AWB 08/23999 (beroep)

V.nr.: 010.504.7299

inzake:

[verzoeker], die stelt te zijn geboren op [1982], van gestelde Guinese nationaliteit, verzoeker,

gemachtigde: mr. P. Scholtes, advocaat te Den Haag,

tegen:

de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. E. de Jong, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.

I. PROCESVERLOOP

1. Op 3 juli 2008 heeft verzoeker beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 3 juli 2008 waarbij de herhaalde aanvraag van verzoeker van 28 juni 2008 om verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 is afgewezen. Op diezelfde datum is een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend, waarbij is verzocht uitzetting van verzoeker te verbieden totdat op het beroep zal zijn beslist.

2. Het verzoek om een voorlopige voorziening is behandeld ter zitting van 25 juli 2008. Verzoeker is aldaar vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde.

De voorzieningenrechter heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

II. FEITEN

1. In dit geding wordt uitgegaan van de volgende feiten.

2. Op 3 juni 2002 heeft verzoeker, onder de naam [alias], met de door verweerder toegekende fictieve geboortedatum [1982] en van gestelde Sierra Leoonse nationaliteit, een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Bij besluit van 6 juni 2002 is deze aanvraag afgewezen. Bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Dordrecht, van 25 juni 2002 is het beroep ongegrond verklaard (AWB 02/43824) en het ingediende verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard (AWB 02/43823).

3. Op 8 december 2002 heeft verzoeker, onder de naam [verzoeker], met de gestelde geboortedatum [1982], van gestelde Ivoriaanse nationaliteit, wederom een asielaanvraag ingediend. Bij besluit van 10 september 2003 is de aanvraag afgewezen. Dit besluit is ingetrokken op 5 december 2005. Bij besluit van 13 februari 2006 is de aanvraag wederom afgewezen. Het daartegen ingestelde beroep is door deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, van 17 augustus 2007 (AWB 06/13149) ongegrond verklaard. Op het hiertegen op 12 september 2007 ingestelde hoger beroep was ten tijde van het bestreden besluit nog geen uitspraak gedaan.

III. GEHOOR INZAKE NIEUWE FEITEN EN OMSTANDIGHEDEN

1. In de eerste asielprocedure heeft verzoeker het volgende aangevoerd. Verzoeker heet [alias] en is van Sierra Leoonse nationaliteit. Hij is in dat land geboren en ook zijn ouders zijn van Sierra Leoonse nationaliteit. Op zesjarige leeftijd, in het jaar 1991, heeft verzoeker Sierra Leone verlaten en is naar Guinee gegaan. Vandaar is hij naar Nederland gevlucht omdat niemand voor hem kon zorgen.

2. In de tweede procedure heeft verzoeker het volgende aangevoerd. Verzoeker is [verzoeker], geboren op [1982] in [geboorteplaats] te Ivoorkust en van Ivoriaanse nationaliteit. Ook verzoekers ouders zijn van Ivoriaanse nationaliteit. Hij behoort tot de bevolkingsgroep der Dyula, die worden gezien als aanhanger van de oppositieleider. Veel Dyula worden daardoor gezocht en gedood door militairen. Omdat zijn vader is opgepakt en gedood heeft verzoeker Ivoorkust verlaten.

3. Verzoeker heeft in de huidige procedure in het gehoor van 1 juli 2008, inzake nieuwe feiten en omstandigheden, het volgende aangevoerd. Verzoeker is in Ivoorkust geboren en heeft daar ook gewoond. Hij heeft eerst Sierra Leone gezegd omdat dit de enige groep was die in Nederland mocht blijven.

De ouders van verzoeker zijn Guinees. Ook verzoeker heeft de Guinese nationaliteit. Verzoeker heeft in de tweede asielprocedure uit angst gezegd dat zijn vader is geboren in Ivoorkust en dat hij Ivoriaan is. Dit paste beter bij verzoekers verhaal. De vader van verzoeker werkte echter in Guinee in het leger en werd beschuldigd van verraad. Daarom hebben zijn ouders Guinee verlaten en zijn zij naar Ivoorkust gegaan. De vader en de rest van verzoekers familie staan op een zwarte lijst. Niemand kan terugkeren naar Guinee. Daarom is verzoeker bang terug te gaan naar dat land. Verzoeker heeft dit alles niet eerder verteld omdat hij hoopte dat het regime zou veranderen. Verzoeker is, met uitzondering van een eerder overgelegde geboorteakte, niet in het bezit van documenten die zijn identiteit en nationaliteit aantonen.

IV. STANDPUNTEN PARTIJEN

1. Verweerder heeft de aanvraag van verzoeker binnen 48 procesuren in het aanmeldcentrum (AC) afgewezen op grond van artikel 4:6 van de Awb. Het door verzoeker in de huidige procedure naar voren gebrachte behelst geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Verzoeker heeft zich wederom tegenstrijdig uitgelaten over zijn gestelde herkomst en nationaliteit, onder andere nu verzoeker in het gehoor van 1 juli 2008 in eerste instantie heeft verklaard dat hij de Ivoriaanse nationaliteit heeft, maar vervolgens in dat gehoor verklaard heeft dat hij de Guinese nationaliteit heeft. Dit doet afbreuk aan de betrouwbaarheid van de overige verklaringen alsmede aan de verklaring dat verzoeker nieuwe feiten of veranderde omstandigheden naar voren gebracht heeft. Verzoeker had eerder naar voren kunnen en moeten brengen dat hij de Guinese nationaliteit bezit. Van een novum is derhalve geen sprake.

Dat verzoeker hierover uit angst niet eerder durfde te verklaren, maakt dit niet anders nu hij erop gewezen is dat hij in vertrouwen kon verklaren en dat hij de waarheid moest vertellen. Verzoeker heeft geen documenten ter staving van zijn nationaliteit overgelegd. De door verzoeker genoemde geboorteakte van Ivoorkust, die niet is voorzien van een pasfoto en dus de nationaliteit of identiteit niet kan aantonen, kan verzoekers gestelde Guinese nationaliteit niet aantonen.

Ten aanzien van de verklaringen van verzoeker over de activiteiten van zijn vader in Guinee,stelt verweerder zich op het standpunt dat, afgezien van de geloofwaardigheid daarvan, zij geen nova opleveren, nu niet aannemelijk is gemaakt dat hij dit niet eerder kon noemen. Dat hij hoopte op regimewisseling in Guinee en daarom hierover niets heeft verklaard vormt geen verschoonbare reden.

2. Aan het verzoek is het volgende ten grondslag gelegd. Verzoeker heeft zijn Guinese nationaliteit voldoende aannemelijk gemaakt. Op 21 februari 2008 heeft verweerder een rapport van taalanalyse ontvangen. Dit rapport had in de besluitvorming betrokken moeten worden. Verzoeker heeft daarvan geen kennis kunnen nemen, het voorgaande is hem slechts meegedeeld in verband met de vreemdelingenbewaring. Blijkens dat rapport is verzoeker te herleiden tot de spraak- en cultuurgemeenschap binnen Guinee. Dit rapport is een nieuw feit in de zin van artikel 4:6 van de Awb. Verzoeker heeft een kopie van een geboorteakte overgelegd en is in het bezit van het origineel daarvan. Reeds in de vorige procedure heeft hij gezegd dat hij is geboren in [geboorteplaats]. Van een wisselende verklaring is geen sprake. Verweerder had moeten beoordelen of terugkeer naar Guinee leidt tot een door artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) verboden behandeling.

Verzoeker komt in aanmerking voor categoriale bescherming en hij beroept zich op artikel 15, aanhef en onder c, van Richtlijn 2004/83/EG inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchtelingen of als personen die anderszins internationale bescherming behoeven en de inhoud van de verleende bescherming (hierna: de Richtlijn). Nu het bestreden besluit in die procedure dateert van 13 februari 2006 en de implementatietermijn verstreken is op 10 oktober 2006, kon verzoeker zich in de vorige procedure niet op de Richtlijn beroepen, zodat sprake is van een relevante wijziging van recht. Bovendien is er sinds het besluit van 13 februari 2006, sprake van een toename van het geweld. Artikel 15, aanhef en onder c, van de Richtlijn is ruimer dan artikel 29, eerste lid en onder b, van de Vw 2000. Anders zou eerstgenoemd artikel immers zinledig zijn. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) heeft over genoemd artikel van de Richtlijn prejudiciële vragen gesteld, zodat het beroep moet worden aangehouden tot deze beantwoord zijn. De voorlopige voorziening moet worden toegewezen.

Dat er willekeurig geweld is in Guinee blijkt uit het negatieve reisadvies van het ministerie van Buitenlandse Zaken van 28 mei 2008.

Het niet voeren van een beleid van categoriale bescherming is gebaseerd op het ambtsbericht van 20 maart 2008, dat loopt tot en met januari 2008. De laatste ontwikkelingen zijn niet meegenomen in de brief van verweerder van 24 april 2008 en het besluit van 20 mei 2008, nr. 2008/18, tot wijziging van de Vc 2000.

3. Ter zitting heeft verweerder nog aangevoerd dat verzoeker zijn standpunt inzake artikel 15, aanhef en onder c, van de Richtlijn in de vorige procedure naar voren had moeten brengen. Verder heef verweerder verklaard geen standpunt in te nemen ten aanzien van de vraag of er in Guinee sprake is van een binnenlands gewapend conflict als bedoeld in die bepaling.

V. OVERWEGINGEN

1. Aan de orde is de vraag of er gegeven de spoedeisendheid van het verzoek aanleiding bestaat een voorlopige voorziening te treffen in die zin dat het besluit van verweerder om de uitzetting niet achterwege te laten wordt geschorst.

2. Op grond van artikel 8:86 van de Awb heeft de voorzieningenrechter na behandeling ter zitting van het verzoek om een voorlopige voorziening de bevoegdheid om, indien hij van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak. Verzoeker is tijdig op deze bevoegdheid gewezen.

3. De AC-procedure voorziet in afdoening van asielverzoeken binnen 48 procesuren. Deze procedure leent zich slechts voor die zaken waarvan verweerder, daarbij de vereiste zorgvuldigheid in acht nemend, binnen deze korte termijn kan beoordelen of de aanvraag op grond van artikel 30 of 31 van de Vw 2000 kan worden afgewezen.

4. Ingevolge artikel 28, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 is de Minister bevoegd de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in te willigen, af te wijzen dan wel niet in behandeling te nemen.

5. Op grond van artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000 kan -voor zover hier van belang- een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 worden verleend aan de vreemdeling:

a. (…);

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen;

c. (...);

d. voor wie terugkeer naar het land van herkomst naar het oordeel van Onze Minister van bijzondere hardheid zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar.

6. Uit vaste rechtspraak van de AbRS volgt dat, indien na een eerdere afwijzende beslissing een materieel vergelijkbare beslissing wordt genomen, voorshands worden aangenomen dat het in die uitspraak uiteengezette beoordelingskader in de weg staat aan een rechterlijke toetsing van dat besluit, als ware het een eerste afwijzing. Slechts indien en voor zover door de vreemdeling in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus door hem aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een voor hem relevante wijziging van het recht voordoet, kunnen dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen door de bestuursrechter worden getoetst. Dit is slechts anders, indien zich bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende, feiten en omstandigheden als bedoeld in overweging 45 van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 19 februari 1998 (Bahaddar tegen Nederland; JV 1998/45) voordoen.

7.1 Verzoeker heeft gesteld dat artikel 15, aanhef en onder c, van de Richtlijn een relevante wijziging van het recht inhoudt, omdat er in Guinee sprake is van een intern gewapend conflict. De voorzieningenrechter overweegt daarover het volgende.

7.2 De rechtbank verwerpt het standpunt van verweerder dat verzoeker in de voorgaande procedure een beroep op deze bepaling had kunnen doen. De implementatietermijn van de Richtlijn verstreek immers op 10 oktober 2006, derhalve ruim na het moment waarop in de voorgaande asielprocedure de aanvraag was afgewezen. Artikel 83 van de Vw 2000 bood verzoeker geen ruimte om in de voorgaande procedure een beroep te doen op de Richtlijn. Een wijziging van recht levert immers geen feit of omstandigheid op in de zin van artikel 83 van de Vw 2000. Indien sprake is van een wijziging van recht, dan dient de vreemdeling, wil hij zich hierop kunnen beroepen, een nieuwe aanvraag in te dienen. Dit volgt uit vaste jurisprudentie van de AbRS, bijvoorbeeld de uitspraak van 16 mei 2003 (LJN: AH9354).

7.3 Uit vaste jurisprudentie van de AbRS, onder andere de uitspraak van 20 juli 2007 (LJN: BB0917), volgt tevens dat een wijziging van recht alleen als relevant nieuw recht kan worden aangemerkt indien de vreemdeling onder de reikwijdte van de betreffende bepaling valt. Die vraag kan in het onderhavige geval enkel positief beantwoord worden als aannemelijk is dat zich ten tijde van het bestreden besluit, in casu 3 juli 2008, in Guinee een binnenlands gewapend conflict in de zin van artikel 15, aanhef en onder c, van de Richtlijn afspeelde. Van een dergelijk conflict is sprake indien een georganiseerde gewapende groep met een verantwoordelijk bevel in staat is op het grondgebied van een land of een gedeelte daarvan jegens de strijdkrachten van de autoriteiten van dat land militaire operaties uit te voeren die aanhoudend en samenhangend van aard zijn. De voorzieningenrechter dient deze vraag, nu het een opvolgende asielaanvraag betreft, zelfstandig te onderzoeken. Het feit dat verweerder dienaangaande geen standpunt heeft ingenomen, is dus niet van doorslaggevende betekenis.

7.4 Naar het oordeel van de voorzieningenrechter blijkt uit het genoemde ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken van 20 maart 2008, noch het reisadvies van het ministerie van Buitenlandse Zaken van 28 mei 2008, dat in Guinee ten tijde van het bestreden besluit sprake was van een conflict dat aan de hierboven bedoelde kenmerken voldoet. Veeleer volgt daaruit dat zich in Guinee mogelijk situaties voordoen van interne ongeregeldheden en spanningen, zoals rellen, op zichzelf staande en sporadisch voorkomende daden van geweld en andere handelingen van soortgelijke aard. Zodanige situaties vallen echter, naar volgt uit de hiervoor bedoelde rechtspraak, niet te beschouwen als gewapende conflicten.

7.5 Van een relevante wijziging van het recht is dus geen sprake.

8.1 De voorzieningenrechter dient vervolgens, ter bepaling van de omvang van de door hem te verrichten beoordeling in geval van een besluit op een herhaalde aanvraag, direct te treden in de vraag of aan de aanvraag nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb ten grondslag zijn gelegd. Daaronder moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die zijn voorgevallen na het nemen van het eerdere besluit of die niet vóór het nemen van dat besluit konden en derhalve behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder aangevoerde feiten of omstandigheden die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve, gelet op laatstgenoemde bepaling, behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan is niettemin geen sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke beoordeling rechtvaardigen, indien op voorhand uitgesloten is dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd kan afdoen aan het eerdere besluit en de overwegingen waarop dat rust.

8.2 Dat verzoeker, naar hij in de onderhavige procedure stelt, de Guinese nationaliteit bezit, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid in de hiervoor bedoelde zin. Dit kon verzoeker in de voorgaande procedure immers al naar voren brengen. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat verzoekers verklaring dat hij hierover uit angst niet eerder durfde te verklaren, niet maakt dat van verzoeker niet mocht worden verwacht dat hij reeds in de voorgaande procedure zijn gestelde Guinese nationaliteit naar voren had gebracht. Verzoeker is er in de voorgaande procedure immers op gewezen dat hij in vertrouwen zijn asielmotieven naar voren kon brengen en dat het van belang is dat verzoeker de waarheid moest vertellen. Van een vreemdeling mag voorts worden verwacht dat hij naar waarheid en volledig verklaart. Onder deze omstandigheden kan ook het op 21 februari 2008 bekend geworden resultaat van de taalanalyse niet als een nieuw feit in de bedoelde zin worden aangemerkt. Weliswaar dateert de taalanalyse van na het besluit op de vorige aanvraag, maar het afnemen van de taalanalyse is zozeer verweven met verzoekers wisselende verklaringen omtrent zijn nationaliteit dat de uitkomst daarvan het lot van de thans door hem gestelde nationaliteit deelt. Het feit dat verweerder een taalanalyse heeft afgenomen doet immers niet af aan de conclusie dat van verzoeker mocht worden verwacht dat hij in de vorige procedure zijn gestelde Guinese nationaliteit naar voren had gebracht.

8.3 Nu verzoeker in de voorgaande procedure kon en derhalve behoorde aan te voeren dat hij de Guinese nationaliteit heeft, kan hetgeen hij in het kader van het beroep op artikel 29, eerste lid en onder d, van de Vw 2000 heeft aangevoerd over de situatie in Guinee, evenmin gelden als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.

8.4 Van feiten of omstandigheden die zouden dienen te leiden tot een uitzondering op de toepassing van het bepaalde in artikel 4:6 van de Awb is de rechtbank niet gebleken.

8.5 Gelet op het voorgaande staat artikel 4:6 van de Awb aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep in de weg.

9. De voorzieningenrechter is van oordeel dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan beoordeling van de hoofdzaak en dat deze slechts in ongegrondverklaring van het beroep kan eindigen. De voorzieningenrechter ziet derhalve aanleiding om met toepassing van artikel 8:86 van de Awb onmiddellijk op dat beroep te beslissen. Het beroep tegen de afwijzende beschikking op de asielaanvraag van verzoeker zal dan ook ongegrond worden verklaard. Dat brengt mee dat het verzoek om een voorlopige voorziening wegens gebrek aan belang dient te worden afgewezen.

10. Van omstandigheden op grond waarvan één van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten is niet gebleken.

VI. BESLISSING

De voorzieningenrechter

in de zaak geregistreerd onder nummer AWB 08/23999:

- verklaart het beroep ongegrond;

in de zaak geregistreerd onder nummer AWB 08/24000:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Fehmers, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. E.M. de Buur, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 1 augustus 2008.

De griffier

De voorzieningenrechter

Afschrift verzonden op:

Conc.: EB

Coll:

D: B

Tegen de uitspraak in beroep kunnen partijen binnen een week na de verzending van een afschrift van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt één week. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.